CO 1264 van 16 juli 1992 - Nadere regelen voor de toepassing van bilaterale overeenkomsten betreffende de sociale zekerheid (uittreksel)

     

    België heeft met staten die geen lid zijn van de Europese Gemeenschappen, bilaterale overeenkomsten gesloten op grond waarvan kinderbijslag kan worden betaald ten behoeve van kinderen die buiten het Rijk verblijven. Sommige daarvan zijn reeds erg oud.
    Deze overeenkomsten en de bijbehorende administratieve schikkingen zijn door de Rijksdienst gepubliceerd. Overigens zijn nadere regelen voor de uitvoering van bepaalde van deze overeenkomsten in omzendbrieven van de Rijksdienst opgenomen samen met de standaardformulieren die in de bilaterale betrekkingen moeten worden gebruikt.

    De kinderbijslaginstellingen stellen ter oplossing van concrete gevallen waarmee ze te maken krijgen, geregeld vragen aan de Rijksdienst met betrekking tot de interpretatie van bepalingen van de overeenkomsten en de toepassing ervan.

    Om aan de wens van de kinderbijslaginstellingen om te beschikken over een volledige documentatie tegemoet te komen, bundelt deze omzendbrief de verschillende bilaterale overeenkomsten die België heeft aangegaan en de daarop betrekking hebbende ministeriële omzendbrieven en omzendbrieven van de Rijksdienst. Tevens wordt een systeem ingesteld om oplossingen voor praktische problemen bij de toepassing van die overeenkomsten mee te delen via bijlagen bij deze omzendbrief.

    1.1. Hieronder volgt de lijst van de bilaterale overeenkomsten die nog steeds van toepassing zijn en de nomenclatuur van de desbetreffende omzendbrieven.

    1. Het Belgisch-Joegoslavisch Verdrag van 1 november 1954, van kracht op 1 oktober 1956 en gewijzigd door dat van 11 maart 1968 van kracht op 1 juni 1970.

    Omzendbrief van de Rijksdienst: C.O. 1158 van 23 december 1985.

    2. Het Belgisch-Turks Verdrag van 4 juli 1966, van kracht op 1 mei 1968.

    3. Het Belgisch-Algerijns Verdrag van 27 februari 1968, van kracht op 1 oktober 1969.

    Omzendbrieven van de Rijksdienst: C.O. 893 van 8 april 1971 - C.O. 968 van 17 mei 1974.

    4. Het Belgisch-Marokkaanse Verdrag van 24 juni 1968, van kracht op 1 augustus 1971.

    Omzendbrieven van de Rijksdienst : C.O. 913 van 1 juni 1972 - C.O. 1065 van 24 februari 1979 - C.O. 1029bis van 5 maart 1979 -
    C.O. 1069 van 13 april 1979

    5. Het Belgisch-Tunesisch Verdrag van 29 januari 1975, van kracht op 1 november 1976.

    Omzendbrieven van de Rijksdienst: C.O. 1046 van 15 september 1977 - C.O. 1046bis van 29 maart 1978

    6. Het Belgisch-Zwitsers Verdrag van 24 september 1975, van kracht op 1 mei 1977.

    7. Het Belgisch-Oostenrijks Verdrag van 4 april 1977, van kracht op 1 december 1978.

     

    Drie bilaterale verdragen:

    1. Het Belgisch-Spaanse Verdrag van 28 november 1956, van kracht op 1 juli 1958, gewijzigd door dat van 10 oktober 1967, van kracht op 1 september 1969.

    2. Het Belgisch-Griekse Verdrag van 1 april 1958, van kracht op 1 januari 1961, en gewijzigd door dat van 27 september 1967, van kracht op 1 oktober 1969, en

    3. Het Belgisch-Portugees Verdrag van 14 september 1970, van kracht op 1 mei 1973, zijn, respectievelijk sinds 1 januari 1981 voor Griekenland en sinds 15 januari 1986 voor Spanje en Portugal niet meer van toepassing.
    Vanaf 1 januari 1981 voor de Griekse onderhorigen en vanaf 15 januari 1986 voor de Spaanse en Portugese onderhorigen, wordt de materie van de gezinsbijslagen geregeld door de E.E.G.-Verordeningen nrs 1408/71 en 574/72 (bijlage 19 van 29 april 1981 bij de C.O. 949 bijlagen 30/1 en 31/1 van 15 maart 1991 bij de C.O. 949).

    1.2. Er moet worden vermeld dat volgend verdrag wel is afgesloten maar geen uitwerking heeft voor wat de kinderbijslag betreft, bij gebrek aan bepalingen hieromtrent in de administratieve schikking: het Belgisch-Pools Verdrag van 26 november 1965.

