CO 1323 van 18 mei 2000 - KB van 1 maart 2000 tot uitvoering van Art. 42bis SWKL en tot wijziging van KB van 25 april 1997 tot uitvoering van Art. 71, §1bis SWKL (uittreksels)

    Het koninklijk besluit van 1 maart 2000 (zie bijlage 1), waarvan de bepalingen hierna toegelicht worden, verscheen in het Belgisch Staatsblad op 6 april 2000 (2de editie).

    Dit koninklijk besluit heeft een drievoudig onderwerp :

    - het instellen van de uitvoeringsmaatregelen nodig voor de toepassing van het nieuwe 5de lid van artikel 42bis GW. De nieuwe bepalingen voorzien het algemene principe dat de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die gerechtigd is op de toeslag 42bis en die een activiteit aanvat en vervolgens binnen de zes maanden opnieuw uitkeringsgerechtigde werkloze wordt, onmiddellijk opnieuw de toeslag op de kinderbijslag geniet zonder een nieuwe wachttijd van zes maanden te moeten vervullen.

    Het betreft de uitvoering van de zgn. "wet D'Hondt" van vorig jaar die toelaat de "werkloosheidsval" te bestrijden, door het herwinnen van het genot van de sociale supplementen na een niet te lange tewerkstelling te versnellen ;

    - het aanpassen van onze onderrichtingen aan de gewijzigde werkloosheidsreglementering.
    De gegevens van de KSZ-flux betreffende het indienen van nieuwe aanvragen om werkloosheidsuitkeringen na een periode van niet-vergoede werkloosheid, hebben hun relevantie verloren voor het bepalen van het recht op de toeslag 42bis GW. Een nieuwe aanvraag om werkloosheidsuitkeringen moet nl. slechts worden ingediend na een onderbreking van de vergoeding van 28 dagen in plaats van 14 dagen.

    Het betreft een technische aanpassing die het de werklozen mogelijk maakt het statuut van langdurig werkloze gemakkelijker te bereiken en te behouden.

    - het vereenvoudigen van bepaalde principes van het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot regeling van de bevoegdheid van de kinderbijslagfondsen. De gevolgen van een werkhervatting door een werkloze op het vlak van de toekenning van de toeslag 42bis worden losgekoppeld van die gevolgen op het vlak van het bepalen van de bevoegdheid.

    Het betreft hier enerzijds een technische aanpassing die toelaat de bevoegdheid iets langer te stabiliseren in geval van een korte tewerkstelling, en anderzijds de schrapping van een bepaling die nog slechts zeer uitzonderlijk toepassing vond maar niettemin een zwaar technisch onderzoek vereiste, zodat de theoretische "voordelen" ervan niet opgewogen tegen de praktische " nadelen ". Deze schrapping heeft geen enkel gevolg op het vlak van de toekenning van de sociale supplementen.

    De rode draad van de hierna gegeven toelichtingen bestaat in het maken van een onderscheid in de uitwerking van het koninklijk besluit van 1 maart 2000 volgens de datum van inwerkingtreding van de verschillende bepalingen. Dit maakt het u gemakkelijker om op elk moment precies te weten welke bepalingen moeten worden toegepast.

    Sommige bepalingen van het besproken koninklijk besluit hebben namelijk terugwerkende kracht tot op 1 mei 1999 (datum van de wijziging van de werkloosheidsreglementering die veranderingen invoerde in de gegevens van de KSZ-flux betreffende werklozen), andere tot op 14 juni 1999 (datum van inwerkingtreding van het nieuwe 5de lid van artikel 42bis, GW), en nog andere treden in werking op 1 mei 2000 (datum van wijziging van bepaalde regels die de bevoegdheid van de fondsen bepalen).

    1. Periode van 1 mei 1999 tot 13 juni 1999: regels van toepassing voor de opbouw en het behoud van het statuut van vergoede langdurig werkloze (wachttijd van zes maanden) waarvan de toekkening van de toeslag 42Bis afhangt

    1.1. Context

    De bijzondere regeling voor een dergelijke korte periode is noodzakelijk wegens het bestaan van de twee volgende nieuwigheden.

