CO 1309 van 20 juni 1997 - Richtlijnen voor de toepassing van KB van 25 april 1997 tot uitvoering van Art. 71, §1bis KBW - Vaststelling van de instelling die bevoegd is om de gezinsbijslag te betalen

     

    Het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, §1bis, kinderbijslagwet, waarvan een kopie als bijlage gaat, is op 17 mei 1997 in het Belgisch staatsblad verschenen en vervangt met ingang van 1 oktober 1997 het huidig bevoegdheidsbesluit van 12 maart 1990.

    Waarom een nieuw bevoegdheidsbesluit ?

    De bedoeling is om de bevoegdheid bij de vaststelling van een "nieuw recht" zo gemakkelijk mogelijk te bepalen en hierbij omslachtig opsporingswerk te vermijden. De activiteit die determinerend is om de bevoegdheid te vestigen wordt zo kort mogelijk bij de datum van het ontstaan van het recht gesitueerd. Het opvragen van uittreksels uit de pensioenrekening zal hierdoor tot een strikt minimum kunnen worden beperkt.

    Bij voortzetting van het recht is "stabiliteit" de algemene regel. Enkel wanneer de rechthebbende na de eerste dag van een referentiemaand een nieuwe stabiele activiteit aanvat (in het besluit genoemd : een activiteit die geen geneutraliseerde situatie vormt) waarvan het contract/statuut nog geldt op de eerste dag van de volgende referentiemaand alsmede wanneer zo'n activiteit wordt aangevat op de eerste dag zelf van een referentiemaand, zal er nog een bevoegheidsverandering zijn en zal de kinderbijslaginstelling van de nieuwe werkgever bevoegd worden. Zo zal bijvoorbeeld het verrichten van uitzendarbeid bij voortzetting van het recht niet langer een bevoegdheidsoverdracht meebrengen. Ook de transmissie van stempelgegevens sluit thans naadloos aan op de nieuwe bevoegdheidsbepalingen. Indien een werkloze niet vergoed wordt gedurende een periode van hoogstens 14 opeenvolgende kalenderdagen heeft dit geen gevolgen, noch wat betreft het behoud van de hoedanigheid van "vergoede volledig werkloze", noch op het vlak van de bevoegdheid.

    1. Krachtlijnen

    - De logica die een onderscheid maakt tussen een nieuw recht enerzijds en de voortzetting van het recht anderzijds wordt veralgemeend (tot 30.09.1997 enkel in art. 4 van het KB van 12 maart 1990).

    - De bevoegdheidsbepaling is opgebouwd rond het verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst of het onderworpen zijn aan een statuut. Binnen een arbeidsovereenkomst of statuut wordt geen onderscheid gemaakt tussen effectieve arbeidsprestaties, met arbeid gelijkgestelde toestanden en situaties van toekenning.

    - Bij vaststelling van een nieuw recht is het vertrekpunt voor de vestiging van de betaalbevoegdheid de dag waarop het feit zich voordoet dat een effectief recht op kinderbijslag doet ontstaan en wordt elke activiteit, dus ook de geneutraliseerde, in aanmerking genomen, ongeacht de duur ervan en het statuut dat de werknemer tijdens de tewerkstelling heeft.

    - Bij voortzetting van het recht "stabiliteit" de algemene regel. Enkel wanneer de rechthebbende na de eerste dag van een referentiemaand een nieuwe niet-geneutraliseerde activiteit aanvat waarvan het contract/statuut nog geldt op de eerste dag van de volgende referentiemaand, wordt de bevoegdheid overgedragen aan de kinderbijslaginstelling van de nieuwe werkgever.

    2. Toelichting bij de begrippen (artikel 1)

    Wat dient men voor de toepassing van het besluit te verstaan onder :

    2.1. Kinderbijslaginstellingen

    Alle kinderbijslagfondsen, openbare besturen of diensten die ertoe gehouden zijn gezinsbijslag toe te kennen ingevolge de kinderbijslagregeling voor werknemers worden beschouwd als kinderbijslaginstellingen in de zin van artikel 1 van dit besluit.

    2.2. Referentiemaand

    Het betreft de maand waarop het recht op kinderbijslag is gegrond.
    In geval van een nieuw recht is dit de kalendermaand waarin de gebeurtenis plaatsvindt die het recht doet ontstaan.
    In geval van voortzetting van het recht is dit de tweede maand van het kwartaal.

    2.3. Situatie die een recht doet ontstaan

    Het betreft de verschillende situaties waaraan een werknemer de hoedanigheid van rechthebbende kan ontlenen :

    • ofwel een situatie van arbeid verwijzend naar artikel 51, §1, 1° en 2° kinderbijslagwet ; d.w.z. werkelijke tewerkstelling met verzekeringsplicht t.a.v. de sociale zekerheid in de zin van de artikelen 1 tot 4 kinderbijslagwet ;
    • ofwel een met arbeid gelijkgestelde situatie in de zin van artikel 53 kinderbijslagwet ;
    • ofwel een situatie van toekenning op grond waarvan overeenkomstig de artikelen 55 tot 56bis en van 56quater tot 57 kinderbijslagwet een recht op kinderbijslag kan worden vastgesteld.

    2.4. Activiteit

    Elke situatie die een recht doet ontstaan, voor zover de werknemer verbonden is met een arbeidsovereenkomst of onderworpen is aan een statuut.
    Wij herinneren eraan dat binnen het bestek van een arbeidsovereenkomst of statuut geen onderscheid wordt gemaakt tussen effective arbeidsprestaties, met arbeid gelijkgestelde toestanden en situaties van toekenning.

