CO 1346 van 15 december 2003 - Wijzigingen aan het vademecum over de mogelijkheden om af te zien van terugvordering van ten onrechte betaalde gezinsuitkeringen, dat gevoegd was bij CO 1332 van 21 juni 2001.

     

    1. Voorgeschiedenis en onderwerp van deze omzendbrief

    Met CO 1332 van 21 juni 2001 is aan de kinderbijslagfondsen een vademecum bezorgd waarin een overzicht werd gegeven van de verschillende gevallen waarin zij mogelijk kunnen afzien van terugvordering van ten onrechte betaalde gezinsuitkeringen, met voor elke situatie de geldende regels.

    De toepassing van de algemene regels inzake afzien van terugvordering om sociale redenen, bleken in de praktijk moeilijkheden op te leveren.

    Daarom heeft de Rijksdienst nieuwe richtlijnen opgesteld. Die moeten vooral meer rechtszekerheid bieden en beter de gelijke behandeling garanderen van aanvragen van debiteuren die om kwijtschelding van hun schuld vragen wegens financiële problemen.

    De nieuwe regels hebben vooral betrekking op de volgende aspecten:

    • Wat te doen bij ontvangst van een aanvraag om van terugvordering af te zien?
    • Hoe de onzekere financiële situatie van de debiteur beoordelen?
    • Vorm en inhoud van de beslissing om van terugvordering af te zien.
    • Termijn waarbinnen de beslissing genomen moet worden.
    • Beperkingen op het stuk van een eventuele nieuwe aanvraag om af te zien van terugvordering.

    Dat het vademecum aangepast moest worden, bood bovendien de gelegenheid voor:

    - inhoudelijke aanvullingen inzake terugvorderingen die uit sociaal oogpunt niet raadzaam zijn, met name wat de beoordeling van de goede trouw van de debiteur betreft op het tijdstip van de betaling, en op het stuk van de conclusies die moeten getrokken worden uit de afwijzing van een vraag om een collectieve schuldenregeling bij gebrek aan voldoende activa;

    - en, louter formeel, voor de vervanging van de verwijzingen naar het bestaansminimum door het leefloon in andere hoofdstukken van het vademecum. Daarnaast zijn alle bedragen in Belgische franken geschrapt.
    Een nieuwe versie van het vademecum en zijn bijlagen is bij deze omzendbrief gevoegd.

    2. Toelichting bij de nieuwe richtlijnen

    2.1. Wat te doen met een aanvraag om af te zien van terugvordering (vademecum punt 3.4.1.)

    Als algemene regel blijft van toepassing dat de debiteur moet vragen dat van terugvordering wordt afgezien. Daarnaast zijn er nieuwigheden op twee vlakken.

    - Ten eerste wordt gesteld dat het fonds een ontvangstbewijs van een vraag om af zien van terugvordering moet sturen. Daarmee wordt de praktijk bij de kinderbijslagfondsen eenvormig gemaakt.

    - Belangrijker is dat de nieuwe richtlijnen de problematiek behandelen van de invorderingen die lopen op het ogenblik dat het schuldeisende fonds een aanvraag om af te zien van terugvordering ontvangt. Alles hangt af van de aard van de lopende invorderingen.

    Invorderingen die onomkeerbare gevolgen kunnen hebben voor de financiële situatie van de debiteur moeten opgeschort worden in afwachting van de beslissing of al dan niet van terugvordering wordt afgezien. Tussen de indiening van een aanvraag om af te zien van terugvordering en de datum van de beslissing over die aanvraag is dus geen roerend of onroerend beslag mogelijk.

    Wat betreft de inhoudingen op kinderbijslag of op andere sociale uitkeringen en ook derdenbeslag (1), worden de fondsen verzocht te handelen als volgt.
    Als het fonds de aanvraag om af te zien van de terugvordering ontvangt, stuurt het samen met het ontvangstbewijs een formulier (2) aan de aanvrager om diens bestaansmiddelen te kennen en eventueel die van de echtgenoot of partner waarmee hij samenleeft.

    Aan de hand van de verkregen informatie zal het fonds dan kunnen bepalen of de debiteur, onder voorbehoud van de solvabiliteitscontrole die nadien uitgevoerd wordt, al dan niet kan genieten van het volledig afzien van de terugvordering (zie verder punt 2.3.).

