CO 1362 van 16 februari 2007 - Toekenning van de sociale toeslagen na het begin van een activiteit

    De programmawet I van 27 december 2006, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, en de koninklijke besluiten van 11 januari 2007, respectievelijk op 9 februari 2007 en op 12 februari 2007 in het Belgisch Staatblad verschenen, bevatten nieuwe maatregelen ter bestrijding van de werkloosheidsvallen. U vindt de teksten als bijlage.

    Hierna worden die bepalingen uiteengezet en worden de nodige praktische richtlijnen gegeven. Als bijlage 4 gaan voorbeelden die de toepassing van de nieuwe teksten illustreren.

    A. Algemeen

    1. Situatie tot 31 december 2006

    Tot voor de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen, dus tot 31 december 2006, betekende het verlies van het recht op een van de toeslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter KBW dat de betaling van die toeslag stopte na het einde van het lopende kwartaal (als de toekenningsvoorwaarden niet meer vervuld waren voor de referentiemaand) of na het einde van het volgende kwartaal (als de toekenningsvoorwaarden wel vervuld waren voor de referentiemaand).

    2. Situatie vanaf 1 januari 2007

    2.1. Door de nieuwe maatregelen voor ex-werklozen en ex-invaliden die recht hadden op de sociale toeslag, wordt die toeslag doorbetaald:

    • als ze werken1 ;
    • voor de rest van het kwartaal waarin de activiteit begint en ook voor maximum de 8 volgende kwartalen2 ;
    • als die rechthebbende in die periodes de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste behoudt.

    2.2. Voor kinderen die gewaarborgde gezinsbijslag kregen met de toeslag 42bis creëren die maatregelen een recht op de toeslag artikel 42bis in de werknemersregeling:

    • als een rechthebbende een activiteit begint en voortzet die voor die kinderen een recht op kinderbijslag doet ontstaan in de werknemersregeling;
    • voor de maand waarin de activiteit begint, de rest van het kwartaal waarin die maand valt en de 8 volgende kwartalen ;
    • als in die periodes de beroeps- en vervangingsinkomsten van het gezin van de bijslagtrekkende die voordien de gewaarborgde gezinsbijslag ontving, niet hoger zijn dan het bedrag bepaald in het kader van de regeling betreffende de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste, d.i. op 1 oktober 2006 1.740,15 EUR als de bijslagtrekkende alleen leeft met het kind, of 2.008,39 EUR als de bijslagtrekkende samenwoont met een (huwelijks)partner en het kind.

    2.3. De nieuwe maatregelen, die hierna gedetailleerd toegelicht worden, hebben geen gevolgen voor de bevoegdheid van de fondsen. De bevoegdheid blijft geregeld door de onveranderde bepalingen van het koninklijk besluit van 1 maart 2000 tot uitvoering van artikel 42bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, § 1bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

    B. De nieuwe wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen

    1. Recht op de toeslag 42bis

    1.1. Artikel 42bis, KBW (bijlage 1)

    Aan de huidige bepalingen van artikel 42bis, KBW worden drie nieuwe principes toegevoegd:

    • de toeslag 42bis is, voor een termijn vastgelegd door de Koning, verschuldigd aan een werknemer die een activiteit begint, als de opening van het recht in het werknemersstelsel ten gunste is van een bijslagtrekkende die de toeslag tot dan toe kreeg in het kader van de gewaarborgde gezinsbijslag (art. 42bis, § 1, 4°, nieuw);
    • de inkomsten van die bijslagtrekkende mogen bovendien de plafonds voor de beroeps- en/of vervangingsinkomsten die van toepassing zijn voor de toekenning van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste, niet overschrijden (art. 42bis, § 4, tweede en derde lid, nieuw);
    • de toeslag 42bis is, volgens de modaliteiten vastgelegd door de Koning, verschuldigd voor een werkloze rechthebbende die een activiteit begint, maar gelijkgesteld blijft aan een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze (art. 42bis, § 2, derde lid, nieuw).

    1.2. Koninklijk besluit van 11 januari 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 maart 2000 tot uitvoering van artikel 42bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, § 1bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (bijlage 2)

    Dat besluit wordt gewijzigd door de volgende toegelichte bepalingen.

    1.2.1. Vergoede volledig we rklozen

    1.2.1.1. Opbouw van de wachttijd van 6 maanden vergoede werkloosheid (artikel 2)

    De toelichtingen en instructies terzake in CO 1323 van 18 mei 2000 blijven integraal van toepassing :

    • Een periode van arbeidsongeschiktheid (art. 56, KBW) onmiddellijk voor een periode van vergoede volledige werkloosheid telt als een periode van werkloosheid voor de opbouw van de wachttijd.
    • Als tussen de arbeidsongeschiktheid en het begin van de vergoede volledige werkloosheid een termijn van hoogstens 27 opeenvolgende kalenderdagen zit (na eventuele aftrek van de "gelijkgestelde" dagen bedoeld in artikel 53, § 1, 2°, 3° en 9° KBW), kunnen die periodes samengenomen worden; de duur van die termijn telt dan mee voor de opbouw van de wachttijd.
    • Een onderbreking van de vergoede volledige werkloosheid van hoogstens 27 opeenvolgende kalenderdagen om een andere reden dan arbeidsongeschiktheid, word t altijd beschouwd als een periode van vergoede volledige werkloosheid.
    • Als de vergoede volledige werkloosheid langer dan 27 opeenvolgende kalenderdagen onderbroken wordt om een andere reden dan arbeidsongeschiktheid, moet nagegaan worden of er in de periode van de onderbreking dagen bedoeld in artikel 53, § 1, 2°, 3° en 9° KBW, i.e. "gelijkgestelde dagen" volgens het koninklijk besluit van 1 maart 2000, begrepen zijn:
      • Als na eventuele aftrek van de gelijkgestelde dagen een onderbreking van 27 of minder opeenvolgende kalenderdagen wordt vastgesteld, telt de totale duur van de onderbreking mee voor de opbouw van de wachttijd.
      • Als na eventuele aftrek van de gelijkgestelde dagen een onderbreking van 28 of meer opeenvolgende kalenderdagen wordt vastgesteld, wordt de opbouw van de wachttijd onderbroken, waardoor de rechthebbende opnieuw een wachttijd van zes maanden moet beginnen.