    2.5. Geneutraliseerde situatie

    Volgende situaties worden geneutraliseerd bij vestiging van de betaalbevoegdheid op grond van een "voortgezet recht" :

    • elke activiteit van een rechthebbende waarvan de uitwerking niet langer duurt dan 14 kalenderdagen;
    • elke situatie die geen onderbreking vormt in de hoedanigheid van vergoede volledig werkloze in de zin van artikel 1 van het KB van 19 maart 1996 of die wordt uitgeoefend in het tijdsinterval tussen een periode bedoeld in artikel 56 kinderbijslagwet en een tijdvak van vergoede volledige werkloosheid, op voorwaarde dat de periode bedoeld bij artikel 56 in aanmerking mag worden genomen bij de bepaling van de zevende maand vergoede volledig werkloosheid overeenkomstig artikel 2 van het KB van 19 maart 1996;
    • elke activiteit van een rechthebbende die verenigbaar is met een hoedanigheid beoogd bij de artikelen 53, §1, 6° (vooropzeg), 56, §1, lid 1, en §2, lid 1 (de arbeidsongeschikte rechthebbende), 56quater (rechthebbende die een overlevingspensioen ontvangt), 56octies (de rechthebbende die een uitkering ontvangt ingevolge beroepsloopbaanonderbreking), 56novies, 1° (de tijdelijke of volledig vergoede werkloze), 56 decies (de gedetineerde rechthebbende) of 57 (de gepensioneerde werknemer) ;
    • elke activiteit als uitzendkracht, ongeacht de duur ervan ;
    • elke activiteit van een rechthebbende, aangevat op een ogenblik waarop hij nog gebonden is door een vorige arbeidsovereenkomst of onderworpen is aan een statuut en zolang het vorig contract/statuut uitwerking heeft ;

    2.6. Feit

    Elke feitelijke situatie (bv. begin eerste tewerkstelling) of juridische handeling (bv. erkenning van een kind) waaruit een effectief nieuw recht op kinderbijslag voortvloeit.

    2.7. Daadwerkelijke rechthebbende

    De rechthebbende uit wiens hoofde het recht op gezinsbijslag dient te worden vastgesteld omdat hij de enige mogelijke rechthebbende in de werknemersregeling is of de hoedanigheid heeft van voorrangsgerechtigde rechthebbende overeenkomstig artikel 64 kinderbijslagwet.

    2.8. Nieuw recht

    2.8.1. Het gaat NIET om de vaststelling van een nieuw recht op wezenbijslag of op basis van een overlevingspensioen

    Wat dient men onder een nieuw recht te verstaan ?

    2.8.1.1. De situatie waarin een werknemer voor de eerste maal de voorwaarden vervult om aanspraak te maken op de hoedanigheid van daadwerkelijke rechthebbende en hij die hoedanigheid voor de datum waarop het feit plaatsvindt die het nieuw recht doet aanstaan niet had voor geen enkel kind.

    Voorbeelden :

    • In een gezin waar de vader loontrekkend is wordt een eerste kind geboren. De vader opent een "nieuw recht". Referentiemaand: geboortemaand. Feit : geboorte.
       
    • Een gezin bestaat uit een vader die zelfstandig is, een moeder zonder beroepsactiviteiten, en de rechtgevende kinderen.
      De vader geeft zijn zelfstandige activiteit op en begint voltijds te werken als werknemer in de eerste helft van een maand.
      Hij vestigt een "nieuw recht". Referentiemaand : maand waarin de tewerkstelling aanvangt. Feit : begin loontrekkende activiteit.
       
    • Een concubant, zonder kinderen, komt in een gezin wonen samengesteld uit een moeder zonder beroepsactiviteit en haar kind.
      Deze concubant opent een nieuw recht. Referentiemaand : maand waarin hij in het gezin van de moeder komt wonen. Feit : begin deel uitmaken van het gezin van de moeder.
       
    • De vader voorrangsgerechtigde verlaat het gezin. Het kind wordt verder bij en door de loontrekkende moeder opgevoed en staat op haar adres ingeschreven. Uitsluitend de moeder oefent het ouderlijk gezag uit. De moeder wordt voorrangsgerechtigde rechthebbende en opent een "nieuw recht". Referentiemaand : maand waarin zij de uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag verkrijgt. Feit : verkrijgen van de uitsluitende uit-oefening van het ouderlijk gezag.
       
    • Een gezin bestaat uit een vader en een moder, allebei loontrekkende, en hun kinderen. Het kind verlaat het gezin van zijn ouders en gaat bij de gepensioneerde grootouders wonen. De grootvader, die ouder is dan de grootmoeder opent een nieuw recht. Referentiemaand : maand waarin het kind aankomt in het gezin van de grootouders. Feit : opname kleinkind in het gezin.
    2.8.1.2. De situatie waarin een werknemer in de loop van een kwartaal opnieuw een recht op kinderbijslag vestigt nadat er tijdelijk een onderbreking was in zijn situatie van rechthebbende gedurende de vorige referentiemaand.

