CO 1357 van 7 juni 2006 - Wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen - Vrijwilligerswerk

    De wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2005, heeft op verschillende vlakken een weerslag op de kinderbijslag.

    De nieuwe wet brengt direct een reeks wijzigingen aan de Kinderbijslagwet aan, en aan de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, die een luik omvat betreffende de kinderbijslag, opgenomen in de vermelde wetgeving, en bevat eveneens bepalingen betreffende studenten die een verhandeling voorbereiden en het stemrecht van de leden van de algemene vergadering.

    Deze omzendbrief bespreekt enkel de nieuwe wettelijke bepalingen die momenteel van kracht zijn, of waarvan de ingangsdatum bekend is 1 , gegroepeerd in de volgende rubrieken:

    • recht van de vrijwilligers;
    • studenten die aan een verhandeling werken;
    • tekstaanpassingen;
    • organisatorische maatregelen.

    Hierbij vindt u:

    • als bijlage 1, de bepalingen van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen, besproken in deze CO;
    • als bijlage 2, de op 1 februari 2006 geactualiseerde tekst van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.

    1. Recht van vrijwilligers: inwerkingtreding op 1 augustus 2006

    1.1. Grote lijnen

    De wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wil in hoofdzaak de personen die vrijwilligerswerk verrichten beschermen door hen een minimale rechtszekerheid te bieden in hun relatie met de organisatie die hen begeleidt (regeling van ieders verantwoordelijkheden en dekking van de vrijwilliger door een verzekering) en op sociaal vlak.

    De inwerkingtreding van de wet, aanvankelijk voorzien op 1 februari 2006, werd uitgesteld tot 1 augustus 2006 door de wet van 7 maart 2006, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 13 april 2006.

    1.2. Begrippen

    a) De wet van 3 juli 2005 verstaat onder ' vrijwilligerswerk ' de activiteit:

    • die wordt uitgeoefend door een natuurlijk persoon, zonder bezoldiging of verplichting;
    • die is georganiseerd ten behoeve van een of meer personen, een groep of organisatie of de samenleving als geheel;
    • die is georganiseerd buiten de familiekring en de privé-sfeer van degene die de activiteit verricht;
    • en die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in een professioneel kader (arbeidsovereenkomst, dienstencontract of statutaire aanstelling).

    b) De ' organisatie ' waarvoor vrijwilligerswerk wordt verricht, kan een feitelijke vereniging zijn, of een publieke of private rechtspersoon, zonder winstoogmerk.

    c) De wet regelt het vrijwilligerswerk dat wordt verricht op het Belgisch grondgebied, evenals het vrijwilligerswerk verricht buiten België, maar georganiseerd vanuit België, op voorwaarde dat de vrijwilliger zijn hoofdverblijfplaats in België heeft.

    d) Het gaat uiteraard om een vrijwillige activiteit wat verenigbaar is met het feit dat de vrijwilliger vergoedingen kan ontvangen van de organisatie, als terugbetaling van kosten.

    Artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 stelt een vermoeden in voor de vrijwilliger: wanneer de vergoedingen niet hoger zijn dan 27,92 EUR per dag, 675,72 EUR per kwartaal en 1.116,71 EUR per jaar, dan worden ze als een terugbetaling van kosten beschouwd. Als deze bedragen worden overschreden, dan kunnen de vergoedingen ook beschouwd worden als terugbetaling van kosten gedragen door de vrijwilliger, als hij via bewijskrachtige documenten aantoont dat het wel degelijk gaat om een voor hem verrichte terugbetaling.

    Als de vrijwilliger voor verschillende organisaties werkt, dan moeten de ontvangen vergoedingen gecumuleerd worden, voor het totale bedrag ervan ve rgeleken wordt met de hierboven vermelde bedragen.

    1.3. Weerslag op de kinderbijslag

    Artikel 19 van de wet van 3 juli 2005 vult artikel 62, KBW aan met een als volgt opgesteld § 6 :

    'Voor de toepassing van deze wetten wordt vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De vergoedingen in de zin van artikel 10 van voormelde wet worden niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering, voorzover het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigd karakter niet verliest overeenkomstig hetzelfde artikel van dezelfde wet.'