    1.2.1.2. Niet-onderbreking van de betaling van de toeslag 42bis, KBW (artikel 3)

    Eenmaal de wachttijd van zes maanden doorlopen, kan een werkloze in principe de toeslag 42bis krijgen, terwijl hij zijn werkloosheidsuitkering behoudt.

    Die algemene regel is echter afgezwakt op bepaalde punten, waarvan sommige geïntroduceerd werden door de hervorming toegelicht in deze CO.

    Ondanks de effectieve onderbreking van zijn uitkering, blijft de rechthebbende gelijkgesteld aan een vergoede volledig werkloze :

    • als de onderbreking het gevolg is van een arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 56, KBW, geldt de gelijkstelling aan een vergoede werkloze voor onbepaalde duur3 : op dat vlak geen wijziging van het principe in CO 1323 van 18 mei 2000 ;
    • als de onderbreking niet het gevolg is van een arbeidsongeschiktheid, maar maximum 27 opeenvolgende kalenderdagen duurt (na eventuele aftrek van de "gelijkgestelde dagen" - artikel 53, § 1, 2°, 3° en 9° KBW), geldt de gelijkstelling voor 27 dagen, waar eventueel gelijkgestelde dagen bijgeteld worden: geen wijziging van het principe in CO 1323 van 18 mei 2000 ;
    • in de andere gevallen (d.w.z. geen arbeidsongeschiktheid en een "netto" onderbreking van meer dan 27 dagen): als de onderbreking het gevolg is van de aanvang van een activiteit in de zin van het koninklijk besluit van 25 april 1997 dat de bevoegdheid regelt (activiteit met een arbeidsovereenkomst of statutair) en de werkloze op dat moment het recht op de toeslag opende, geldt de gelijkstelling voor het lopende kwartaal en, als de activiteit voortduurt, maximaal voor de 7 kwartalen die daarop volgen : dit principe is nieuw.

    Opmerkingen:

    a) Algemene opmerking

    Voor de betaling van de toeslag 42bis moet de rechthebbende de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste behouden tijdens de referentiemaanden van de gelijkgestelde periode, tegen de voorwaarden van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004, toegelicht in CO 1351.

    Zo mag, in het geval de rechthebbende een loontrekkende activiteit begint, zijn loon (eventueel samengeteld met het inkomen van zijn echtgenoot/partner) het plafond voor de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste niet overschrijden.

    b) Bijzondere opmerkingen over het nieuwe geval van een beginnende activiteit terwijl de rechthebbende tijdens de werkloosheid recht opende op de toeslag

    • Het nieuwe mechanisme geldt niet voor situ aties waarin de activiteit recht geeft op een aanvullende werkloosheidsuitkering aangezien er dan een uitkering blijft. Bij een onderbreking in de betaling van die werkloosheidsaanvulling kan het mechanisme echter wel toegepast worden.
    • In de praktijk zal de toepassing van het nieuwe mechanisme enkel spelen als de "netto" onderbreking (d.w.z. na aftrek van eventueel gelijkgestelde dagen) van de uitkering van de rechthebbende minstens 28 dagen duurt.
    • De rechthebbende moet de activiteit beginnen op het moment dat hij het recht op de toeslag opende: in de praktijk moeten de toeslagen voor hem4 verschuldigd zijn in de maand van de activiteit, terwijl alle voorwaarden voor de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste vervuld zijn in de referentiemaand.
    • De rechthebbende moet de activiteit aanvatten op een moment dat hij uitkeringsgerechtigd volledig werkloze is of als uitkeringsgerechtigde volledig werkloos beschouwd wordt.
    • Het stopzetten van de activiteit (niet langer onder arbeidsovereenkomst of statuut) betekent in principe het einde van de gelijkstelling van de rechthebbende aan een vergoede werkloze, en dus het einde van de verlenging van de toekenning van de toeslag.

    Eens de activiteit aangevat, wordt ze echter verondersteld te blijven voortduren in geval van tijdelijke onderbrekingen, zoals:

    • een periode van vergoede volledige werkloosheid van minder dan zes maanden ;
    • een periode van arbeidsongeschiktheid van minder dan zes maanden ;
    • een periode van minder dan zes maanden bestaande uit verg oede volledige werkloosheid en uit arbeidsongeschiktheid,
    • een periode van minder dan 28 opeenvolgende kalenderdagen met andere situaties dan vergoede volledige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.

    De activiteit wordt geacht onderbroken te worden als, naar gelang van het geval, de zesde maand voorbij is of de 28ste dag bereikt is. Anders gezegd, de onderbreking heeft geen terugwerkende kracht.

    Als de activiteit vroegtijdig stopt, wordt het recht op de toeslag getrimestrialiseerd, in overeenstemming met de algemene regels.

    Aangezien de gelijkstelling geldt voor het kwartaal waarin de activiteit begonnen is en voor de 7 volgende kwartalen, behoudt een rechthebbende die opnieuw werkloos wordt in die periode het voordeel van de doorlopen wachttijd van 6 maanden, die oorspronkelijk aanleiding was tot het verkrijgen van de toeslag.

    In een dergelijk geval kan ononderbroken de toeslag betaald worden.

    • Aangezien de gelijkstelling geldt voor het kwartaal waarin de activiteit begonnen is en voor de 7 volgende kwartalen, kan de toeslag, als de activiteit voortgezet wordt, maar betaald worden voor het kwartaal waarin de activiteit begon en voor de 8 volgende kwartalen.