    De inhoudingen op kinderbijslag of andere sociale uitkeringen en ook het derdenbeslag zullen, in dit eerste stadium van de procedure, voortgezet of opgeheven worden naargelang de omvang van de aangegeven bestaansmiddelen.

    Bovendien moeten de inhoudingen geïnd tussen het indienen van de vraag om niet terug te vorderen en de beslissing volledig af te zien van terugvordering terugbetaald worden aan de aanvrager.

    2.2. Beoordeling van de onzekere financiële situatie van de debiteur (punt 3.3. van het vademecum)

    Dit is de belangrijkste wijziging aan het vademecum. De nieuwe bepalingen moeten de onzekere financiële situatie van de debiteur zo objectief mogelijk helpen beoordelen. Het gaat om volgende bepalingen.

    - De beoordeling van de financiële situatie moet uitgaan van de bestaansmiddelen van de debiteur en zijn eventuele partner.

    Bestaansmiddelen zijn alle gelden (beschikbare beroeps- en sociale (3) inkomsten, spaargelden die regelmatig worden opgenomen om van te leven, ontvangen huur, enz.) waarover de debiteur en zijn eventule partner (de samenwonende echtgenoot of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt zoals bedoeld in de Kinderbijslagwet) daadwerkelijk beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien. Alleen de aan het gezin betaalde kinderbijslag wordt niet meegeteld bij de bedragen waarvan de schuld mogelijk betaald kan worden.

    - De bestaansmiddelen moeten gecontroleerd worden bij de debiteur thuis.

    De financiële situatie moet in de realiteit nagegaan worden. Een onderzoek op basis van alleen maar de aangegeven bestaansmiddelen volstaat dus niet.

    - Het bedrag van de bestaansmiddelen moet vergeleken worden met bepaalde grensbedragen en daarvan hangt af of geheel of gedeeltelijk wordt afgezien van terugvordering van het debet dan wel of de aanvraag wordt afgewezen.

    De grensbedragen die in de nieuwe editie van het vademecum vermeld zijn en die bepalend zijn voor de beslissing, zijn gebaseerd op de door het Gerechtelijk Wetboek bepaalde minima die niet vatbaar zijn voor beslag.

    De grensbedragen evenals de verminderingen die in aanmerking moeten worden genomen in functie van de gezinssamenstelling, zullen jaarlijks aangepast worden in overeenstemming met het Gerechtelijk Wetboek, en aan de fondsen meegedeeld worden.

    De fondsen worden verzocht de moeilijkheden die ze ondervinden bij de toepassing van deze richtlijnen, aan de Rijksdienst voor te leggen.

    - In uitzonderlijke gevallen kan het fonds afzien van terugvordering of zelfs afzien van de terugvordering van een grotere som dan bepaald in de bovenstaande regels, onafhankelijk van het bedrag van de bestaansmiddelen van het gezin.

    2.3. Vorm en inhoud van de beslissing om van terugvordering af te zien (punt 3.4.4. van het vademecum)

    Het volgende is toegevoegd:

    - het fonds moet zijn beslissing per aangetekend schrijven meedelen;

    als gedeeltelijk van terugvordering afgezien wordt, moet duidelijk meegedeeld worden welk bedrag niet teruggevorderd wordt en hoeveel wel nog moet betaald worden;
    als geheel van terugvordering afgezien wordt, worden de eventuele inhoudingen sinds de aanvraag terugbetaald aan de aanvrager.

    2.4. Termijn waarbinnen beslist moet worden over een aanvraag om af te zien van terugvordering (punt 3.4.7. van het vademecum)

    Volgens de nieuwe richtlijnen moet de beslissing genomen worden binnen 4 maanden na de datum vermeld in het ontvangstbewijs dat het fonds opstuurt.

    Die termijn kan eventueel nog eens met 4 maanden verlengd worden in uitzonderlijke omstandigheden eigen aan het dossier. Die verlenging van de termijn moet meegedeeld worden aan de aanvrager met vermelding van de redenen waarom zijn aanvraag niet binnen de eerst bepaalde termijn afgehandeld wordt. De termijn kan in geen geval verlengd worden als de debiteur niet loyaal en met de nodige spoed meewerkt aan het onderzoek van zijn aanvraag. In dat geval riskeert hij dat zijn aanvraag door het fonds afgewezen wordt.