    Voorbeeld :

    Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een moeder zonder activiteit, en hun kinderen.
    De vader is zonder activiteit van 1 augustus tot 31 augustus en vervult tijdens deze periode de voorwaarden niet meer van artikel 51 kinderbijslagwet.
    Vanaf 1 september werkt hij opnieuw als loontrekkende.
    Voor het vierde kwartaal zal de vader een "nieuw recht" op kinderbijslag vestigen op basis van zijn situatie in de referentiemaand september. Feit : hernemen loontrekkende activiteit (zie ook punt 5).

    2.8.2. Het gaat WEL om de vaststelling van een nieuw recht op wezenbijslag of op basis van een overlevingspensioen.

    Wat dient men onder een nieuw recht te verstaan ?

    2.8.2.1. De situatie waarbij het recht op wezenbijslag of het recht op grond van een overlevingspenisoen moet worden vastgesteld ingevolge het overlijden van een persoon die op het tijdstip van het overlijden geen voorrangsgerechtigde rechthebbende is.

    Voorbeelden :

    • Een gezin bestaat uit een vader en een moeder, allebei loontrekkende, en hun kinderen. De vader is voorrangsgerechtigde rechthebbende. De moeder overlijdt. Ingevolge het overlijden van de moeder wordt een "nieuw recht" gevestigd. Referentiemaand : overlijdensmaand van de moeder. Feit : overlijden moeder.
       
    • Een gezin bestaat uit een vader en een moder, allebei loontrekkende, en hun kinderen. Het kind verlaat het gezin van zijn ouders en gaat bij de grootmoeder wonen. De grootmoeder ontvangt een overlevingspensioen ingevolge het overlijden van haar echtgenoot. De grootmoeder opent een "nieuw recht". Referentiemaand : maand waarin het kind aankomt in haar gezin. Feit : opname kleinkind in het gezin.

    2.9. Voortgezet recht

    Wat dient men onder een voortgezet recht te verstaan ?

    2.9.1. Elke situatie op basis waarvan een recht op gezinsbijslag kan worden gevestigd en die niet als een nieuw recht dient beschouwd te worden.

    Er is bijgevolg niet langer sprake van een "behoud van nieuw recht", noch van een "behoud van de voortzetting" van het recht.

    Dient eveneens als een voortgezet recht beschouwd te worden :

    de situatie waarbij het recht op wezenbijslag of het recht op grond van een overlevingspensioen wordt ontleend aan de beroepstoestand van een persoon die op het tijdstip van het overlijden de hoedanigheid voorrangsgerechtigde rechthebbende bezit.

    Voorbeelden :

    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een moeder zonder beroepsactiviteiten, en hun kind.
      De arbeidsovereenkomst van de vader heeft een onbepaalde duur. Bij de vaststelling van het recht ingevolge de geboorte van het kind gaat het om "een nieuw recht". Referentiemaand : de geboortemaand (geldig voor het geboortekwartaal en het daaropvolgende kalendertrimester).
      Vanaf de volgende referentiemaand gaat het om een voortzetting van het recht.
      Referentiemaand : de tweede maand van elk kalenderkwartaal.
       
    • Een concubant, zonder kinderen, komt in een gezin wonen dat bestaat uit een moeder zonder beroepsactiviteit en haar kind.
      Drie maanden later wordt een tweede kind geboren.
      De concubant vestigt "een nieuw recht" voor het eerste kind van de moeder. Bij de geboorte van het tweede kind gaat om een "voortgezet recht". De rechthebbende was op dat ogenblik immers al voor het eerste kind voorrangsgerechtigde rechthebbende.
       
    • Een gezin bestaat uit een vader en een moeder, allebei loontrekkende, en hun kinderen. De vader is voorrangsgerechtigde rechthebbende. Op een bepaald ogenblik overlijdt de vader. Het recht op wezenbijslag wordt ontleend aan de situatie van de vader vóór het overlijden. Aangezien de vader tot op de datum van het overlijden voorrangsgerechtigde rechthebbende is, betreft het hier "een voortgezet recht".
       
    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende grootvader, een grootmoeder, zonder beroepsactiviteiten en de rechtgevende kleinkinderen. De grootvader is voorrangsgerechtigde rechthebbende. Op een bepaald ogenblik overlijdt de grootvader. Het recht op grond van het overlevings-pensioen van de grootmoeder wordt ontleend aan de situatie van de grootvader vóór het overlijden. Aangezien de grootvader tot op de datum van het overlijden de voorrangsgerechtigde rechthebbende is gaat het om "een voortgezet recht".

    3. Vaststelling van een nieuw recht (artikelen 2 en 6)

    principe : de socio-professionele toestand van de rechthebbende op de datum wooarp het feit zich voordoet dat een effectief recht doet ontstaan is bepalend.

    Bij de vestiging van een nieuw recht is het vertrekpunt voor de bepaling van de bevoegde instelling de datum waarop het feit zich voordoet dat het recht doet ontstaan.

    In welke situatie kan de rechthebbende zich op de datum van dit feit bevinden ?

    3.1. De rechthebbende bevindt zich NIET in een situatie beoogd bij artikel 101, lid 3, 4 en 5 kinderbijslagwet

    3.1.1. De rechthebbende oefent één "activiteit" uit bij één enkele werkgever.  In dat geval is de kinderbijslaginstelling van die werkgever bevoegd.

    Voorbeelden :

    • Een werknemer werkt sinds 1 januari 1997 ononderbroken voor een werkgever A, aangesloten bij kinderbijslag-instelling A. Op 4 oktober 1997 wordt een eerste kind geboren.
      Kinderbijslaginstelling A is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
      Referentiemaand : oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997.
       