    Op basis van de trimestrialisering bepaald in artikel 54 KBW kan een rechthebbende door recht te hebben op de toeslag 42bis in de referentiemaand van het 7e kwartaal na het begin van de activiteit, voor zijn kinderen nog die toeslag blijven ontvangen in het 8e kwartaal nadat hij begon te werken.

    1.2.1.3. Onderbreking van de betaling van de toeslag met behoud van het voordeel van de doorlopen wachttijd (artikel 4)

    Het mechanisme dat al vervat was in het koninklijk besluit van 1 maart 2000 blijft bestaan: als werkhervatting de stopzetting met zich brengt van de betaling van de toeslag omdat de rechthebbende niet gelijkgesteld is met een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, is geen nieuwe wachttijd van 6 maanden vereist als de betrokkene nadien opnieuw werkloos wordt, op de volgende twee voorwaarden :

    • De onderbreking moet beantwoorden aan een werkhervatting als bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 25 april 1997 omdat de rechthebbende opnieuw gebonden is door een arbeidsovereenkomst of door een statuut bij een overheidsdienst.
    • Bovendien moet de werkhervatting binnen 6 maanden gevolgd worden door een nieuwe werkloosheidsperiode.

    In dat geval verwerft de werkloze dadelijk opnieuw het voordeel van de vroeger al doorlopen wachttijd, zoals uitgelegd in CO 1323 van 18 mei 2000.

    • De richtlijnen gegeven in CO 1323 blijven van toepassing in geval van een interval tussen het einde van de vergoede werkloosheid en de werkhervatting

    Als er meer dan 27 opeenvolgende kalenderdagen liggen tussen de onderbreking van de vergoede volledige werkloosheid en de daadwerkelijke werkhervatting, verwerft de betrokkene als hij opnieuw werkloos wordt niet het voordeel van de doorlopen wachttijd.
    Om te bepalen of er al dan niet meer dan 27 dagen onderbreking zijn:

    • wordt een periode van arbeidsongeschiktheid altijd beschouwd als een periode van vergoede volledige werkloosheid;
    • moeten de dagen die volgens het koninklijk besluit van 1 maart 2000 (art. 53, § 1, 2°, 3° en 9° KBW) als 'gelijkgesteld' beschouwd worden, afgetrokken worden van de duur van de onderbreking.

    De bedoelde tussentijd wordt beschouwd als een periode van werkhervatting voor het bepalen van de duur daarvan.

    • De richtlijnen gegeven in CO 1323 blijven deels van toepassing voor de berekening van de duur van de werkhervatting

    Voor het behoud van het voordeel van de doorlopen wachttijd moet de nieuwe periode van vergoede volledige werkloosheid voorvallen binnen 6 maanden na de bedoelde daadwerkelijke of fictieve werkhervatting (interval van hoogstens 27 dagen tussen de vergoede werkloosheid en de werkhervatting).

    Als de activiteit eenmaal is begonnen, wordt ze geacht voortgezet te zijn ondanks eventuele onderbrekingen, behalve:

    • als het gaat om daadwerkelijke vergoede volledige werkloosheid: op dit punt verandert er niets ;
    • of om een periode van arbeidsongeschiktheid van meer dan 30 dagen : wijziging van de vroegere regel dat elke periode van arbeidsongeschiktheid, zelfs van korte duur, geacht wordt het hervatten van de activiteit te onderbreken. Wanneer de ziekteperiode tenminste 31 dagen duurt, is de onderbreking van de activiteit verworven vanaf de eerste dag ziekte.

    De huidige bepaling die deze periode van ziekte gelijkstelt aan een periode van vergoede volledige werkloosheid, blijft behouden (wat het vanaf het begin van de ziekte mogelijk maakt om een recht te openen op de toeslag 42bis).

    1.2.2. Gezinnen die gewaarborgde gezinsbijslag ontvingen met een toeslag 42bis, vóór het openen van een recht in de regeling van de werknemers (artikel 5)

    De nieuwe bepalingen willen de gevolgen temperen van de overgang van de bevoegdheid van de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag, met betaling van de toeslag 42bis, naar de bevoegdheid van de regeling van de werknemers, wegens het begin van een activiteit door een rechthebbende die volgens de algemene principes geen recht op een sociale toeslag kan openen.

    Er wordt dus een uitzondering op deze algemene principes ingevoerd, om in het geval van de overgang van de bevoegdheid van de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag naar de bevoegdheid van de regeling van de werknemers de toekenning van de toeslag 42bis mogelijk te maken uit hoofde van een rechthebbende die zich niet in een toekenningssituatie bevindt, als de beroeps- en vervangingsinkomsten in het gezin van de bijslagtrekkende de begrenzingen niet overschrijden van toepassing bij de erkenning van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste.

    De toekenning van de toeslag 42bis uit hoofde van een effectieve of gelijkgestelde werknemer (art. 53, KBW) wegens het bestaan van een arbeidsovereenkomst of een statuut is:

    • strikt beperkt in de tijd : de maand van het begin van de activiteit, het kwartaal waarin deze maand valt, en, in geval van voortzetting van de activiteit, de acht kwartalen die volgen;
    • als de toeslag 42bis, vóór het begin van de activiteit aan de bijslagtrekkende5 uitgekeerd werd in het raam van de toekenning van gewaarborgde gezinsbijslag ;
    • en als de beroeps- en vervangingsinkomsten in het gezin van diezelfde bijslagtrekkende op 1 januari 2007 het bedrag van 1.740,15 EUR niet overschrijden in een eenoudergezin, of 2.008,39 EUR wanneer de bijslagtrekkende met een echtgenoot/partner leeft.

    Dit mechanisme geldt:

    • ongeacht de band tussen de rechthebbende en het kind (art. 51, § 3, KBW), of die nu al dan niet deel uitmaken van hetzelfde gezin;
    • of er een juridische band (echtgenoot, andere ouder?) bestaat of bestond tussen de rechthebbende en de bijslagtrekkende.

