CO 1322 van 29 november 1999 - Wijzigingen aangebracht door het Toezichtscomité bij de KSZ aan zijn beraadslaging nr. 96/65 van 10 september 1996 - Mededeling aan de kinderbijslagfondsen van een vademecum bestemd voor de beheerders van kinderbijslagdossiers die sociale gegevens van persoonlijke aard aan derden moeten meedelen

    Artikel 15 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntvank van de sociale zekerheid bepaalt dat een principiële machtiging van het Toezichtscomité vereist is door elke mededeling van sociale gegevens van persoonlijke aard (hierna s.g.p.a. genoemd) buiten het netwerk van de sociale zekerheid.

    De Rijksdienst en de kinderbijslaginstellingen worden dagelijks geconfronteerd met telefonische en schriftelijke aanvragen om inlichtingen uitgaande van personen, verenigingen, entiteiten die zich buiten het netwerk rond de Kruispuntbank van de sociale zekerheid bevinden.

    Het Toezichtscomité had tot dusverre in deze aange-legenheden een uitspraak gedaan tijdens drie beraadslagingen :

    1. de beraadslagingen nrs. 95/58 van 24 oktober 1995 en 96/65 van 10 september 1996 schrijven precieze regels voor die van toepassing zijn op alle sectoren van de sociale zekerheid.

    2. de beraadslaging nr. 95/48 van 12 september 1995 die in het bijzonder de sector van de kinderbijslag voor werknemers betreft en de overdracht van bepaalde gegevens behandelt, met name aan werkgevers en aan hun erkende sociale secretariaten.

    Enkel de mededelingen aan derden die beantwoorden aan de vereisten vastgelegd in de gemelde drie beraadslagingen mogen derhalve worden uitgevoerd. Deze toepassingsregels zijn toegelicht met de omzendbrieven van de Rijksdienst CO 1292 en 1293 van 16 januari 1996, 1302 van 24 december 1996 en 1316 van 10 juli 1998.

    1. Doel van de huidige omzendbrief

    1.1. Deze omzendbrief is opgesteld om aan de kinderbijslagfondsen de wijzigingen mee te delen die het Toezichtscomité op 10 augustus 1999 heeft aangebracht aan zijn beraadslaging nr. 96/65 van 10 september 1996 (bijlage 1).

    Deze wijzigingen betreffen dus enkel de materie van de mededeling van de s.g.p.a. aan personen of openbare overheden die daarover moeten beschikken om hun wettelijke opdrachten te vervullen.

    Anders gezegd: de regels omschreven door de CO 1292 en verder uitgewerkt door de CO 1316 die de overzending van informatie betreffen aan personen of verenigingen handelend als mandatarissen van sociaal verzekerden (o.a. vakbonden, ziekenfondsen, politieke mandatarissen), blijven ongewijzigd. De regels vastgelegd in de CO 1293 blijven eveneens van toepassing.

    1.2. Het is ook nodig gebleken aangaande de gehele problematiek van de overzending van s.g.p.a. buiten het netwerk van de sociale zekerheid om ten behoeve van de dossierbeheerders een praktisch vademecum samen te stellen (bijlage 2).

    Dit vademecum coördineert en actualiseert alle onderrichtingen die van toepassing zijn voor alle sectoren van de sociale zekerheid en geeft samenvattende tabellen voor een beter begrip van de algemene onderrichtingen op het stuk van het dagelijks beheer van dossiers.

    2. Mededeling van inlichtingen aan personen of overheden die niet tot het netwerk van de KSZ behoren en die daarover moeten beschikken om hun wettelijke opdrachten te vervullen.

    Hierna zal in het kort commentaar worden gegeven bij de nieuwe elementen van de beraadslaging nr. 96/65 van het Toezichtscomité naar aanleiding van de wijzigingen die door dit laatste op 10 augustus 1999 zijn ingevoerd.

    De gecoördineerde tekst van deze beraadslaging gaat hierbij als bijlage 1. De nieuwe bepalingen zijn in de rand aangestreept.

    Omtrent de bijzondere voorwaarden waaronder de machtiging is verleend, dient verwezen te worden naar de tekst van de beraadslaging zelf.

    2.1. Mededeling van inlichtingen aan de procureur des Konings (punt 3.1.2.4. van de gecoördineerde beraadslaging nr. 96/65).

    Krachtens artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering is " iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konins bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toe-komen ".