    • Een werknemer werkt sinds 1 januari 1997 in deeltijd voor een werkgever A, aangesloten bij kinderbijslaginstelling A. Daarnaast ontvangt hij als werkloze een inkomensgarantie-uitkering.
      Op 4 oktober 1997 wordt een eerste kind geboren.
      Kinderbijslaginstelling A is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
      Referentiemaand : oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997.

    3.1.2. De rechthebbende oefent meer dan één "activiteit" uit en de verschillende activiteiten werden op een verschillende datum aangevat.  In dat geval is de kinderbijslaginstelling van de werkgever waarbij hij het laatst in dienst trad bevoegd.

    Voorbeeld :

    De werknemer oefent vanaf 1 januari 1996 een deeltijdse activiteit uit voor werkgever A., aangesloten bij kinderbijslaginstelling A. Vanaf 15 oktober 1996 oefent hij daarnaast een deeltijdse activiteit uit voor werkgever B, aangesloten bij kinderbijslaginstelling B. Op 4 oktober 1997 wordt een eerste kind geboren.
    Kinderbijslaginstelling B is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
    Referentiemaand : oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997.

    3.1.3. De rechthebbende oefent meer dan één "activiteit" uit en de activiteiten werden op DEZELFDE datum aangevat.  In dat geval is de kinderbijslaginstelling van de werkgevers bevoegd, als de verschillende werkgevers bij dezelfde kinderbijslaginstelling zijn aangesloten.  Zijn de werkgevers bij een verschillende kinderbijslaginstelling aangesloten, dan is R.K.W. bevoegd.

    Om te bepalen of de activiteiten op dezelfde datum zijn begonnen mag in de praktijk de datum van indiensttreding vermeld op de werkgeversverklaring (het model AB) worden in aanmerking genomen.

    Voorbeelden :

    • De werknemer oefent vanaf 1 januari 1996 een deeltijdse activiteit uit voor werkgever A en voor werkgever B. Beide werkgevers zijn aangesloten bij kinderbijslaginstelling C. Op 4 oktober 1997 wordt een eerste kind geboren.
      Kinderbijslaginstelling C is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
      Referentiemaand oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997.
       
    • Hetzelfde voorbeeld maar werkgever A is aangesloten bij kinderbijslaginstelling A en werkgever B bij kinderbijslaginstelling B. In die omstandigheden is R.K.W. bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998. Referentiemaand oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997.

    3.1.4. De rechthebbende oefent geen enkele actviteit uit.  In dat geval wordt vertrekkend vanaf de dag van het feit de recenste activiteit in het verleden opgespoord.  Zodra er een activiteit, een geneutraliseerde of een andere, in of buiten België wordt gevonden kan de betaalbevoegdheid worden vastgesteld.

    Wat zijn de mogelijkheden ?

    3.1.4.1. De rechthebbende oefende het laatst één verzekeringsplichtige activiteit uit in België voor één enkele werkgever en de activiteit werd stopgezet, op, of na 1 april 1990.  In dit geval is de kinderbijslaginstelling waarbij die werkgever is aangesloten bevoegd.
    3.1.4.2. De rechthebbende oefende het laatst meer dan één verzekeringsplichtige activiteit in België uit voor verschillende werkgevers en de activiteiten werden stopgezet, op, of na 1 april 1990.  In dit geval geldt de regel beschreven onder punt 3.1.2. indien de activiteiten op een verschillende dag werden aangevat of die beschreven onder punt 3.1.3. indien de verschillende activiteiten op dezelfde dag werden aangevat.

    Om te bepalen of de verschillende activiteiten op dezelfde dag werden stopgezet mag op praktisch vlak de datum van uitdiensttreding worden in aanmerking genomen.

    3.1.4.3. De rechthebbende oefende het laatst een activiteit uit op grond waarvan de betaalbevoegdheid niet kan worden bepaald omdat (a) hij onder de toepassing van een buitenlandse sociale zekerheidsregeling viel of (b) omdat de tewerkstelling niet verzekeringsplichtig was t.a.v. de kinderbijslagsector.  In dit geval is de R.K.W. bevoegd.
    3.1.4.4. De rechthebbende zette de laatste activiteit stop voor 1 april 1990. In dit geval is de R.K.W. bevoegd.

    Voorbeelden :

    • Op 4 oktober 1997 wordt een eerste kind geboren. De beroepsloopbaan van de rechthebbende is als volgt samengesteld :
      - op 14 januari 1997 : 1 dag gewerkt als uitzendkracht voor werkgever A, aangesloten bij kinderbijslaginstelling A ;
      - van 15 januari 1997 tot 14 mei 1997 : vergoede volledig werkloze ;
      - vanaf 15 mei 1997 : ziek.
      Kinderbijslaginstelling A is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
      Referentiemaand : oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997.
       
    • Op 4 oktober 1997 wordt een eerste kind geboren. De beroepsloopbaan van de rechthebbende is als volgt samengesteld :
      - tot 15 januari 1994 : deeltijdse activiteit voor werkgever A, aangesloten kinderbijslaginstelling A ;
      - eveneens tot 15 januari 1994 : deeltijdse activiteit voor werkgever B, aangesloten kinderbijslaginstelling A ;
      - van 16 januari 1994 tot 14 mei 1997 : vergoede volledig werkloze ;
      - vanaf 15 mei 1997 : ziek
      Kinderbijslaginstelling A is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
      Referentiemaand : oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997. Is echter werkgever B bij een andere kinderbijslaginstelling dan kinderbijslaginstelling A aangesloten, dan moeten de begindata van de activiteiten worden opgezocht. Blijkt dat de activiteiten op een verschillende dag werden aangevat, dan is de kinderbijslaginstelling bevoegd van de werkgever waarbij de rechthebbende het laatst was in dienst getreden. Werden de activiteiten echter op dezelfde dag aangevat, dan is R.K.W. bevoegd.
       