    1.3.1. Commentaar

    Hoedanigheid van rechthebbende

    Op basis van het verrichten van vrijwilligerswerk kan men de hoedanigheidvan rechthebbende niet verkrijgen, behalve als de toekenning van vergoedingen aan de vrijwilliger moet geanalyseerd worden als een vermomde bezoldiging; in dat geval moet de activiteit geherkwalificeerd worden als een loontrekkende activiteit2 .

    Hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste

    Wat betreft de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste genieten de rechthebbende, zijn partner of de bijslagtrekkende beroepsinkomsten als de vergoedingen uitgekeerd wegens vrijwilligerswerk niet kunnen beschouwd worden als een terugbetaling van kosten.

    Recht op de toeslagen (artikel 47, KBW)
    Voor wat betreft de toeslagen bedoeld in artikel 47, KBW, wijst de betaling van sociale zekerheidsbijdragen op de aan het kind uitgekeerde vergoedingen op onderwerping aan de sociale zekerheid, wat een beletsel vormt voor de betaling van die toeslagen.

    Rechtgevende kinderen

    Het nieuwe artikel 62, § 6, KBW, heeft als doel het recht van een kind, rechtgevend op kinderbijslag3 , dat vrijwilligerwerk verricht te waarborgen, op voorwaarde dat de ontvangen vergoedingen bestaan uit terugbetalingen van kosten :

    • met toepassing van het vermoeden voorzien door de wet van 3 juli 2005, zoals hierboven aangeduid, als de vergoedingen niet hoger zijn dan 27,92 EUR per dag, 675,72 EUR per kwartaal en 1.116,71 EUR per jaar (cumulatieve voorwaarden);
    • of bij gebrek daaraan na de bewijslevering van het kind dat de ontvangen bedragen per dag, per kwartaal of per jaar, als ze hoger zijn dan de hierboven vermelde, wel degelijk een terugbetaling vormen van kosten gedragen in de plaats van de organisatie.

    Als niet blijkt dat het kind terugbetaling van kosten genoot, moet men ervan uitgaan dat hij een winstgevende activiteit uitoefende, en dat die naar gelang het geval:

    • leidde tot de betaling van sommen die moeten getoetst worden aan het toegelaten maandbedrag (443,89 EUR per maand),
    • of verliep in een tijdsspanne die moet vergeleken worden met de toegelaten duur per kwartaal (240 uur per kwartaal, in het 1ste, 2de en 4de kwartaal).

    Op te merken valt echter dat de vergoedingen voor prestaties als vrijwilliger bij de brandweer, bij de civiele bescherming of bij medische urgentiediensten altijd moeten beschouwd worden als vergoedingen van kosten, gezien de aard van de verrichte activiteit.

    Tenslotte moet opgemerkt worden dat wanneer het kind vrijwilligerswerk verricht in het buitenland, de Belgische kinderbijslag voor dit kind enkel kan worden 'uitgevoerd' krachtens de bestaande internationale overeenkomsten of op basis van een ministeriële afwijking: de nieuwe wet geldt enkel voor het onderscheid dat moet gemaakt worden tussen vergoedingen uitgekeerd als terugbetaling van kosten en winsten voortvloeiend uit een winstgevende activiteit.

    Voorbeelden

    1. Een student die een opleiding van het hoger onderwijs volgt, verricht voor een VZW een activiteit die voorgesteld wordt als vrijwilligerswerk:

    a) - op 21, 22 en 23 december 2006, gedurende acht uur per dag; hij ontvangt een dagvergoeding van 30 EUR; ondanks het verzoek van het fonds legt hij geen bewijsstuk voor waaruit blijkt dat het gaat om de terugbetaling van kosten die hij gedragen heeft;

    • de bedragen per jaar en per kwartaal op basis waarvan het rechtgevend kind zich kan beroepen op het wettelijk vermoeden zijn niet overschreden, maar het dagbedrag wel;
    • het kind voert overigens in het vierde kwartaal van 2006 een tewerkstelling met een overeenkomst voor studenten uit, voor een totaal van 220 uur;
    • voor het vierde kwartaal komt het kind uit op een totaal van 244 (220 + 24) uur winstgevende activiteit: geen recht op kinderbijslag in dit kwartaal.