    1.3. Bovendien heeft België met staten die geen lid zijn van de Europese Gemeenschappen, bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid gesloten die, hoewel ze in werking zijn getreden, geen bepalingen in verband met kinderbijslag bevatten:

    1. Het Verdrag tussen België en San-Marino van 22 april 1957, van kracht op 1 oktober 1956.

    2. De Overeenkomst tussen België en de Verenigde Staten van Amerika van 19 februari 1982, van kracht op 1 juli 1984.

    Omzendbrief van de Rijksdienst: C.O. 1137 van 21 november 1984.

    3. De Overeenkomst tussen België en Canada van 10 mei 1984, van kracht op 1 januari 1987.

    1.4. Op grond van bilaterale overeenkomsten tussen België en de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen kon tot 22 april 1986, datum waarop het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (C.O. 1164 van 20 juni 1986) in werking is getreden, kinderbijslag worden uitgevoerd ten gunste van onderhorigen uit een Lid-Staat van de Raad van Europa die mede-ondertekenaar is van het Europese Interim Akkoord en geen lid is van de Europese Gemeenschappen (onderhorigen uit Cyprus, IJsland, Noorwegen, Portugal, Turkije en Zweden).

    1. Het Belgisch-Nederlandse Akkoord van 27 augustus 1947, van kracht op 1 oktober 1949 en het Akkoord van 7 februari 1964 van kracht op 1 januari 1963;

    2. Het Belgisch-Franse Verdrag van 17 januari 1948, van kracht op 1 juli 1949;

    3. De Belgisch-Italiaanse Overeenkomst van 30 april 1948, van kracht op 1 september 1949;

    4. het Belgisch-Luxemburgse Verdrag van 3 december 1949, van kracht op 1 april 1951 en dat betreffende de grensarbeiders van 16 november 1959, van kracht op 1 januari 1959;

    5. het Belgisch-Spaanse Verdrag van 28 november 1956, van kracht op 1 juli 1958 en gewijzigd door dat van 10 oktober 1967, van kracht op 1 september 1969;

    6. het Belgisch-Duitse Verdrag van 7 december 1957, van kracht op 1 januari 1959;

    7. het Belgisch-Griekse Verdrag van 1 april 1958, van kracht op 1 juli 1958 en gewijzigd door dat van 10 oktober 1967, van kracht op 1 september 1969;

    8. het Belgisch-Portugese Verdrag van 14 september 1970, van kracht op 1 mei 1973.

    1.5. De toekenning van het kraamgeld, dat is uitgesloten uit de materiële werkingssfeer van de Europese Verordeningen en het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, wordt geregeld in de volgende bilaterale overeenkomsten, zowel voor de onderhorigen van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap als voor de onderhorigen van een land dat geen lid is van de Europese Gemeenschap en dat het Europese Interim Akkoord heeft ondertekend:

    1. Het Eerste Aanvullend Akkoord van 7 december 1957 bij het Belgisch-Duitse Verdrag, op dezelfde datum ondertekend, met betrekking tot de sociale zekerheid van grensarbeiders;

    2. het Belgisch-Luxemburgse Verdrag van 16 november 1959, betreffende de sociale zekerheid van grensarbeiders;

    3. het Belgisch-Nederlandse Akkoord van 7 februari 1964;

    4. het Frans-Belgische Protocol van 25 april 1991.

    2. Een aantal ministeriële omzendbrieven en omzendbrieven van de Rijksdienst bevatten algemene problematiek met betrekking tot alle bilaterale verdragen:

    - M.0. 289 van 17 oktober 1973: het niet van toepassing zijn van verhogingen die het gevolg zijn van het koninklijk besluit van 5 oktober 1973 op de kinderbijslagbedragen toegekend ter uitvoering van verdragen ten gunste van kinderen van bovengrondse mijnwerkers in de kolenindustrie.

    - M.0. 492 van 20 november 1990 en M.0. 492bis van 14 juni 1991: weerslag van de programmawet van 22 december 1989 op internationale overeenkomsten en reglementen.

    - C.O. 912 van 12 april 1972: werknemers van vreemde nationaliteit die in België werkzaam zijn; kinderbijslagbedrag geldend voor de zes maanden voorafgaand aan de aankomst van de kinderen in België.

    - C.O. 977 van 25 september 1974: werknemers van vreemde nationaliteit die in België werkloos zijn; toekenning van kinderbijslag ten gunste van hun in het buitenland grootgebrachte kinderen.

    3. Voortaan zullen de oplossingen voor de problemen die zich bij de toepassing van bilaterale verdragen voordoen, worden medegedeeld via bijlagen bij deze omzendbrief.
    Bij elke richtlijn wordt als kenmerk vermeld: "bijlage bij de C.O." gevolgd door een volgnummer.

    (...)

    De bijlagen hierbij (1) herhalen voor het merendeel de voor de kinderbijslaginstellingen bekende algemene beginselen. Eerdere richtlijnen die hiermee in tegenspraak zijn komen hierbij te vervallen.

    Ze moeten worden toegepast binnen de grenzen van de verjaring; reeds behandelde dossiers moeten echter niet ambtshalve worden herzien.

    -----------
    (1) Niet opgenomen.

    Top