    • Op 4 oktober 1997 wordt een eerste kind geboren. De beroepsloopbaan van de rechthebbende is als volgt samengesteld :
      - van 14 juli 1995 tot 15 augustus 1995 : gewerkt buiten België voor werkgever A onder de toepassing van een buitenlandse sociale zekerheidsregeling (of in België met een arbeidsovereenkomst voor studenten of als zelfstandige) ;
      - van 16 augustus 1995 tot 27 april 1996 : zonder beroepsactiviteiten (wachttijd) ;
      - van 28 april 1996 tot 14 mei 1997 : vergoede volledige werkloze ;
      - vanaf 15 mei 1997 : ziek.
      R.K.W. is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
      Referentiemaand : oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997.
       
    • Op 4 oktober 1997 neemt een rechthebbende grootvader een kleinkind op in zijn gezin. De beroepsloopbaan van de rechthebbende is als volgt
      samengesteld :
      - tot 31 juli 1989 : gewerkt voor werkgever A. aangesloten bij kinderibjslaginstelling A ;
      - vanaf 1 augustus 1989 ontvangt hij een rustpensioen.
      R.K.W. is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
      Referentiemaand : oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat voor de vaststelling van het recht als gepensioneerde de loopbaangegevens over de 12 maanden die de pensionering onmiddellijk voorafgaan zullen moeten worden opgevraagd.

    3.2. De rechthebbende bevindt zich WEL in een situatie beoogd bij artikel 101, lid 3, 4 en 5 kinderbijslagwet (artikel 6)

    3.2.1. In dat geval geldt de regel van artikel 6 van het besluit; concreet: R.K.W. is bevoegd.

    Voor alle duidelijkheid herinneren wij eraan om welke categorieën van rechthebbenden het gaat :
    Het betreft de toekenning van gezinsbijslag uit hoofde van rechthebbenden :

    • op grond van de kinderbijslagregeling voor werknemers zonder dat hiervoor een kinderbijslaginstelling specifiek
    • op grond van artikel 56 of 57 kinderbijslagwet en die vroeger in dienst waren van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, belgacom, de Post, De Regie der Luchtwegen... ;
    • op grond van artikel 56bis en 56quater kinderbijslagwet en die vroeger in dienst waren van de staat, de gemeenschap, de gewesten, Belgacom, de Post, De Regie der Luchtwegen... ;
    • op grond van artikel 56quinquies, 56sexies en 56 septies kinderbijslagwet ;
    • bedoeld in titel III, hoofdstuk II van de programmawet van 30 december 1988 (gesubsidieerde contractuelen) ;
    • vastbenoemde of tijdelijke onderwijskrachten van de door de gemeenschappen ingerichte of gesubsidieerde onderwijsinstellingen.
    • ..., gelet op artikel 101, vierde lid kinderbijslagwet.

    Voorbeelden :

    • Op 4 oktober 1997 wordt een eerste kind geboren. De rechthebbende is op dat ogenblik volledig vergoede werkloze. Hij heeft nooit gewerkt.
      R.K.W. is bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998.
      Referentiemaand oktober 1997. Datum feit : 4 oktober 1997.
       
    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een moeder, rijksambtenaar, en hun kinderen.
      Het recht op kinderbijslag wordt vastgesteld door kinderbijslaginstelling A op basis van de activiteit van de rechthebbende vader bij werkgever A.
      Op 4 oktober 1997 overlijdt de moeder.
      Overeenkomstig artikel 64, §3 kinderbijslagwet is R.K.W. vanaf 1 januari 1998 bevoegd.
      Referentiemaand : oktober 1997. Feit : overlijden moeder.

    4. Voortzetting van het recht (artikelen 3 en 6)

    principe : stabiliteit

    4.1. De rechthebbende bevindt zich op de eerste dag van de referentiemaand NIET in een situatie beoogd bij artikel 101, lid 3, 4 en 5 kinderbijslagwet

    4.1.1. Bij voortzetting van het recht is de algemene regel dat de instelling die bevoegd is voor het kalenderkwartaal waarin de referentiemaand is gelegen bevoegd blijft voor het volgende kwartaal.

    Uitzondering

    4.1.2. De rechthebbende oefent op de eerste ddag van de referentiemaand een nieuwe niet-geneutraliseerde activiteit uit.  In dat geval is de kinderbijslaginstelling van de nieuwe werkgever bevoegd voor het volgend kalenderkwartaal.

    Deze uitzonderingsregel geldt bijgevolg ook, wanneer de rechthebbende een niet-geneutraliseerde activiteit start op de eerste dag van de referentiemaand.

    Uit een en ander volgt dat de algemene regel ook van kracht is indien :

    • de rechthebbende zich op de eerste dag van de referentiemaand in een geneutraliseerde situatie bevindt ;
    • een niet-geneutraliseerde activiteit, die werd aangevat na de eerste dag van een referentiemaand, reeds werd stopgezet vóór de eerste dag van de volgende referentiemaand.