    b) - hij verricht vrijwilligerswerk voor de VZW: 30 dagen in het tweede kwartaal, 50 dagen in het derde kwartaal en 20 dagen in het vierde kwartaal, aan acht uur per dag; de dagvergoeding bedraagt 24 EUR;

    • het dagbedrag op basis waarvan het rechtgevend kind zich kan beroepen op het wettelijk vermoeden is nooit overschreden, het kwartaalbedrag is overschreden in het derde kwartaal4 (1.200 EUR), evenals het jaarbedrag (2.400 EUR); bij gebrek aan bewijsstuk voorgelegd door het kind, moet men ervan uitgaan dat hij voor het hele jaar een winstgevende activiteit uitoefende;
    • het recht op kinderbijslag is echter zonder onderbreking verworven: in het eerste kwartaal is er geen activiteit; in het tweede kwartaal is de norm van 240 uur niet overschreden; in het derde kwartaal is de norm van 240 uur tijdens de zomervakantie niet van toepassing; in het vierde kwartaal is de norm van 240 uur niet overschreden.

    2. Een rechtgevend kind, 20 jaar oud, volgt lessen met beperkt leerplan en verricht voor een VZW een als vrijwilligerswerk voorgestelde activiteit:

    • hij verricht enkel in het vierde kwartaal van 2006 in de loop van 65 dagen (21 dagen in oktober, 22 in november, 22 in december) prestaties van een uur, waarvoor hij 15 EUR per dag ontvangt;
    • het dagbedrag op basis waarvan het rechtgevend kind zich kan beroepen op het wettelijk vermoeden is nooit overschreden, het jaarbedrag evenmin, maar het kwartaalbedrag wel (975 EUR);
    • bij gebrek aan bewijsstuk voorgelegd door het kind en waaruit blijkt dat het om een terugbetaling van kosten gaat, moet de activiteit beschouwd worden als winstgevend; het recht is echter zonder onderbreking verworven, aangezien de begrenzing van de bezoldiging per maand nooit is bereikt tijdens een van de maanden in kwestie (oktober: 315 EUR; november: 330 EUR; december: 330 EUR).

    3. Een kind dat zijn studies afsloot is met vakantie tot op 31 augustus en in zijn wachttijd vanaf 1 augustus; hij verricht voor een VZW een als vrijwilligerswerk voorgestelde activiteit:

    • de prestaties worden verricht van 1 september tot 31 december, aan 25 dagen per maand, acht uur per dag, 'vergoed' aan 16 EUR per dag;
    • het dagbedrag op basis waarvan het rechtgevend kind zich kan beroepen op het wettelijk vermoeden is nooit overschreden, het kwartaalbedrag is niet overschreden voor het derde kwartaal (400 EUR), maar wel voor het vierde kwartaal (1.200 EUR); in ieder geval is het jaarbedrag overschreden (1.600 EUR), en bij gebrek aan bewijsstuk voorgelegd door het kind, moet de activiteit beschouwd worden als winstgevend voor de hele periode;
    • de kinderbijslag is echter verschuldigd zonder onderbreking, aangezien de begrenzing van de bezoldiging per maand nooit is bereikt.

    1.4. Praktische schikkingen

    1.4.1. Regels

    Recht op kinderbijslag of op de toeslagen:

    • De rechtgevende kinderen, andere dan studenten, mogen een aan de sociale zekerheid onderworpen winstgevende activiteit uitoefenen op voorwaarde dat de inkomsten van deze activiteit de 443,89 EUR per maand niet overschrijden.
    • Studenten mogen een aan de sociale zekerheid onderworpen winstgevende activiteit uitoefenen op voorwaarde dat deze activiteiten de 240 uur per kwartaal niet overschrijden. Er wordt geen inkomstenbegrenzing opgelegd.
    • Het gehandicapte kind mag geen aan de sociale zekerheid onderworpen winstgevende activiteit uitoefenen om de toeslag op de kinderbijslag te behouden (artikel 47 Kinderbijslagwet), tenzij het gaat om tewerkstelling in een beschutte werkplaats.
    • De algemene inkomstenbegrenzing, dus de totale inkomsten waarmee rekening gehouden wordt voor de toekenning van een toeslag als gepensioneerde, langdurig werkloze of zieke, bedraagt 1.705,86 EUR voor een alleenstaande rechthebbende en 1.968,85 EUR voor een gezin.