    - Enerzijds werd de werkloosheidsreglementering gewijzigd op 1 mei 1999, waarbij de termijn vanaf wanneer een nieuwe aanvraag om werkloosheidsuitkeringen moet worden ingediend door de werkloze na een periode van niet-vergoeding, vastgelegd werd op 28 dagen.

    Dit nieuwe gegeven dat betreffende de werklozen via de KSZ-flux wordt doorgestuurd, was op juridisch vlak onbruikbaar voor de kinderbijslagfondsen omdat het koninklijk besluit van 19 maart 1996 voor de vaststelling van het recht op de toeslag 42bis nog altijd een termijn van 14 opeenvolgende kalenderdagen bepaalde, de vroegere termijn voorzien door de werkloosheidsreglementering.

    Het koninklijk besluit van 19 maart 1996 moest dus worden aangepast vanaf 1 mei 1999 zodat de termijnen gebruikt door de twee sectoren zouden samenvallen.

    - Daarnaast treedt het nieuwe 5de lid van artikel 42bis GW, m.b.t. de bestrijding van de werkloosheidsval, pas in werking op een iets latere datum, nl. op 14 juni 1999.

    1.2. Regels van toepassing voor de periode van 1 mei 1999 tot 13 juni 1999

    Het geheel van de principes, bepaald door het koninklijk besluit van 19 maart 1996, toegelicht door de CO 1297 van 19 april 1996 waartoe men zich voor deze periode moet richten, blijft van toepassing, behalve dan dat de door deze teksten voorziene termijn van 14 opeenvolgende kalenderdagen op mechanische wijze moet omgezet worden in een termijn van 27 opeenvolgende kalenderdagen1 .

    Kortom, voor de periode van 1 mei 1999 tot 13 juni 1999 leidt een onderbreking van de vergoede volledige werkloosheid van meer dan 27 opeenvolgende kalenderdagen tegelijk tot een breuk in de opbouw van de wachttijd van zes maanden vergoede volledige werkloosheid en verplicht de werkloze die deze wachttijd reeds vervuld heeft tot het aanvatten van een nieuwe wachttijd.

    Zoals in het verleden gaat dit algemeen principe gepaard met de volgende nuances :

    - de dagen van arbeidsongeschiktheid (art. 56 GW) worden nog altijd beschouwd als dagen van vergoede volledige werkloosheid ;

    - om te bepalen of men al dan niet de nieuwe termijn van 27 opeenvolgende kalenderdagen niet-vergoede werkloosheid overschrijdt, moet men de dagen bedoeld in artikel 53, § 1, 2°, 3° en 9° GW, de zogenoemde " gelijkgestelde dagen " van het koninklijk besluit van 1 maart 2000, aftrekken, namelijk :

    • de jaarlijkse vakantiedagen ;
    • de feestdagen en compensatieverlofdagen ;
    • de dagen gewijd aan het uitoefenen van een functie van recht of sociaal adviseur

    Wanneer voor de opbouw van de wachttijd van zes maanden een periode van arbeidsongeschiktheid voorafging aan een periode van werkloosheid, dan wordt deze periode van arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen als werkloos-heid. Als er zich echter, voorafgaand aan de werkloosheid, een periode van arbeidsongeschiktheid bevindt, en de periode tussen die arbeidsongeschiktheid en die werkloosheid bedraagt minder dan 28 opeenvolgende kalenderdagen (na eventuele aftrekking van " gelijkgestelde dagen " - art. 53, §1, 2°, 3° en 9° GW), dan kunnen de twee periodes (van ziekte en werkloosheid) samengevoegd worden.

    OPGELET ! De enige aan te stippen nieuwigheid ten gronde is dat krachtens de algemene opzet van het nieuwe koninklijk besluit (nl. bestrijding van de werkloosheidsval én vereenvoudiging van de reglementering), de tussenperiode van minder dan 28 dagen die de arbeidsongeschiktheid scheidt van het begin van de vergoede volledige werkloosheid ook mag gelijkgesteld worden met een periode van werkloosheid voor de opbouw van de wachttijd, en dus niet alleen de voorafgaande periode van arbeidsongeschiktheid (zoals vroeger).