    Opmerkingen:

    • De nieuwe wet- en reglementaire teksten willen een mechanisme van verworven recht instellen: wanneer gewaarborgde gezinsbijslag uitgekeerd was aan de schaal van de regeling voor zelfstandigen, provisioneel of per verschil, zal bijgevolg geen toeslag 42bis betaald worden wanneer een activiteit is aangevat.
    • Het nieuwe wettelijk mechanisme veronderstelt een begin van activiteit door een rechthebbende afhangend van de regeling van de werknemers. Zonder de invoering van de nieuwe regels zou dit begin van activiteit vertaald zijn in een vermindering van het bedrag van de kinderbijslag verschuldigd aan de bijslagtrekkende die de gewaarborgde gezinsbijslag ontving, wegens het verlies van het recht op de toeslag 42bis.
    • Artikel 42bis slaat uitsluitend op de situatie van de bijslagtrekkende die het kind in zijn gezin heeft. Zoals in het raam van de toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot bepaling van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste gaat het om een feitelijke kwestie, onder het voorbehoud dat men ervan uitgaat dat:
      • in geval van scheiding van ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, de bijslagtrekkende ouder geacht wordt het kind in zijn gezin te hebben;
      • in geval van plaatsing van het kind, de bijslagtrekkende van het derde van de kinderbijslag geacht wordt het kind in zijn gezin te hebben.
    • Het stopzetten van de activiteit (verbreken van de contractuele of statutaire band) vormt in principe het einde van de gelijkstelling van de rechthebbende met een vergoede werkloze en dus het eind van het mechanisme van verlenging van de toekenning van de toeslag.

    De activiteit, eenmaal aangevat, wordt echter geacht voortgezet te worden ondanks tijdelijke onderbrekingen bestaande uit:

    • een effectieve periode van vergoede volledige werkloosheid die niet zes maanden bereikt;
    • een periode van arbeidsongeschiktheid die niet zes maanden bereikt;
    • een periode die niet zes maanden bereikt samengesteld uit vergoede volledige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid ;
    • een periode die niet 28 opeenvolgende kalenderdagen bereikt waarin de betrokkene zich in andere situaties bevindt dan vergoede volledige werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid.

    De activiteit wordt geacht onderbroken te zijn wanneer, naar gelang van het geval, het einde van de zesde maand of de 28ste dag bereikt is. Met andere woorden, de onderbreking heeft geen terugwerkende kracht.

    In geval van voortijdig einde van de activiteit, wordt het recht op de toeslagen, conform de algemene principes, getrimestrialiseerd.

    2. Recht op de toeslag 50ter

    2.1. Artikel 56, § 2, KBW (bijlage 1)

    De bepalingen van artikel 56, §2, KBW worden aangevuld met het principe dat stelt dat de toeslag 50ter, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, verschuldigd blijft uit hoofde van een rechthebbende, tot dan invalide, die verbonden is door een contract of een statuut (nieuw art. 56, §2, derde lid).

    2.2. Koninklijk besluit van 11 januari 2007 tot uitvoering van artikel 56, §2, KBW, derde lid van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (bijlage 3)

    De hervorming voor de ex-werklozen die een activiteit aanvatten wordt getransponeerd naar de ex-invaliden die zich in een 'activiteit' bevinden: ze blijven voor een beperkte duur gelijkgesteld met een invalide, zodat de sociale toeslag behouden blijft, onder voorbehoud van het bedrag van de beroeps- en/of vervangingsinkomsten van hun gezin.

    Het koninklijk besluit tot uitvoering stelt zo de verlenging van de toekenning van de toeslag 50ter afhankelijk van de volgende regels (artikel 1, eerste lid):

    • de activiteit moet onmiddellijk volgen op de situaties van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 56, KBW, zo niet mag de periode tussen het einde van de arbeids ongeschiktheid en de activiteit niet langer zijn dan 27 opeenvolgende kalenderdagen, waarbij de dagen gekwalificeerd als 'gelijkgesteld' door het koninklijk besluit van 1 maart 2000 (art. 53, §1, 2°, 3° en 9° KBW) moeten afgetrokken worden van de duur van de onderbreking6 .
    • het recht op de toeslag 50ter moet geopend zijn door de rechthebbende op het moment dat de arbeidsongeschiktheid ophoudt en er een activiteit wordt vastgesteld7 .
    • tijdens de periode van behoud van het recht op de toeslag voldoet de rechthebbende aan de inkomensvoorwaarden die de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste bepalen.

    Als deze voorwaarden vervuld zijn, geldt de gelijkstelling met een invalide voor het lopende kwartaal, en ook maximaal voor de zeven volgende kwartalen.

    Opmerkingen:

    • Aangezien het doel van de hervorming bestaat in het (tijdelijk) vermijden van het verlies van de toeslag 50ter wegens het bestaan van een 'activiteit', is het van geen belang of de contractuele of statutaire band tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid bleef bestaan.
    • Zoals al eerder gepreciseerd, kan de gelijkstelling met een invalide enkel de betaling van de toeslag 50ter mogelijk maken als de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste verworven blijft voor de rechthebbende tijdens de referentiemaand van de periode van gelijkstelling, tegen de voorwaarden bepaald door het koninklijk besluit van 26 oktober 2004, besproken in de CO 1351.

    Zo zal de bezoldiging van de rechthebbende (eventueel gevoegd bij die van de echtgenoot/partner) niet het grensbedrag mogen bereiken die de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste in het gedrang kan brengen.

    • De activiteit moet aangevat zijn op een moment dat de rechthebbende recht had op de toeslag : in de praktijk moest de toeslag verschuldigd zijn uit zijnen hoofde gedurende de beginmaand van de activiteit, omdat aan alle voorwaarden betreffende de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste voldaan was tijdens de referentiemaand in kwestie.
    • Het stopzetten van de activiteit (verbreken van de contractuele of statutaire band) vormt in principe het einde van de gelijkstelling van de rechthebbende met een vergoede werkloze en dus het eind van het mechanisme van verlenging van de toekenning van de toeslag.

