CO 681 van 14 mei 1963 - Verantwoordelijkheid van de werkgevers ingeval onjuiste aangifte der arbeidsprestaties ten opzichte van het kinderbijslagfonds (uittreksels)

    Artikel 24 uit Kinderbijslagwet werknemers

    Krachtens het artikel 24 zal een koninklijk besluit de reglementen bepalen die in elk geval bij de statuten moeten gevoegd worden, bij het indienen van het verzoek tot aanneming van een kinderbijslagfonds voor werknemers.

    Het koninklijk besluit van 20 mei 1936 genomen ter uitvoering van de wetsbepalingen voorziet dat de werkgever verplicht is de inlichtingen en documenten te bezorgen die nodig zijn om het recht op de kinderbijslag van de werknemers vast te stellen en het bedrag hiervan te bepalen.

    Het kan evenwel gebeuren dat de werkgever, door nalatigheid, vergissing of bedrog onjuiste inlichtingen verstrekt die voor gevolg hebben dat de kinderbijslag ten onrechte uitgekeerd wordt.

    Aangezien de wetgeving over de kinderbijslag voor werknemers geen bijzondere verantwoordelijkheid voor deze eventualiteit voorziet, is de burgerlijke verantwoordelijkheid van gemeen recht bepaald bij de artikelen 1382 tot 13841 van het burgerlijk wetboek toepasselijk op de werkgever wat betreft de geldelijke gevolgen veroorzaakt door een onjuiste aangifte van de arbeidsprestaties van de werknemers.

    A. Burgerlijke verantwoordelijkheid van de werkgevers

    De betrekkingen tussen de werkgever en zijn kinderbijslagfonds zijn van reglementaire en niet van contractuele aard dit ingevolge het verplichtend karakter van zijn aansluiting.

    Elke daad voortvloeiend uit een nalatigheid, een vergissing of bedrog vanwege de werkgever vormt een fout in zijnen hoofde en zet dus een verantwoordelijkheid niet van contractuele maar van aquilische aard op het spel.

    Krachtens een unanieme rechtsleer en rechtspraak, zijn er drie elementen noodzakelijk om de burgerlijke verantwoordelijkheid van de werkgever te verwezenlijken : de fout, de schade en het oorzakelijkheidsverband tussen de fout en de schade.

    1. De fout.

    Men aanvaardt unaniem dat inzake aquilische verantwoordelijkheid, de ernst van de fout zonder gevolg is.

    "En droit civil, le degré de la faute est sans rapport aucun avec le montant des dommages-intérêts á allouer... L'auteur de la faute la plus minime peut étre condamné á des dommages-intérêts très importants si le préjudice est tel : inversement, celui qui a commis la faute la plus lourde ne peut, á ce titre, être condamné à une somme supérieure au montant du dommage réellement éprouvé. On invoquerait vainement en faveur de la proportion entre la gravité de la faute et la réparation, l'article 1150 du Code civil qui n'est écrit que pour les contrats." (De Page, Traité élémentaire du droit civil, deel III, nr 907, bladzijde 819 en 820 - 2e uitgave.)

    Men moet dus beschouwen dat een onjuiste aangifte van de werkgever, hetzij ingevolge nalatigheid, hetzij bij vergissing, of bedrog in zijnen hoofde een aquilische fout vormt.

    2. De schade.

    Wanneer de onjuiste aangifte voor gevolg heeft een bedrag aan kinderbijslag toe te kennen dat hoger is dan het verschuldigde, vormt het verschil tussen de werkelijk uitgekeerde kinderbijslag en die welke men had moeten uitkeren, indien de aangifte juist geweest ware, de schade en bepaalt hiervan terzelfdertijd het juiste bedrag.

    Wanneer de sociale toestand van de bijslagtrekkende die de kinderbijslag ten onrechte ontvangen heeft een volledige of gedeeltelijke terugvordering veroorlooft, is de schade gelijk aan het verschil tussen de uitgekeerde sommen en die welke konden teruggevorderd worden.

    3. Het oorzakelijkheidsverband.

    In die gevallen, worden de door de kinderbijslagfondsen ten onrechte gedane betalingen, rekening houdend met de administratieve organisatie van het stelsel, onbetwistbaar veroorzaakt door de onjuiste aangifte van de werkgever.

    Inderdaad, de kinderbijslagfondsen beschikken over geen mogelijkheid de juistheid van de aangiften na te gaan alvorens de betalingen te doen.

    B. Toepassingsregels.

    Alvorens in rechte te treden, zullen de kinderbijslagfondsen vooreerst moeten onderzoeken of de terugvordering van de geleden schade niet kan gebeuren door middel van de door de gecoördineerde wetten bepaalde terugvorderingsmogelijkheden, vermits zoals men hiervoor gezien heeft, de schade geheel of gedeeltelijk onbestaand kan worden indien het kinderbijslagfonds de ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag geheel of gedeeltelijk ten laste van de (...) bijslagtrekkende kan terugvorderen (...)2

    (...)

    Wanneer de terugvordering ten laste van de bijslagtrekkende of van de rechthebbende niet verwezenlijkbaar blijkt, worden de kinderbijslagfondsen verzocht zorgvuldig te onderzoeken of de burgerlijke verantwoordelijkheid van de werkgever niet op het spel staat.

    Indien dit het geval is, zullen de kinderbijslagfondsen trachten van hun aangeslotene een minnelijke regeling te bekomen ; is dit niet het geval, dan moeten zij hetzij tot een gerechtelijke actie besluiten, rekening houdend met de belangrijkheid van de schade of de solvabiliteit van hun debiteur, hetzij het onverschuldigde op hun voorzorgsfonds 3 aanrekenen.

    • 1Artikel 1383: "Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt."
      Artikel 1384: "Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.
      De vader en de moeder zijn aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.
      De meesters en zij die anderen aanstellen, voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.
      De onderwijzers en de ambachtslieden, voor de schade door hun leerlingen en leerjongens veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan.
      De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders, onderwijzers en ambachtslieden bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten."
    • 2Zie artikel 1410, Ger. Wetboek.
    • 3Huidig reservefonds (artikel 91, § 5, S.W.K.L.)
    Top