    Het Toezichtscomité heeft deze wettekst in aanmerking genomen om te machtigen tot een overdracht uit eigen beweging van de sociale gegevens van persoonlijke aard aan de procureur des Konings.

    De bedoeling is om de wijze van uitoefening van een aangifteplicht te organiseren van feiten die onder de werking van de strafwet vallen op het niveau van de socialezekerheidsinstellingen.

    - Volgens de interpretatie van het Toezichtscomité moeten de medewerkende instellingen van de sociale zekerheid, waarin begrepen de kinderbijslagfondsen, waarvan de hoedanigheid van administratieve overheid erkend is op administratief gebied, aan de procureur des Konings de misdagen en wanbedrijven aangeven waarvan zij in de uitoefening van hun ambt van openbaar belang kennis krijgen.

    - Buiten de toepassing van de artikelen 155 tot 159 GW, die bijzondere strafbare inbreuken betreffen, anders gezegd inbreuken die specifiek binnen het bestek van de toepassing van de gecoördineerde wetten vallen, is het geenszins nodig om de nadruk te leggen op het feit dat extreme en dus zeldzame gevallen bedoeld worden. De mededeling van gegevens aan de procureur des Konings veronderstelt dat uit de elementen in de kinderbijslagdossiers ernstige aanwijzingen blijken dat een strafbaar feit is gepleegd door een sociaal verzekerde of enige andere persoon die een rol speelt in de vaststelling van het recht op kinderbijslag.

    - De kinderbijslagfondsen worden verzocht de Rijksdienst te raadplegen wanneer blijkt dat een mededeling van inlichtingen van deze aard, gemachtigd door het Toezichtscomité, zou worden uitgevoerd.

    2.2. Nadere gegevens betreffende de inlichtingen die aan gerechtsdeurwaarders verstrekt mogen worden (punt 3.2.2. van de gecoördineerde beraadslaging 96/65)

    Het Toezichtscomité heeft zijn standpunt dienaangaande gerationaliseerd.

    Het onderscheidt thans twee gevallen waarin een gerechtsdeurwaarder optreedt belast met het betekenen en de tenuitvoerlegging van akten in uitvoerbare vorm (gerechtelijke beslissingen en notariële akten) waarbij de s.g.p.a. mogen worden medegedeeld.

    2.2.1. Enerzijds zijn de sociale zekerheidsinstellingen ertoe gemachtigd het gegeven van de identiteit van de werkgever van de sociaal verzekerde mee te delen aan de deurwaarders.

    Bedoeld worden in dit bestek de procedures inzake beslag op het loon van de sociaal verzekerde.

    Het betreft een beslissing van het Toezichtscomité getroffen in het belang van de sociaal verzekerde om onnodige beslagkosten te vermijden (die ten laste komen van de sociaal verzekerde/schuldenaar) bij een werkgever die de sociaal verzekerde niet meer in dienst heeft op het ogenblik dat de beslagname wordt uitgevoerd.

    2.2.2. Anderzijds worden de sociale zekerheidsinstellingen ertoe gemachtigd sociale gegevens van persoonlijke aard mee te delen die nodig zijn voor de opstelling van aangiften van beslag onder derden die de kennisgeving van een uitvoerbare titel vergezellen.

    Bedoeld worden hier de uitvoeringsprocedures op de sociale zekerheidsuitkeringen die door de instelling aan de sociaal verzekerde/schuldenaar zijn betaald.

    Aangezien de kinderbijslag niet vatbaar is voor beslag wordt met een dergelijke mededeling van s.g.p.a. geen rekening gehouden voor onze sector (artikel 1410 Gerechtelijk Wetboek).

    Bij wijze van uitzondering zou een beslag op de kinderbijslag echter uitgaande van een schuldeiser van alimentatiegeld kunnen worden gestart (artikel 1412 Gerechtelijk Wetboek). In dit geval, dat in de praktijk weinig voorkomt, zou een kinderbijslagfondse een verklaring van derdenbeslag moeten opmaken.

    3. Vademecum

    Het bijgevoegde vademecum bestaat uit twee delen:

    • in het eerste deel worden de toepasselijke regels herhaald (bijlage 2);
    • in het tweede worden een aantal verzameltabellen gegeven waarin de houding wordt aangegeven die moet worden aangenomen bij vragen om mededeling van sociale gegevens van persoonlijke aard uitgaande van "derden" (bijlage 3).
    Top