    Ook wordt de onderzoekstermijn opgeschort als het debet via een rechtsvordering betwist wordt. Het is namelijk van belang dat een schuld juridisch gezien vaststaat alvorens sprake kan zijn van een eventuele kwijtschelding ervan door de schuldenaar.

    Verder wordt gesteld dat als eerst een aanvraag om van terugvordering af te zien gedaan wordt terwijl er geen sprake is van een procedure tot collectieve schuldenregeling, en er achteraf toch een beschikking van toelaatbaarheid komt, het fonds het voorstel tot minnelijke schikking van de schuldbemiddelaar moet afwachten alvorens een beslissing te nemen.

    2.5. Beperking inzake het indienen van een nieuwe aanvraag om af te zien van terugvordering (punt 3.4.8. van het vademecum)

    Volgens de nieuwe richtlijnen moet een debiteur die een nieuwe aanvraag indient nadat een eerdere aanvraag om af te zien van terugvordering (gedeeltelijk) is afgewezen, bij die nieuwe aanvraag bewijsstukken voegen waaruit de verslechtering van zijn financiële situatie blijkt.

    3. Verduidelijkingen bij een aantal regels die van toepassing blijven

    3.1. Goede trouw van de debiteur (punt 3.2. van het vademecum)

    Of de debiteur te goeder trouw was toen hij de onterechte betaling ontving, blijft een beslissende factor voor een gunstige beslissing over een vraag om niet terug te vorderen.

    Van die goede trouw wordt steeds uitgegaan. Maar dat geldt natuurlijk niet meer als blijkt dat het debet het gevolg is van fraude. Om aan te sluiten bij de richtlijnen die reeds zijn gegeven in artikel 17, 3de lid van het Handvest van de sociaal verzekerde, wordt bovendien gesteld dat het vermoeden van goede trouw weerlegd is als uit het dossier blijkt dat de betrokkene bij de betaling wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij er geen recht op had.

    3.2. Bijzonder geval: aanvragen om af te zien van terugvordering in het kader van een procedure tot collectieve schuldenregeling (punt 3.4.5. van het vademecum)

    Van in het begin is gesteld dat zonder meer aangenomen wordt dat iemand die verwikkeld is in een procedure tot collectieve schuldenregeling in een onzekere financiële situatie verkeert.

    Dat is een kwestie van gezond verstand, en logischerwijs volgt daaruit dat de financiële situatie van iemand die geen plan tot collectieve schuldenregeling kan krijgen wegens gebrek aan voldoende activa (wat blijkt uit de motivering van de gerechtelijke beslissing van ontoelaatbaarheid) uitzichtloos is.

    Aanvullend onderzoek van de financiële situatie door het fonds is in dergelijke gevallen overbodig en dus wordt voor de betrokken debiteur die bij de betaling te goeder trouw was, een aanvraag om af te zien van terugvordering zonder meer ingewilligd (4).

    4. Vormaanpassingen aan het vademecum

    In de verschillende hoofdstukken van de nieuwe editie van het vademecum en zijn bijlagen, gevoegd bij deze CO, wordt nu verwezen naar het leefloon dat in de plaats gekomen is van het bestaansminimum. Verder zijn alle bedragen in Belgische franken geschrapt.

    Deze omzendbrief en het nieuwe vademecum dat als bijlage (1) gaat, zijn onmiddellijk van toepassing op de aanvragen om af te zien van terugvordering in onderzoek.

    ----------
    (1) Van een derdenbeslag is natuurlijk slechts sprake als de betreffende som het plafond van onvatbaarheid voor beslag overschrijdt.
    (2) De fondsen zullen zo snel mogelijk een standaardformulier krijgen.
    (3) Het zijn dus de daadwerkelijk door de sociaal verzekerde geïnde nettobedragen, eventueel na toepassing van derdenbeslag voor andere schuldeisers.
    (4) Op voorwaarde dat de aanvrager geen partner heeft.

    Top