    Bijzondere situatie

    4.1.3. De rechthebbende oefent op de eerste dag van de referentiemaand meer dan één nieuwe niet-geneutraliseerde activiteit uit; de nieuwe niet-geneutraliseerde activiteiten werden m.a.w. op dezelfde dag aangevat.  In dat geval geldt de regel beschreven onder 3.1.3. Anders gezegd als de wergevers waarbij de verschillende activiteiten worden uitgeoefend bij eenzelfde kinderbijslaginstelling zijn aangesloten, is de kinderbijslaginstelling van de werkgevers vanaf het volgend kwartaal bevoegd.  Zijn de werkgevers bij een verschillende kinderbijslaginstelling aangesloten dan is de R.K.W. vanaf het volgend kwartaal bevoegd.

    Voorbeelden :

    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een loontrekkende moeder, en hun kinderen.
      Het recht op kinderbijslag wordt vastgesteld door kinderbijslag-instelling A op basis van de activiteit van de rechthebbende vader bij werkgever A. De tewerkstelling bij die werkgever loopt tot 15 februari 1998.
      Van 16 februari 1998 tot 23 maart 1998 werkt de vader voltijds voor werkgever B., aangesloten bij kinderbijslaginstelling B. Vanaf 24 maart 1998 is hij vergoede volledig werkloze.
      Kinderbijslaginstelling A blijft bevoegd voor het derde kwartaal 1998 (nieuwe activiteit werd stopgezet vóór 1 mei 1998).
       
    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een loontrekkende moeder, en hun kinderen.
      Het recht op kinderbijslag wordt vastgesteld door kinderbijslaginstelling A op basis van de activiteit van de rechthebbende vader bij werkgever A. De tewerkstelling bij die werkgever loopt tot 15 februari 1998.
      Van 16 februari 1998 tot 23 februari 1998 is de vader vergoede volledig werkloze. Vanaf 24 februari 1998 werkt hij als uitzendkracht voor werkgever B, aangesloten bij kinderbijslaginstelling B.
      Kinderbijslaginstelling A blijft bevoegd voor het derde kwartaal 1998 (uitzendwerk is een geneutraliseerde situatie).
       
    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een loontrekkende moeder, en hun kinderen.
      Het recht op kinderbijslag wordt vastgesteld door kinderbijslaginstelling A op basis van de activiteit van de rechthebbende vader bij werkgever A. De tewerkstelling bij die werkgever loopt tot 15 februari 1998.
      Op 16 februari 1998 treedt de vader in dienst bij werkgever B, aangesloten bij kinderbijslaginstelling B.
      Kinderbijslaginstelling B wordt bevoegd vanaf 1 juli 1998. Referentiemaand : mei 1998.
       
    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een loontrekkende moeder, en hun kinderen.
      Het recht op kinderbijslag wordt vastgesteld door kinderbijslaginstelling A op basis van de activiteit van de rechthebbende vader bij werkgever A. De tewerkstelling bij die werkgever loopt tot 15 februari 1998.
      Op 16 februari 1998 treedt de vader in dienst bij werkgever B, aangesloten bij kinderbijslaginstelling B. Vanaf 16 maart 1998 is hij in volledige beroepsloopbaanonderbreking (of ziek).
      Kinderbijslaginstelling B wordt bevoegd vanaf 1 juli 1998. Referentiemaand : mei 1998. De rechthebbende is op 1 mei 1998 immers nog steeds gebonden door een arbeidsovereenkomst met werkgever B.
      Mocht de vader in het geschetste geval overleden zijn op 29 april 1998, dan zou kinderbijslaginstelling A op 1 juli 1998 verder bevoegd gebleven zijn.

    4.1.4. Bevoegdheid in geval van uittreding

    Wanneer een werkgever op grond van artikel 38, lid 5 kinderbijslagwet bij een kinderbijslagfonds ontslag neemt en zich bij een ander aansluit, komt de bevoegdheid aan het nieuwe fonds toe vanaf de eerste dag van het kwartaal waarop deze nieuwe aansluiting uitwerking heeft.
    Deze regel geldt enkel t.a.v. de rechthebbenden voor wie de arbeidsovereenkomst met de uittredende werkgever nog altijd lopende is op het ogenblik dat de nieuwe aansluiting ingaat en op voorwaarde dat het een niet-geneutraliseerde activiteit betreft.
    Daarentegen zal het oorspronkelijk fonds bevoegd blijven voor alle rechthebbenden van wie het arbeidscontract verbroken is voordat de nieuwe aansluiting ingaat en voor de rechthebbenden die op het ogenblik waarop de nieuwe aansluiting ingaat zich in een geneutraliseerde situatie bevinden.

    4.2. De rechthebbende bevindt zich op de eerste dag van de referentiemaand WEL in een situatie beoogd bij artikel 101,lid 3, 4 en 5 kinderbijslagwet (artikel 6)

    4.2.1. In dat geval geldt de regel van artikel 6 van het besluit. Concreet: R.K.W. is bevoegd.

    Voorbeeld :

    Een gezin bestaat uit een vader, rijksambtenaar, een loontrekkende moeder en hun kinderen.
    Het recht op kinderbijslag wordt vastgesteld door het ministerie op basis van de activiteit van de rechthebbende vader.
    Op 4 oktober 1997 overlijdt de vader.
    Vanaf 1 januari 1998 is R.K.W. bevoegd, referentiemaand : november 1997.