    De activiteit, eenmaal begonnen, wordt echter geacht voortgezet te worden ondanks tijdelijke onderbrekingen bestaande uit:

    • een effectieve periode van vergoede volledige werkloosheid van minder dan zes maanden ;
    • een periode van arbeidsongeschiktheid van minder dan zes maanden ;
    • een periode van minder dan zes maanden bestaande uit vergoede volledige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid ;
    • een periode van minder dan 28 opeenvolgende kalenderdagen waarin andere situaties plaatsvinden dan vergoede volledige we rkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid.

    De activiteit wordt geacht onderbroken te zijn wanneer, naar gelang van het geval, de volle zes maanden of de 28ste dag bereikt zijn. Met andere woorden, de onderbreking heeft geen terugwerkende kracht.

    In geval van voortijdig einde van de activiteit, wordt het recht op de toeslagen, conform de algemene principes, getrimestrialiseerd.

    • Aangezien de gelijkstelling geldt voor het kwartaal waarin de activiteit aangevat werd, evenals voor de zeven volgende kwartalen, kan de toeslag, als de activiteit als werknemer behouden blijft, maximaal maar uitbetaald worden voor het kwartaal waarin de activiteit werd aangevat en voor de acht volgende kwartalen.

    De rechthebbende die op basis van de trimestrialisering bepaald door artikel 54 KBW het recht op de toeslag 50ter opent gedurende de referentiemaand van het zevende kwartaal volgend op dat waarin de activiteit werd aangevat, zal namelijk de toeslagen voor zijn kinderen kunnen genieten tijdens het achtste kwartaal volgend op dat waarin de tewerkstelling begon.

    3. Gemeenschappelijke opmerkingen van toepassing in geval van toekenning van een toeslag uit hoofde van een rechthebbende die een activiteit uitvoert

    3.1. Begindatum van de activiteit

    Aangezien de nieuwe wet van toepassing is vanaf 1 januari 2007, kan ten vroegste een begin van activiteit op 1 januari 2007 leiden tot de toepassing van het nieuwe mechanisme van behoud van de toeslag.

    3.2. Onderbreking en hervatting van de betaling van een toeslag

    De toekenning van de toeslag 42bis of 50ter tijdens de activiteit van een rechthebbende bedoeld door de nieuwe maatregelen kan onderbroken worden.

    3.2.1. Onderbreking wegens het openen van een voorrangsrecht door een ande re rechthebbende

    In geval van overname van het recht door een voorrangsgerechtigde rechthebbende die geen recht op een toeslag opent, is de toekenning van de toeslag uit hoofde van de rechthebbende bedoeld door de nieuwe maatregelen beperkt tot het kwartaal waarin deze verandering8 zich voordeed.

    Als de rechthebbende bedoeld door de nieuwe maatregelen 'tijdig' opnieuw voorrangsgerechtigde rechthebbende wordt, namelijk tijdens de maximale toekenningsperiode van de toeslag uit zijnen hoofde, kan de toeslag opnieuw betaald worden tijdens de resterende toe kenningsperiode.

    Opnieuw de toeslag betalen impliceert:

    • dat de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste verworven is tijdens de referentiemaand waarmee rekening gehouden werd voor de betaling;
    • en dat de activiteit voorgezet is of beschouwd is als voortgezet (minder dan zes maanden vergoede werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid; voor de ex-werklozen, tussenperiodes van minder dan 28 dagen samengesteld uit andere situaties).

    In een dergelijk geval is artikel 48, KBW van toepassing.

    3.2.2. Tijdelijk verlies van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste

    Het verlies van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste tijdens de periode van toekenning van de toeslag uit hoofde van een rechthebbende bedoeld door de nieuwe maatregelen, gaat gepaard met het einde van de getrimestrialiseerde toekenning van de sociale toeslag.

    Als de rechthebbende bedoeld door de nieuwe maatregelen de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste 'tijdig' opnieuw verkrijgt, namelijk tijdens de maximale toe kenningsperiode van de toeslag uit zijnen hoofde, wordt de toeslag weer betaald rekening houdend met de bepalingen van artikel 48, KBW.

    C. Praktische maatregelen voor de opvolging van de inkomensvoorwaarden tijdens de periode van activiteit

    De nieuwe maatregelen ter bestrijding van de werkloosheidsvallen gelden voor activiteiten die vanaf 1 januari 2007 uitgeoefend worden.

    De periodieke controle in januari 2007 over het jaar 2006 is nog volgens de vroegere procedure met de bestaande formulieren uitgevoerd. De Rijksdienst heeft de kinderbijslaginstellingen daarvan op 22 december 2006 per e-mail op de hoogte gebracht.

    Voor de langdurig volledig vergoede werklozen, de langdurig zieken/invaliden en de gepensioneerden blijft de bestaande procedure opgebouwd rond het jaarlijks inkomensonderzoek onveranderd van toepassing. De hierna uiteengezette procedure geldt enkel voor de nieuwe doelgroepen.

    Procedure voor de nieuwe doelgroepen

    Het doel van de nieuwe maatregelen bestaat erin, onverminderd de trimestrialisering, tijdens de beroepsactiviteit gedurende acht kwartalen verder sociale toeslag te betalen wanneer het gezinsinkomen maandelijks niet hoger ligt dan de maandelijkse grensbedragen. Verwacht wordt dat de rechthebbenden van de nieuwe doelgroepen vaak een wisselende beroepsloopbaan en dus een wisselend maandinkomen zullen hebben. Daarom werd voor deze doelgroepen een aangepaste opvolgingsprocedure uitgewerkt.