    2. Periode vanaf 14 juni 1999: regels van toepassing voor de opbouw en het behoud van het statuut van vergoede langdurig werkloze (wachttijd van zes maanden) waarvan de toekkening van de toeslag 42Bis afhangt

    Het nieuwe 5de lid van artikel 42bis GW, m.b.t. de bestrijding van de werkloosheidsval, treedt in werking op 14 juni 1999.

    Vanaf deze datum geldt dus het principe dat de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die gerechtigd is op de toeslag 42bis en die een activiteit aanvat en vervolgens binnen de zes maanden opnieuw uitkeringsgerechtigde werkloze wordt, onmiddellijk opnieuw de toeslag op de kinderbijslag geniet zonder een nieuwe wachttijd van zes maanden te moeten vervullen, zoals vroeger het geval was.

    Deze nieuwe regel verplicht vanaf 14 juni 1999 tot het maken van een onderscheid tussen de principes van toepassing voor deopbouw van de wachttijd van zes maanden vergoede volledige werkloosheid en die van toepassing voorhet behoud van het voordeel van de reeds vervulde wachttijd van zes maanden.

    2.1. Regels van toepassing voor de opbouw van de wachttijd van 6 maanden vergoede volledige werkloosheid op grond waarvan de toeslag 42bis G.W. kan toegekend worden.

    Het nieuwe 5de lid van artikel 42bis G.W. is zonder gevolgen op het stuk van de opbouw van de wachttijd van 6 maanden vergoede volledige werkloosheid.

    De principes aangegeven onder punt 1.2. hiervoor blijven enkel wat betreft de opbouw van de wachttijd dus van toepassing.

    Bijgevolg :

    - wordt een periode van arbeidsongeschiktheid (artikel 56 G.W.) die onmiddellijk voorafgaat aan een periode van vergoede volledige werkloosheid beschouwd als een werkloosheidsperiode voor de opbouw van de wachttijd ;

    - biedt een tussenperiode die geen 27 achtereenvolgende kalenderdagen te boven gaat (na eventuele aftrek van de dagen bedoeld in artikel 53, §1, 2°, 3° en 9° GW - de zogenaamde ermee " gelijkgestelde dagen " van het koninklijk besluit van 1 maart 2000) gelegen tussen de voorafgaande arbeidsongeschiktheid en het begin van de vergoede volledige werkloosheid, de mogelijkheid van samenvoeging van de twee betrokken periodes (van ziekte en werkloosheid), terwijl de duur van de tussentijd zelfóók mag worden gebruikt voor de opbouw van de wachttijd ;

    - wordt een onderbreking van de vergoede volledige werkloosheid die 27 opeenvolgende kalenderdagen niet te boven gaat, om een andere reden dan een arbeidsongeschiktheid, altijd beschouwd als een periode van vergoede volledige werkloosheid ;

    - verplicht een onderbreking van de vergoede volledige werkloosheid die 27 opeenvolgende kalenderdagen wél te boven gaat om een andere reden dan arbeidsongeschiktheid, tot onderzoek of er al dan niet dagen bedoeld in artikel 53, §1, 2°,3° en 9° GW (ermee " gelijkgestelde dagen ") volgens het koninklijk besluit van 1 maart 2000) begrepen zijn in de duur van de onderbreking :

    • wanneer na eventuele aftrek van de dagen bedoeld in artikel 53, §1, 2°, 3° en 9° G.W. men een onderbreking bereikt van hoogstens 27 opeenvolgende kalenderdagen, kan de totale duur van de onderbreking worden meegeteld voor de opbouw van de wachttijd ;
    • wanneer men na deze eventuele aftrek tot 28 of méér achtereenvolgende dagen komt, is de opbouw van de wachttijd onderbroken, wat de rechthebbende verplicht een nieuwe wachttijd van 6 maanden te beginnen.

    2.2. Behoud van het voordeel van de volbrachte wachttijd

    Het nieuwe 5de lid van artikel 42bis G.W.,m.b.t. de bestrijding van de werkloosheidsval, is hier van toepassing.