    5. Aandachtspunten

    5.1. Tweevoudige bevoegdheid voor een bepaalde periode (artikel 4)

    Deze bepaling regelt het probleem wanneer er twee referentiemaanden en dus eventueel twee bevoegdheden zijn voor een bepaalde periode.

    Voorbeeld :

    Een rechthebbende werkt tot 31 januari 1998 zonder onderbreking voor werkgever A, aangesloten bij kinderbijslaginstelling A.
    Van 1 februari 1998 tot 3 maart 1998 oefent hij geen activiteit uit en bevindt zich bijgevolg over die periode niet langer in een situatie die een recht doet ontstaan.
    Vanaf 4 maart 1998 is hij tewerkgesteld voor werkgever B, aangesloten bij kinderbijslaginstelling B.

    De kinderbijslg voor de maand maart 1998 is dus verschuldigd :

    • door kinderbijslaginstelling A, als voortzetting van het recht, op basis van de referentiemaand november 1997 ;
    • door kinderbijslaginstelling B, als nieuw recht, op basis van de referentiemaand maand maart 1998.

    Op grond van artikel 4 van het besluit dienen de bevoegdheden als volgt te worden vastgesteld :

    • voor het eerste kwartaal 1998 : kinderbijslaginstelling A op grond van de situatie in de referentiemaand november 1997 ;
    • voor het tweede kwartaal 1998 : kinderbijslaginstelling B op grond van de situatie in de referentiemaand maart 1998 (nieuw recht omdat hij in de loop van de referentiemaand februari 1998 niet de hoedanigheid van rechthebbende bezit).

    5.2. Verandering van rechthebbende ten gunste van een wees (artikel 5)

    Artikel 5 voorziet in een voorrangsregel wanneer er in de werknemersregeling een recht op wezenbijslag kan worden vastgesteld, zowel ingevolge de loopbaan van de overleden ouder als ingevolge de beroepstoestand van de overlevende ouder.
    Het recht op wezenbijslag wordt in de eerste plaats ontleend aan de situatie van de overleden ouder. Enkel indien er in hoofde van de overleden ouder geen recht op wezenbijslag kan worden gevestigd dient dit recht vastgesteld te worden op basis van de beroepssituatie van de overlevende ouder.

    Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat indien de persoon aan wiens beroepstoestand het recht op wezenbijslag wordt ontleend op het ogenblik van het overlijden voorrangsgerechtigde rechthebbende is, de betaalbevoegdheid wordt vastgesteld volgens de regels voor "de voortzetting van het recht". Bezit deze persoon de hoedanigheid van voorrangsgerechtigde rechthebbende niet op tijdstip van het overlijden, dan gelden de regels voor de "vestiging van een nieuw recht".

    Voorbeelden :

    • Een gezin bestaat uit een vader, rijksambtenaar, een loontrekkende moeder en hun kinderen.
      Op 4 oktober 1997 overlijdt de moeder.
      Tot 31 december 1997 is het ministerie bevoegd, voor de maanden november en december 1997 tegen de bedragen bedoeld in artikel 50bis kinderbijslagwet.
      Vanaf 1 januari 1998 is de kinderbijslaginstelling van de werkgever van de moeder bevoegd.
      Nieuw recht : referentiemaand oktober 1997. Feit : overlijden van de moeder op 4 oktober 1997.
       
    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een moeder, zonder beroepsactiviteiten, en hun kinderen.
      Op 4 oktober 1997 overlijdt de vader. De vader werkte tot 30 september 1997 voor werkgever A., aangesloten bij kinderbijslaginstelling A. Van 1 oktober 1997 tot 3 oktober 1997 werkte hij voor werkgever B, aangesloten bij kinderbijslaginstelling B.
      Tot 31 december 1997 is de kinderbijslaginstelling A bevoegd, voor de maanden november en december 1997 tegen de bedragen bedoeld in artikel 50bis kinderbijslagwet.
      Kinderbijslaginstelling A blijft vanaf 1 januari 1998 verder bevoegd omdat de wees het recht op wezenbijslag ontleent aan de situatie van de vader, die tot de overlijdensdatum de hoedanigheid van voorrangsgerechtigde bezit. Bijgevolg wordt de betaalbevoegdheid vastgesteld volgens de regels voor de "voortzetting van het recht".

    5.3. Restbevoegdheid (artikel 8)

    Wanneer de bevoegdheid niet kan worden bepaald op grond van de voorschriften van dit besluit, is R.K.W. bevoegd.

    6. Overgangsmaatregelen (artikel 7)

    In de bestaande dossiers wordt de bevoegdheid voor het vierde kwartaal 1997 gevestigd volgens de bepalingen van het bevoegdheidsbesluit van 12 maart 1990 op basis van de situatie van de rechthebbende in de referentiemaand gegeven in het derde kwartaal 1997.

    Tot wanneer blijft deze bevoegdheid behouden ?

    Deze bevoegdheid blijft behouden :

    • vanaf 1 oktober 1997 totdat de rechthebbende op de eerste dag van een referentiemaand een nieuwe activiteit uitoefent die geen geneutraliseerde situatie vormt ;
    • en zolang de rechthebbende op basis van wiens situatie die betaalbevoegdheid voor het vierde kwartaal 1997 werd vastgesteld verder de hoedanigheid van voorrangs-gerechtigde rechthebbende bezit overeenkomstig artikel 64 kinderbijslagwet ;
    • en voor zover de situatie die het recht doet ontstaan niet overgaat naar een situatie bedoeld bij artikel 101, lid 3, 4 en 5 kinderbijslagwet.