    Bij deze procedure staan de volgende principes centraal:

    • Opvraging van maandelijkse gegevens.
    • De periodieke opvolging van het voortbestaan van het recht op sociale toeslag tijdens de activiteit gebeurt semestrieel wanneer het kind in het gezin van de rechthebbende woont: op 15 januari en 15 juli. Woont het kind buiten het gezin van de rechthebbende, dan gebeurt het inkomensonderzoek jaarlijks op 15 januari.
    • Wanneer het kind buiten het gezin van de rechthebbende woont, dienen de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 juni 1989 inzake de provisionele betalingen van de kinderbijslag nauwgezet te worden toegepast. Bij de periodieke controle dienen de kinderbijslagfondsen overeenkomstig artikel 9 van dat besluit de sociale toeslag, in afwachting van de terugzending van het formulier, provisioneel door te betalen over de kalendermaand na die waarin de periodieke formulieren werden verzonden.

    Woont het kind echter in het gezin van de rechthebbende dan geldt een afwijkende regeling. Omdat de rechthebbenden van de nieuwe doelgroepen werknemers zijn, is de kans op een inkomensverhoging reëel. Om het risico op onterechte betalingen van de sociale toeslag tot vier maanden te beperken, dient in die gevallen, in afwachting van de terugzending van het formulier, de betaling van de sociale toeslag enkel nog te worden voortgezet voor de maand waarin het formulier is verzonden. Het koninklijk besluit inzake de provisionele betalingen van 12 juni 1989 zal dienovereenkomstig worden aangepast.

    1. Formulieren

    Voor de opvraging van de maandelijkse gegevens heeft de Rijksdienst drie nieuwe formulieren opgesteld:

    • het formulier P19quater, te verzenden aan de ex-werklozen en de ex-invaliden als de kinderen in hun gezin wonen;
    • het formulier P19quinquies te verzenden aan de bijslagtrekkende voor de kinderen die vóór het recht in de werknemersregeling op basis van een activiteit gewaarborgde gezinsbijslag aan de schaal 42bis ontvingen, als de bijslagtrekkende in het gezin van de rechthebbende woont.
      Op deze formulieren dienen de betrokkenen voor te controleren periode hun inkomsten voor elke maand op te geven;
    • voor de kinderen die vóór het recht in de werknemersregeling op basis van een activiteit gewaarborgde gezinsbijslag aan de schaal 42bis ontvingen, maar waarbij de bijslagtrekkende buiten het gezin van de rechthebbende woont, werd een derde nieuw formulier P19sexies opgesteld. Dit formulier dient eveneens door de bijslagtrekkende te worden ingevuld.
      Een kopie van deze drie formulieren gaat als bijlage.

    De aanpassing van de bestaande formulieren P19bis en P19ter volgt tegen de eerstvolgende verzending op 15 januari 2008.

    2. Tijdstippen waarop de inkomensvoorwaarden worden onderzocht

    2.1 Bij het begin van de activiteit

    2.1.1. De rechthebbende was voordien langdurig werkloos, langdurig ziek/invalide

    Blijkt uit de ontvangen gegevens dat de rechthebbende een 'onderbrekende' activiteit uitoefent, dan stuurt het kinderbijslagfonds op het einde van het kwartaal een formulier P19quater naar de rechthebbende indien de kinderen in zijn gezin wonen (KB van 26 oktober 2004 - gezinstypes I en II)

    Het formulier is bedoeld om de verdere toekenning van de sociale toeslag onmiddellijk af te stemmen op het gewijzigde gezinsinkomen én de provisioneel uitgevoerde betalingen te valideren. Het formulier vraagt naar het gezinsinkomen voor de laatste vier maanden. Bijvoorbeeld: bij een verzending einde juni 2007 vermeldt men als periode 'van 1 maart 2007 tot 30 juni 2007'.

    De 'onderbrekende' activiteit wordt vastgesteld op basis van de RIP-gegevens in combinatie met de fluxberichten D042 (werkloosheid), D046 (ziekte) of D058 (arbeidsongeval). De activiteit dient achteraf uiteraard bevestigd te worden door het authentiek gegeven, meestal de DMFA-berichten.

    In de gevallen waar de kinderen buiten het gezin van de rechthebbende wonen (KB van 26 oktober 2004 - gezinstypes III en IV) is het recht op sociale toeslag afhankelijk van de gezins- en inkomenssituatie van de bijslagtrekkende. Aangezien het inkomen van de rechthebbende dit recht niet beïnvloedt, blijft de bestaande procedure met de jaarlijkse verzending van het formulier P19bis behouden. Bij de vaststelling van de 'onderbrekende' activiteit dient dus geen nieuw formulier P19bis verstuurd te worden.

    2.1.2. De bijslagtrekkende ontving voor het recht in de werknemersregeling op basis van een activiteit gewaarborgde gezinsbijslag

    Het kinderbijslagfonds verstuurt dadelijk na de bevoegdheidsoverdracht met het brevet van rechthebbende een formulier P19quinquies aan de bijslagtrekkende, als die in het gezin van de rechthebbende woont. Het formulier vraagt naar het gezinsinkomen vanaf de eerste referentiemaand gebonden aan de activiteit.

    Woont de bijslagtrekkende buiten het gezin van de rechthebbende, dan stuurt het kinderbijslagfonds bij ontvangst van het brevet een formulier P19sexies aan de bijslagtrekkende. Het onderzoek heeft betrekking op de periode vanaf de eerste dag van de eerste referentiemaand.

    Deze 'eerste' formulieren zijn te beschouwen als aanvraagformulieren. Zendt de bijslagtrekkende het formulier niet terug, dan mag het kinderbijslagfonds ervan uitgaan dat betrokkene geen aanvraag om sociale toeslag wenst te doen.