    Na de opbouw van de wachttijd van 6 maanden vergoede volledige werkloosheid kan de onderbreking van de vergoeding van de werkloze twee soorten van gevolgen hebben.

    2.2.1. Al dan niet behandeling van de onderbreking als een periode van vergoede volledige werkloosheid : behoud of verlies van de toeslag 42bis

    Op dit punt blijven de vroegere regels van toepassing, met uitzondering van het feit dat de vroegere termijn van 14 opeenvolgende kalenderdagen wordt vervangen door de nieuwe termijn van 27 opeenvolgende kalenderdagen.

    Bijgevolg :

    - wordt een periode van arbeidsongeschiktheid altijd beschouwd als een periode van vergoede volledige werkloosheid ;

    - wordt een onderbreking van de vergoeding van de werkloze van ten hoogste 27 opeenvolgende kalenderdagen na eventuele aftrek van de " ermede gelijkgestelde dagen " (art.53, §1, 2°, 3° en 9° G.W.) beschouwd als een periode van vergoede volledige werkloosheid.

    In deze twee situaties blijft de toekenning van de toeslag 42bis G.W. verworven, want men neemt aan dat de vergoeding door de werkloosheidssector niet is onderbroken.

    In de andere situaties (onderbreking van de werkloosheid met een periode die géén arbeidsongeschiktheid is én die - nà aftrek van de " gelijkgestelde dagen " - langer duurt dan 27 dagen) gaat het genot van de toeslag 42bis verloren.

    2.2.2. Bij de vaststelling van een échte onderbreking : al dan niet vrijstelling van de verplichting om een nieuwe wachttijd van 6 maanden te beginnen

    Men bevindt zich hier in de veronderstelling dat de toekenning van de toeslag 42bis gestaakt is wegens de onderbreking van de vergoeding van de werkloze.

    Er kunnen zich twee situaties voordoen.

    2.2.2.1. Vrijstelling van de verplichting om een nieuwe wachttijd te moeten vervullen

    Voor een dergelijke vrijstelling geldt een dubbele voorwaarde :

    - dat de onderbreking van de vergoeding een werkhervatting is in de zin van artikel 1, 5°, van het koninklijk besluit van 25 april 1997 : de werkloze is verbonden met een arbeidsovereenkomst of door eens statuut in het openbaar ambt (in België of in een Staat van de Europese Economische Ruimte krachtens het principe van de gelijke behandeling) ;

    - én dat deze werkhervatting gevolgd wordt door een nieuwe periode van werkloosheid binnen de 6 maanden.
    In dat geval verkrijgt de werkloze opnieuw het voordeel van de in het verleden volbrachte wachttijd. Anders gezegd : hij kan het voordeel van de toeslag 42bis G.W. opnieuw verkrijgen zonder een nieuwe wachttijd van 6 maanden vergoede volledige werkloosheid te moeten doormaken.

    2.2.2.2. Verplichting om een nieuwe wachttijd te moeten vervullen

    Wanneer de onderbreking van de vergoeding van meer dan 27 opeenvolgende kalenderdagen veroorzaakt wordt door een andere oorzaak dan een werkhervatting (werk als zelfstandige, in het geheel geen activiteit, opsluiting, enz.) en ingeval men later opnieuw uitkeringsgerechtigd werkloos wordt, moet steeds een nieuwe wachttijd van 6 maanden doorgemaakt worden om het voordeel van de toeslag 42bis G.W. opnieuw te verkrijgen.

    Dit geldt eveneens wanneer de werkhervatting langer dan 6 maanden duurt.

    Opmerkingen

    - Over de toestand van de werkloze voor de werkhervatting

    Van belang om het voordeel van het nieuwe 5de lid van artikel 42bis G.W. te kunnen inroepen, is dat alvorens er een werkhervatting is de werkloze de wachttijd van 6 maanden vergoede volledige werkloosheid geheel heeft volbracht.

    Anders gezegd : het feit dat de toeslag 42bis G.W. niet metterdaad uit zijnen hoofde is betaald voor de werkhervatting (o.a. wegens het feit dat hij niet de hoedanigheid bezat van rechthebbende met personen ten laste of omdat hij geen daadwerkelijke rechthebbende was) is van geen invloed.