    Zodra ingevolge een bepaald feit vanaf 1 oktober 1997 de voorrangsgerechtigde opnieuw moet worden vastgesteld (bv. het weeskind wordt voorrangsgerechtigde rechthebbende) zijn t.a.v. de nieuwe voorrangsgerechtigde de voorschriften van het besluit onverminderd van toepassing.

    Voorbeelden :

    • De loopbaan van de rechthebbende vader is als volgt samengesteld :
      - tot 31 juli 1997 : tewerkgesteld voor werkgever A, aangesloten bij kinderbijslaginstelling A ;
      - van 1 augustus 1997 tot 10 augustus 1997 : tewerkgesteld voor werkgever B, aangesloten bij kinderbijslaginstelling B ;
      - van 11 augustus 1997 tot 15 september 1997 : vergoede volledig werkloze ;
      - van 16 september 1997 tot 25 februari 1998 werkt hij als uitzendkracht voor werkgever C, aangesloten bij kinderbijslaginstelling C.
      - van 26 februari 1998 tot 1 april 1998 is hij vergoede volledig werkloze ;
      - vanaf 2 april 1998 werkt hij met een contract voor onbepaalde duur bij werkgever D, aangeloten bij kinderbijslaginstelling D.

    De bevoegdheden liggen als volgt :

    - voor het derde kwartaal 1997 : kinderbijslaginstelling A op basis van de situatie in mei 1997 (toepassing KB 12 maart 1990) ;
    - voor het vierde kwartaal 1997 : kinderbijslaginstelling B op basis van de situatie in de referentiemaand augustus 1997 (toepassing KB van 12 maart 1990) ;
    - voor het eerste en tweede kwartaal 1998 : kinderbijslaginstelling B. Deze instelling was immers bevoegd voor het vierde kwartaal 1997 en de rechthebbende bevindt zich op 1 november 1997 en op 1 februari 1998 in een geneutraliseerde situatie ;
    - voor het derde kwartaal 1998 : kinderbijslaginstelling D. De rechthebbende oefent op 1 mei 1998 namelijk een niet-geneutraliseerde activiteit uit.
     

    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader en een loontrekkende moeder. Op 4 september 1997 wordt een eerste kind geboren.
      De loopbaan van de vader is als volgt samengesteld :
      - tot 15 september 1997 : tewerkgesteld bij werkgever A. aangesloten bij kinderbijslaginstelling A ;
      - van 16 september 1997 tot 25 oktober 1997 : tewerkgesteld bij werkgever B, aangesloten bij kinderbijslaginstelling B ;
      - van 26 oktober 1997 tot 5 november 1997 : tewerkgesteld bij werkgever C, aangesloten bij kinderbijslaginstelling C ;
      - vanaf 6 november 1997 : tewerkgesteld bij werkgever D met een contract voor onbepaalde duur, aangesloten bij kinderbijslaginstelling D.

    De bevoegdheden liggen als volgt :

    - voor het vierde kwartaal 1997: kinderbijslaginstelling A op basis van de situatie in de referentiemaand september 1997 (toepassing KB van 12 maart 1990);
    - voor het eerste kwartaal 1998 : kinderbijslaginstelling A. Deze instelling was immers bevoegd voor het vierde kwartaal en de rechthebbende bevindt zich op 1 november in een geneutraliseerde situatie ;
    - vanaf het tweede kwartaal 1998 : kinderbijslag-instelling D. De rechthebbende oefent op 1 februari 1998 namelijk een niet-geneutraliseerde activiteit uit.

    • Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader en een loontrekkende moeder en hun kind. Op 1 oktober 1997 verlaat het kind het gezin om bij zijn grootmoeder te gaan wonen. De grootmoeder ontvangt een overlevings-pensioen. Haar overleden echtgenoot was rijksambtenaar.

    De bevoegdheden liggen als volgt :

    - tot en met het derde kwartaal 1997 : kinderbijslag-instelling van de vader (toepassing KB van 12 maart 1990) ;
    - vanaf het vierde kwartaal 1997 : R.K.W. op grond van artikel 6 van het besluit. Op 1 oktober 1997 verkrijgt de grootmoeder immers de hoedanigheid van voorrangsgerechtigde rechthebbende. Overeenkomstig artikel 64, § 3 heeft deze verandering van rechthebbende in dit geval onmiddellijk uitwerking.
    Mocht in hetzelfde geval het kind maar op 4 oktober 1997 bij zijn grootmoeder gaan wonen zijn, dan zou de kinderbijslaginstelling van de vader overeenkomstig artikel 64, §3 kinderbijslagwet bevoegd zijn tot 31 december 1997 en R.K.W. slechts vanaf 1 januari 1998.

    7. Toepassingsmaatregelen

    Behalve ten aanzien van de werkgevers die uitzendkrachten tewerkstellen blijven de administratieve onderrichtingen i.v.m. het gebruik van het model AB en het model G onverminderd van kracht.

    Ingevolge het feit dat uitzendbaarheid thans voor de bevoegdheidsbepaling als een geneutraliseerde situatie wordt beschouwd zal een bijzondere procedure worden uitgewerkt voor het inzamelen van de prestatiegegevens van uitzendkrachten. De praktische richtlijnen hierover zullen u met een afzonderlijke dienstbrief worden medegedeeld.

    Top