    Recht van de vrijwilliger:

    • Om het statuut van vrijwilliger te behouden mogen de ontvangen vergoedingen niet hoger zijn dan 27,92 EUR per dag, 675,72 EUR per kwartaal en 1.116,71 EUR per jaar, tenzij:
      • de vrijwilliger bewijst dat het gaat om terugbetalingen van kosten;
      • het gaat om een activiteit als vrijwilliger bij de brandweer, de civiele bescherming of medische urgentiediensten.

    1.4.2. De formulieren en info-bladen

    De controledocumenten zijn aan de nieuwe regelgeving aangepast (zie bijlage III).

    Het betreft de formulieren en info-bladen P2/P5 (het recht als gehandicapt kind), P9 (de leerovereenkomst), P9bis (de opleiding tot ondernemingshoofd), P19/P19bis (recht op een toeslag) en P20 (de werkzoekende schoolverlater).

    Het formulier P7 (recht op kinderbijslag als student) wordt voor de komende algemene verzending (september 2006) in overleg met de kinderbijslagfondsen herzien in functie van de BaMa-structuur en de controle van de tewerkstelling met DMFA. De aangepaste versie zal zo spoedig mogelijk worden bezorgd.

    De gewijzigde formulieren voorzien de vermelding van een activiteit als vrijwilliger of de bedragen ontvangen als vrijwilliger bij de open vraag ' andere (inkomsten) '.

    1.4.3. De weerslag op het recht van vrijwilligers op het recht op kinderbijslag van andere rechtgevende kinderen dan studenten en op het recht op de toeslagen

    Algemene regel

    Dag-, kwartaal- en jaarvergoedingen ontvangen in het kader van vrijwilligerswerk die worden opgegeven in de rubriek 'Andere inkomsten' moeten niet bij de inkomsten van de betrokkene meegeteld worden als ze het maximumbedrag voor het behoud van het statuut van vrijwilliger5 niet te boven gaan. Vergoedingen ontvangen als vrijwilliger bij de brandweer, in een medische urgentiedienst of bij de civiele bescherming worden nooit meegeteld, ongeacht het bedrag.

    Bijzondere gevallen: aanvullende gegevens na ontvangst van de controleformulieren.

    Als in de rubriek 'Andere inkomsten' niet voldoende informatie staat over de aard van de activiteit en de exacte bedragen ontvangen als vrijwilliger:

    • Als het totaal van de inkomsten, die vermeld in de rubriek 'Andere inkomsten' inbegrepen, niet hoger is dan het grensbedrag voor het recht op kinderbijslag of op een toeslag, moet verder niets gevraagd worden aan de betrokkene: er is recht op kinderbijslag of op een toeslag.
    • Als het grensbedrag voor het recht op kinderbijslag of op een toeslag zelfs na aftrek van de inkomsten vermeld in de rubriek 'Andere inkomsten' overschreden is, moeten evenmin verdere vragen gesteld worden aan de betrokkene: er is geen recht op kinderbijslag of op een toeslag.
    • Als het totaal van de inkomsten alleen door de toevoeging van de inkomsten vermeld in de rubriek 'Andere inkomsten' hoger is dan het grensbedrag voor het recht op kinderbijslag, moet het kinderbijslagfonds bij de betrokkene de volledige informatie opvragen over de aard 6 en het exacte bedrag7 van die 'andere inkomsten'.
      • Vergoedingen voor vrijwilligerswerk die het grensbedrag voor het statuut van vrijwilliger niet te boven gaan, worden niet meegeteld om het totaal van de inkomsten te bepalen.
      • Als die vergoedingen wel die grensbedragen overschrijden, worden ze meegeteld om het totaal van de inkomsten te bepalen, tenzij:
        1.de betrokkene bewijst dat het om kostenvergoedingen gaat;
        2. de vergoedingen verkregen zijn in het kader van vrijwilligerswerk bij de brandweer, de civiele bescherming of een medische urgentiedienst.
    • Als er sprake is van een activiteit als vrijwilliger onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandigen, ontvangt het kinderbijslagfonds een bericht over de begin- en einddatum (Flux A301) van de verzekeringsplicht. Aan de zelfstandige moeten dan de hiervoor vermelde vragen gesteld worden aangaande het aantal uren en de inkomsten.