    - Over het bijzondere geval van het bestaan van een tussenperiode tussen het einde van de vergoede volledige werkloosheid en de werkhervatting

    Het bestaan van een tussenperiode van méér dan 27 opeenvolgende kalenderdagen gelegen tussen de onderbreking van de vergoede volledige werkloosheid en de feitelijke herneming van een activiteit vormt een beletsel om het voordeel te verkrijgen van het systeem bepaald door het nieuwe 5de lid van artikel 42bis G.W. als men later opnieuw werkloos wordt.

    De gebruikelijke regels zijn van toepassing om na te gaan of er al dan niet een onderbreking is van meer dan 27 dagen :

    - een periode van arbeidsongeschiktheid wordt altijd beschouwd als een periode van vergoede volledige werkloosheid ;

    - de dagen aangemerkt als " gelijkgestelde dagen " door het koninklijk besluit van 1 maart 2000 (art. 53, §1, 2°, 2° en 9° G.W.) moeten van de duur van de onderbreking worden afgetrokken.

    Wanneer er een tussenperiode van hoogstens 27 opeenvolgende kalenderdagen bestaat tussen de staking van de vergoeding door de werkloosheidssector en de werkhervatting, moet het nieuwe 5de lid van artikel 42bis wél worden toegepast bij een nieuwe periode van werkloosheid. De bewuste tussentijd wordt bovendien beschouwd als een periode van werkhervatting voor de toetsing van de duur ervan.

    - Over de berekening van de duur van de werkhervatting

    De nieuwe periode van vergoede volledige werkloosheid op grond waarvan men het voordeel van het nieuwe 5de lid van artikel 42bis G.W. kan verkrijgen, moet gelegen zijn binnen de 6 maanden van de werkelijke of fictief beschouwde werkhervatting (cf. de vorige opmerking omtrent de behandeling van een tussenperiode van niet meer dan 27 dagen tussen de vergoede werkloosheid en de werkhervatting).

    Eens de activiteit is begonnen (of geacht wordt te zijn begonnen) wordt deze geacht door te gaan ondanks eventuele onderbrekingen, behoudens het optreden van een periode van arbeidsongeschiktheid die gelijkgesteld wordt met een periode van vergoede volledige werkloosheid of uiteraard van een periode van daadwerkelijke vergoede volledige werkloosheid.

    3. Periode vanaf 1 mei 2000: wijziging van bepaalde regels tot vaststelling van de bevoegdheid van de kinderbijslagfondsen

    Ingeval van een voortgezet recht bepaalt het koninklijk besluit van 25 april 1997 dat bepaalde situaties voor de vaststelling van de bevoegdheid van de kinderbijslagfondsen " geneutraliseerd " worden, d.w.z. dat zij de bevoegdheid niet wijzigen.

    Hierdoor worden o.a. bedoeld :

    a. elke activiteit van de rechthebbende van niet meer dan 14 kalenderdagen ;

    b. elke situatie die geen onderbreking meebrengt van de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigd volledig werkloze in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 maart 1996 of die wordt uitgeoefend in de periode tussen een periode van arbeidsongeschiktheid (artikel 56 G.W.) en een periode van vergoede volledige werkloosheid, op voorwaarde dat de periode van arbeidsongeschiktheid (artikel 56) in aanmerking kan worden genomen voor de bepaling van de 7de maand vergoede volledige werkloosheid ingevolge artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 maart 1996.

    De toepassing van de regel onder punt b, kwam slechts zeer uitzonderlijk voor (gezien de algemene draagwijdte van punt a.), maar vereiste niettemin een zwaar technisch onderzoek, zodat de theoretische " voordelen " ervan niet opwogen tegen de praktische " nadelen ".

    Vandaar dat het koninklijk besluit van 1 maart 2000 deze twee regels vanaf 1 mei 2000 heeft vervangen door één enkele algemene regel volgens welke op het gebied van de bevoegdheid een activiteit die zich niet uitstrekt over meer dan 27 opeenvolgende kalenderdagen wordt geneutraliseerd, zodat in al die gevallen de bevoegdheid stabiel blijft. Voor de bepaling van de bevoegdheid van de kinderbijslagfondsen is het dan niet meer nodig na te gaan of die arbeid wordt verricht door een voormalig werkloze dan wel door een andere rechthebbende.