    Ontvangt het kinderbijslagfonds het aanvraagformulier onvolledig ingevuld terug, dan vraagt het uit eigen beweging de ontbrekende gegevens op. Het kinderbijslagfonds mag overeenkomstig artikel 11 van het handvest van de sociaal verzekerde maar ambtshalve over de aanvraag om sociale toeslag beslissen, als betrokkene geen gevolg geeft aan een rappelbrief waarin het kinderbijslagfonds een tweede keer om de ontbrekende gegevens vraagt.

    2.2. Periodieke opvolging

    2.2.1 Behoud van het recht op sociale toeslag

    2.2.1.1. Kinderen in het gezin

    Ex-werklozen en ex-invaliden

    Voor de gevallen waarin de kinderen in het gezin van de rechthebbende wonen (KB van 26 oktober 2004 - gezinstypes I en II), wordt voorzien in een bijkomende verzending in het midden van het jaar. Voor deze gevallen gebeurt dus een verzending van een formulier P19quater op 15 januari en op 15 juli.

    Met dat formulier vraagt men de inkomens op vanaf de eerste maand die volgt op de laatst gecontroleerde periode. In bepaalde gevallen zullen dus de inkomsten van het laatste kwartaal moeten worden opgevraagd, in andere gevallen de inkomsten van het laatste semester.
    Voorbeeld: Bij de verzending bij het begin van de activiteit zijn de inkomsten tot 31 maart opgevraagd. Bij de periodieke controle op 15 juli 2007 wordt als periode 'van 1 april 2007 tot 30 juni 2007' vermeld. Bij de periodieke controle op 15 januari 2008 wordt als periode 'van 1 juli 2007 tot 31 december 2007' vermeld. De betrokken maanden worden telkens in de tabellen op het formulier afgedrukt.

    Om het risico op onterechte betalingen van de sociale toeslag tot vier maanden te beperken, dient het kinderbijslagfonds in afwachting van de terugzending van het formulier P19quater de provisionele betaling nog voort te zetten voor de maand waarin het formulier verzonden wordt. Drie weken na de verzending, herinnert het kinderbijslagfonds de niet terug ontvangen formulieren. Op die manier heeft het gezin nog drie weken de tijd om op de herinnering te reageren alvorens de betaling van de sociale toeslag wordt geblokkeerd.

    Om onverschuldigde betalingen zoveel mogelijk te vermijden, zal deze semestriële opvolging bovendien samengaan met de responsabilisering van de gezinnen. De Rijksdienst zal daartoe in de loop van de volgende maanden het initiatief nemen om ten behoeve van de sociaal verzekerden een folder op te stellen met een overzicht van hun rechten en plichten. Deze folder zal telkens met de motivering van de beslissing tot behoud van het recht op sociale toeslag tijdens activiteit worden meegestuurd.

    Ook wanneer het gezin het formulier na een herinnering niet terugstuurt, geldt een specifieke procedure. Het gaat om gevallen waarin de rechthebbende in principe werkt en een loon ontvangt. Daar komt bij dat de noodzakelijke inf ormatie over de inkomsten niet via Trivia beschikbaar is.

    Bij gebrek aan een verklaring mag men ervan uit gaan dat de inkomsten van de rechthebbenden werknemers hoger liggen dan het toepasselijke grensbedrag. De provisioneel betaalde sociale toeslag wordt teruggevorderd.

    Bij de verzending op 15 juli geldt bijvoorbeeld de volgende timing.

    • Verzending op 15 juli.
    • Herinnering op 5 augustus.
    • Ontbreekt het formulier nog op 31 augustus, dan volgt de stopzetting van de betaling van de sociale toeslag en de terugvordering van de provisioneel betaalde sociale toeslag. In de debetbrief wordt de aandacht van het gezin erop gevestigd dat de terugvordering kan geannuleerd worden, indien het aantoont dat het gezinsinkomen het toepasselijke grensbedrag niet overschrijdt.

    Ex-gewaarborgde

    Wanneer de bijslagtrekkende in het gezin van de rechthebbende woont, geldt dezelfde procedure als die voor de ex-werklozen en de ex-invaliden, maar uitgaande van de semestriële verzending van het formulier P19quinquies aan de bijslagtrekkende.

    2.2.1.2. Kinderen buiten het gezin

    Ex-werklozen en ex-invaliden

    In de gevallen waar de kinderen buiten het gezin van de rechthebbende wonen (KB van 26 oktober 2004 - gezinstypes III en IV) blijft de bestaande procedure met de jaarlijkse verzending van het formulier P19bis op 15 januari behouden.

    In die gevallen geldt de algemene timing voor de herinnering en de reglementaire voortzetting van de provisionele betaling van de sociale toeslag voor de maand volgend op die waarin de formulieren zijn verzonden (cfr. CO 1330 van 21 mei 2001). Ook bij niet-terugzending van het formulier geldt de algemene procedure ter zake toegelicht in CO 1366 van 16 februari 2007.

    Ex-gewaarborgde

    Wanneer het kind buiten het gezin van de rechthebbende woont, geldt dezelfde procedure als voor die voor de ex-werklozen en ex-invaliden, maar uitgaande van de jaarlijkse verzending van het formulier P19sexies aan de bijslagtrekkende.

    2.2.2. Mogelijk recht op sociale toeslag

    Ex-werklozen, ex-invaliden en ex-gewaarborgde

    De gevallen waarin de rechthebbende vóór de (onderbrekende) activiteit recht had op sociale toeslag, maar tijdens de activiteit niet (meer) voldoet aan de gestelde gezins- en inkomensvoorwaarden, worden tijdens de periode van behoud jaarlijks opgevolgd met een formulier P19ter. Deze procedure geldt insgelijks voor de dossiers waarin het gezin vóór de activiteit gewaarborgde gezinsbijslag ontving, in welk geval het formulier steeds naar de bijslagtrekkende wordt verzonden.

    2.3. Tussentijdse verzendingen

    2.3.1. Behoud van het recht op sociale toeslag

    Ex-werklozen, ex-invaliden en ex-gewaarborgde

    In de volgende situaties gebeurt een tussentijdse of afsluitende verzending van een formulier P19bis of P19quater, P19quinquies of P19sexies naargelang het geval.