    U ontvangt nog een model van vragenlijst.

    1.4.4. Weerslag van het recht van vrijwilligers op het recht op kinderbijslag van studenten

    Algemene regel

    De uren vrijwilligerswerk door een student waarvoor hij een vergoeding ontvangt die de grensbedragen8 niet te boven gaat, worden niet meegeteld bij de berekening van het aantal uren dat hij gewerkt heeft. Uren als vrijwilliger bij de brandweer, bij de civiele bescherming en medische urgentiediensten, worden nooit meegeteld, ongeacht het bedrag van de ontvangen vergoeding.

    De gewerkte uren worden gecontroleerd aan de hand van de DMFA-berichten.

    • Als de vergoedingen ontvangen voor vrijwilligerswerk de grensbedragen voor het statuut van vrijwilliger niet te boven gaan, is de betrokkene niet onderworpen aan de sociale zekerheid en leidt de activiteit niet tot een DMFA-bericht. Vrijwilligerswerk bij de brandweer, vrijgesteld inzake kinderbijslag, wordt bovendien, als er een DMFA-bericht aangemaakt wordt, vermeld onder de 'codes werknemer' 091en 401 (maar vrijgesteld vrijwilligerswerk bij de civiele bescherming en medische urgentiediensten krijgt geen aparte code werknemer).
    • Als de vergoedingen ontvangen voor vrijwilligerswerk de grensbedragen voor het statuut van vrijwilliger wel te boven gaan, wordt voor de activiteit, die dan onderworpen is aan de sociale zekerheid, een DMFA-bericht aangemaakt. Als uit het/de DMFA-bericht(en) blijkt dat het maximum aantal uren overschreden is, wordt voor de betrokken periode automatisch het recht op kinderbijslag geweigerd.
      Het kinderbijslagfonds moet bij de motivering van die beslissing vermelden dat de vrijwilliger de mogelijkheid heeft te bewijzen dat de vergoedingen de terugbetaling zijn van kosten of dat het gaat om vrijgesteld vrijwilligerswerk bij de civiele bescherming of medische urgentiediensten9 . Als dat bewijs geleverd wordt, tellen de uren vrijwilligerswerk niet mee voor de berekening van het aantal door de student gewerkte uren.
      De bestaande modules zullen dienovereenkomstig aangepast worden.

    2. Studenten die aan een eindverhandeling werken (artikel 62, § 4 KBW) (artikel 150 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen) : uitwerking op 1 september 2005

    Artikel 62 § 4 KBW stelde de toekenning van kinderbijslag voor een jongere die aan een eindverhandeling werkt afhankelijk van de voorwaarde dat deze jongere geen verplichte lessen meer volgde.

    Deze voorwaarde leverde problemen op, in die zin dat ze ertoe leidde dat kinderbijslag geweigerd werd aan jongeren die lessen volgden en tegelijk hun verhandeling voorbereidden, als deze beide opleidingen samen volgens het BAMA-systeem geëvalueerd waren op minder dan 27 studiepunten. In een dergelijke situatie kon aan een jongere die lessen volgde en zijn verhandeling voorbereidde de toekenning van kinderbijslag geweigerd worden, terwijl hij die wel zou genoten hebben als hij zich beperkt had tot de voorbereiding van die verhandeling.

    Artikel 150 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen heeft artikel 62 § 4 KBW gewijzigd zodat jongeren die aan een eindverhandeling werken en nog lessen volgen niet meer uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van deze bepaling.

    Voortaan zijn er twee mogelijkheden om het recht te openen voor studenten die aan een eindverhandeling werken:

    • artikel 62, § 3, KBW wat impliceert dat de eindverhandeling, eventueel aangevuld met een andere opleiding, geëvalueerd wordt op minstens 27 studiepunten in het BAMA-systeem;
    • artikel 62, § 4, KBW als ze voldoen aan de voorwaarden van deze bepaling.

    De nieuwe tekst van artikel 62, § 4, KBW heeft uitwerking met terugwerkende kracht tot 1 september 2005, de datum van inwerkingtreding van de gevolgen van de BAMA-hervorming op de kinderbijslag.