    Voorbeeld.

    Wanneer een ziekteperiode snel volgt op een werkhervatting worden de ziektedagen niet meer in mindering gebracht om na te gaan of de norm van 27 dagen bereikt is. M.a.w. opdat er een bevoegdheidsverandering zou zijn volstaat het dat de arbeidsovereenkomst nog steeds bestaat op de eerste dag van de eerstvolgende referentiemaand en dat ze meer dan 27 dagen duurt.

    Er moet worden benadrukt dat de schrapping van regel b. door het koninklijk besluit van 1 maart 2000, geen enkel gevolg heeft op het vlak van de toekenning van de sociale supplementen (42bis).

    4. Toepassing van de wet in de tijd op het vlak van de toekenning van de toeslag 42Bis G.W.

    De hiervoor gestelde principes die de toekenning van de toeslag 42bis G.W. regelen treden, zoals eerder gezegd, op verschillende tijdstippen in werking.

    Er moet dus vastgelegd worden hoe de nieuwe bepalingen concreet moeten worden toegepast in situaties die periodes overschrijden waardoor verschillende teksten van toepassing zijn.

    Het grondprincipe dat hier moet toegepast worden is het volgende : voor elke situatie die niet integraal geregeld wordt door de oude wet op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet gelden de regels vastgelegd in de nieuwe wet vanaf de inwerkingtreding van deze laatste.

    De vraag die men zich moet stellen op het ogenblik van de inwerkingtreding van een tekst waarbij de vereisten voor de toekenning van de toeslag 42bis G.W. versoepeld worden, is dus : moest de werkloze op basis van de oude wet opnieuw een nieuwe wachttijd doormaken - en zou hij het voordeel van de toekenning van de toeslag 42bis G.W. kwijtspelen - vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe tekst ?

    Wanneer bijgevolg op 30 april 1999 het statuut van werkloze behouden bleef voor de sector kinderbijslag, ondanks het ontbreken van een vergoeding door de sector werkloosheid, op grond van het koninklijk besluit van 19 maart 1996 (norm van 14 dagen), geldt de nieuwe norm van 27 dagen vanaf 1 mei 1999.

    Wanneer in dezelfde logica de rechthebbende op 13 juni 1999 zijn hoedanigheid van langdurig werkloze heeft behouden (norm van 27 dagen) ondanks het ontbreken van vergoeding door de werkloosheidssector, profiteert hij vanaf 14 juni 1999 van de gevolgen van het nieuwe 5de lid van artikel 42bis G.W.

    5. Praktische maatregelen

    De fondsen zijn indertijd ingelicht over de noodzaak om de toekenning van de toeslag 42bis te onderzoeken in het licht van de nieuwe termijn van 28 opeenvolgende kalenderdagen die door de werkloosheidssector sedert 1 mei 1999 wordt gehanteerd. De dossiers zijn op dit gebied dus reeds behandeld aan de hand van de principes vastgelegd in het koninklijk besluit van 1 maart 2000 die tot 1 mei 1999 terugwerken.

    Betreffende meer in het bijzonder de toepassing van het nieuwe 5de lid van artikel 42bis is de fondsen gevraagd de betrokken dossiers te registreren in afwachting van het verschijnen van het toegelichte koninklijk besluit. De regularisering van deze dossiers moet dus thans gebeuren aan de hand van de hiervoren gegeven instructies.

    Als bijlage 22 vindt u voorbeelden ter illustratie van de uitgelegde regels.

    • 1Er dient te worden opgemerkt dat de vroegere termijn van 14 dagen in de kinderbijslagreglementering vanaf het begin een termijn van 13 dagen had moeten zijn vermits de 14e dag reeds een onderbreking in de werkloosheidsreglementering betekende. Vanaf nu is er sprake van 27 en niet van 28 dagen, waardoor de termijnen in de twee regelgevingen geharmoniseerd worden.
    • 2Niet opgenomen
    Top