    Ter afsluiting van het recht: op het einde van de periode van de gelijkstelling, bij de vaststelling van een onderbreking in de activiteit of bij verandering van rechthebbende.
    Om de betaling van de sociale toeslag onmiddellijk af te stemmen op de gewijzigde gezinssituatie, bij ontvangst van een bericht van wijziging van de gezinssamenstelling (een persoon van wie de gezins- of inkomenssituatie het recht op sociale toeslag kan beïnvloeden, komt in het gezin wonen).

    2.3.2. Mogelijk recht op sociale toeslag

    Ex-werklozen, ex-invaliden en ex-gewaarborgde

    Naast de periodieke opvolging met het formulier P19ter onderzoekt het kinderbijslagfonds uit eigen beweging opnieuw het recht op sociale toeslag in de volgende omstandigheden.

    • Bij ontvangst van een wijziging in de gezinssituatie (een persoon van wie de gezins- of inkomenssituatie het recht op sociale toeslag kan beïnvloeden, heeft het gezin verlaten).
    • Wanneer de kinderen in het gezin van de rechthebbende wonen, bij ontvangst van een bericht waaruit blijkt dat de rechthebbende die tijdens de activiteit niet voldeed aan de gestelde inkomensvoorwaarden opnieuw volledig werkloos (D042) of ziek (D046) is geworden of getroffen is door een arbeidsongeval (D058). Dergelijke wijzigingen laten immers een verlaging van het gezinsinkomen vermoeden.

    D. Vermeldingen op het brevet

    In afwachting van de actualisering van het brevet, dienen de kinderbijslagfondsen bij bevoegdheidsoverdracht, ook bij wijziging van rechthebbende tijdens de 8 kwartalen de gegevens voor de correcte uitvoering van deze maatregelen in de rubriek diversen te vermelden.
    De volgende gegevens zijn onontbeerlijk om de maatregelen correct te kunnen uitvoeren:

    Behoud of opnieuw verkrijgen van sociale toeslag tijdens de activiteit

    • De naam en het INSZ-nummer van de rechthebbende, indien hij/zij niet de actuele rechthebbende is.

    De begindatum van de gelijkstelling.
    Ex-langdurig werkloze, ex-langdurig zieke/invalide of ex-gewaarborgde naargelang het geval.

    Als bijlage 5 gaat een schema voor de verzending van de formulieren P19, P19bis, P19ter, P19quater, P19quinquies en P19sexies.

    E. Statistieken werkhervatting

    Om de effectiviteit van de maatregelen te kunnen evalueren, zullen de kinderbijslagfondsen de Rijksdienst de nodige informatie dienen te bezorgen.

    De richtlijnen ter zake zullen met een aparte dienstbrief worden meegedeeld.

    F. Motivering van de beslissingen inzake het recht op sociale toeslag

    Om de kinderbijslagfondsen ondersteuning te bieden bij motivering van de beslissingen die zij nemen in het licht van de nieuwe maatregelen, heeft de Rijksdienst de modules 12 (geen toeslag) en 12bis (toekenning toeslag werden aangepast).

    De aangepaste versie van die modules gaat als bijlage 6. (NIET OPGENOMEN)

    -----------------------------------------------------------------

    • 1Dat betekent, zoals in het koninklijk besluit van 25 april 1997 dat de bevoegdheid regelt, gelijk welke situatie die een recht doet ontstaan als de rechthebbende een arbeidsovereenkomst gesloten, heeft of onder de toepassing valt van een statuut waardoor hij verbonden is aan een werkgever uit de overheidssector bedoeld in artikel 3 van de Kinderbijslagwet.
    • 2Technisch gezien bepalen de betrokken koninklijke besluiten dat de rechthebbende werknemer gelijkgesteld blijft met een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze of met een invalide in de 7 kwartalen na dat waarin de activiteit begint. Dus blijft de sociale toeslag verworven voor het lopende kwartaal, voor de 7 volgende kwartalen en ook voor een 8e kwartaal door de trimestrialisering, aangezien de rechthebbende recht heeft op de toeslag in de referentiemaand van het 7e kwartaal.
    • 3Die gelijkstelling staat de toekenning van de toeslag 50ter na 6 maanden arbeidsongeschiktheid niet in de weg, op voorwaarde dat aan alle andere voorwaarden voldaan is.
    • 4Het nieuwe mechanisme is van toepassing op een rechthebbende uit wiens hoofde de toeslag betaald werd voor een rechtgevend kind op het moment dat de activiteit werd aangevat. Het feit dat er geen toeslag betaald is, vormt echter geen beletsel voor de toepassing van het nieuwe mechanisme, wanneer dit voortvloeit uit een opschorting van het recht uit hoofde van het kind of het ontbreken van een bijslagtrekkende op het moment dat de activiteit werd aangevat.
    • 5Het niet-betalen van de toeslag vormt echter geen beletslel voor de toepassing van het nieuwe mechanisme wanneer het vortvloeit uit een opschorting van het recht hoofdens het kind.
    • 6Met het oog op het behoud van een parallellisme met de regels voorzien voor de werklozen wordt deze tussenperiode beschouwd als een periode van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 56, KBW.
    • 7Het nieuwe mechanisme is van toepassing op een rechthebbende uit wiens hoofde de toeslag betaald werd voor een rechtgevend kind op het moment dat de activiteit werd aangevat. Het feit dat er geen toeslag betaald is vormt echter geen beletsel voor de toepassing van het nieuwe mechanisme, wanneer dit voortvloeit uit een opschorting van het recht uit hoofde van het kind of het ontbreken van een bijslagtrekkende op het moment dat de activiteit werd aangevat.
    • 8Zie CO 1324 van 22 september 2000, bevestigd door de MO 593 van 3 november 2005.
    Top