    3. Aanpassing van de tekst van de artikelen 42bis en 50ter KBW (artikelen 145 en 146 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen): uitwerking op 1 januari 2005

    Naar aanleiding van de wijziging van artikel 56quater door de programmawet van 27 december 200410 verwezen de artikelen 42bis en 50ter, KBW per vergissing naar het derde lid van dit artikel 56quater. Voortaan wordt verwezen naar het vierde lid van dit artikel.

    4. Organisatorische maatregelen (artikel 144 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen): uitwerking op 30 december 2005

    Krachtens artikel 22bis, § 1, KBW beschikken de werkgevers aangesloten bij een kinderbijslagfonds over één stem in de algemene ledenvergadering, of eventueel over meervoudig stemrecht, terwijl de andere leden (de bestuurders of de leden die geen werkgevers zijn bijvoorbeeld) maar over een enkele stem kunnen beschikken.

    De nieuwe wet vult dit principe aan, door beslissingen over zaken die essentieel zijn voor de werking van het fonds11 te laten afhangen van het akkoord van een minimaal aantal werkende leden, al dan niet werkgevers, die ook zetelen in de raad van bestuur. Deze beslissingen moeten meer bepaald goedgekeurd worden door minstens een kwart van de werkende leden of door vijf werkende leden.

     

    • 1De artikelen 147 tot 151 betreffende het vaststellen van het recht op wezenbijslag, die nog door een koninklijk besluit van kracht moeten worden, en de artikelen 154 tot 159 betreffende de nieuwe mogelijkheden voor algemene afwijkingen, die pas concrete uitwerking zullen hebben na de ministeriële beslissingen die er gestalte aan zullen geven, worden in deze CO niet behandeld.
    • 2De hoedanigheid van werknemer blijkt uit de DMFA. Prestaties verricht als vrijwilliger bij de brandweer, de civiele bescherming en medische urgentiediensten kunnen echter niet beschouwd worden als arbeidsprestaties verricht in het raam van een arbeidsovereenkomst, en op basis daarvan kan dus geen recht op kinderbijslag geopend worden.
    • 3Leerling, student, stagiair om benoemd te worden in een ambt, student die aan een eindverhandeling werkt, werkzoekende: de nieuwe wet creëert dus geen nieuwe categorie van rechtgevende kinderen.
    • 4Het kwartaalbedrag is overschreden in het tweede kwartaal van 2006, maar aangezien de wet pas van toepassing is op 1 augustus 2006 heeft het overschrijden van deze begrenzing geen enkel juridisch gevolg.
    • 5Als de vergoedingen boven het maximumbedrag liggen, kan de vrijwilliger bewijzen dat het kostenvergoedingen zijn.
    • 6Voor vrijwilligers werk moet duidelijk aangegeven worden of het gaat om een activiteit als vrijwillige brandweerman, bij de civiele bescherming of bij een medische urgentiedienst.
    • 7Voor vrijwilligerswerk moeten de bedragen per maand, per kwartaal en per jaar opgegeven worden.
    • 8Als die vergoedingen hoger liggen dan het grensbedrag kan de vrijwilliger bewijzen dat het om een kostenvergoeding gaat.
    • 9Ter herinnering: vrijgesteld vrijwilligerswerk bij de brandweer wordt vermeld onder de 'codes werknemer' DMFA 091 en 401.
    • 10De programmawet van 27 december 2004 heeft gehuwde koppels en personen die een feitelijk gezin vormen op gelijke voet geplaatst, door te voorzien dat in geval van feitelijke scheiding, aangetoond door afzonderlijke inschrijvingen in het RNP, de persoon met een overlevingspensioen in beide gevallen zijn hoedanigheid van rechthebbende herkrijgt.
    • 11Het gaat om de volgende materies:
      • de wijziging van de statuten;
      • de wijziging van het maatschappelijk doel;
      • de benoeming en afzetting van bestuurders en commissarissen;
      • de ontbinding van de vereniging.
        De inwerkingtreding van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, aanvankelijk voorzien op 1.02.2006, werd uitgesteld tot 1.08.2006 (wet van 7.03.2006, BS 13.04.2006).

    Top