CO 712 van 19 november 1963 - Kinderbijslag uitgekeerd aan verkeerde bijslagtrekkende

    Het gebeurt vaak dat de weldadigheidsinstelling waar het kind geplaatst is haar recht pas na zeer lange tijd bij het bevoegd kinderbijslagfonds doet gelden (soms wel na verscheidene jaren) en zulks zeer waarschijnlijk omdat zijzelf laattijdig de benaming van het betrokken kinderbijslagfonds vernomen heeft.

    Ondertussen heeft het kinderbijslagfonds de kinderbijslag verder uitbetaald zoals vóór de plaatsing hetgeen er, op het ogenblik waarop de nieuwe toestand gekend is, toe leidt enerzijds uitbetalingen over voorbije periodes te verrichten en, anderzijds, terugvorderingen te doen die uiterst moeilijk en onzeker zijn.

    Het art. 1240 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de betaling, te goeder trouw gedaan aan iemand die in het bezit is van de schuldvordering, geldig is, al wordt ook de bezitter naderhand uit dat bezit ontzet. In zijn handleiding over het burgerlijk recht (boek IV, titel V) beschouwt DEKKERS als zijnde in het bezit van de schuldvordering, diegene die algemeen bekend staat als de ware schuldeiser, zelfs indien hij geen geschreven stuk bezit. Hij voegt er aan toe dat het art. 1240 geen onderscheid maakt naargelang de goede of de kwade trouw van de bezitter en dat diegene die de betaling doet zich vrijgemaakt heeft zo hij redelijkerwijze kan denken dat de bezitter de ware eigenaar is.

    DE PAGE (boekdeel III - Hoofdstuk III) ontwikkelt de opvatting dat het art. 1240 van het Burgerlijk Wetboek een uitzondering voorziet op het beginsel van de nietigheid van de betaling gedaan aan een andere persoon dan de schuldeiser. Het artikel 1240 bedoelt een zeer bijzonder geval, dat van de onachtzame schuldeiser die verzuimd heeft zijn recht te doen gelden. DE PAGE geeft het voorbeeld op van de schijnbare erfgenaam die bezit neemt van de erfenis dan wanneer er een nadere erfgenaam bestaat. Dit voorbeeld lijkt een bepaalde analogie te vertonen met de toestand waarvan er in deze brief sprake is.

    Inderdaad, voor het kinderbijslagfonds dat er niet van op de hoogte is dat een kind geplaatst werd, is de enige schuldeiser die het kent, de natuurlijke persoon waarvan er sprake is in het art. 69.

    Zo men bij deze kwestie blijft, wordt men er toe gebracht te besluiten dat de kinderbijslagfondsen, die te goeder trouw het totaal bedrag van de kinderbijslag aan de bij het art. 69 bedoelde natuurlijke persoon betaald hebben omdat hen niet ter kennis werd gebracht dat het kind geplaatst was, moeten beschouwd worden hun uitbetalingen op geldige wijze verricht te hebben en dat zij bijgevolg niet meer kunnen gedwongen worden de 2/3, die aan de instelling toekomen, een tweede maal te betalen. Aangezien luidens de bepalingen van het art. 2268 van het Burgerlijk Wetboek1 de goede trouw steeds vermoed wordt, zou voor de instelling, in de eventualiteit dat zij de kwade trouw vanwege het kinderbijslagfonds niet zou kunnen bewijzen, nog de mogelijkheid overblijven zich tegen de bij het artikel 69 bedoelde natuurlijke persoon te keren om van hem de betaling te eisen van de 2/3 van de kinderbijslag die hij zonder reden zou ontvangen hebben.

    Het kan gebeuren dat de weldadigheidsinstellingen, waar de kinderen geplaatst zijn, van het kinderbijslagfonds de betaling eisen van de 2/3 die hen wettelijk toekomen, dan wanneer het kinderbijslagfonds reeds het totaal bedrag van de kinderbijslag uitbetaald heeft aan de natuurlijke persoon die bijslagtrekkende is.

    In dit geval worden de kinderbijslagfondsen verzocht ten opzichte van de instellingen bemiddelend op te treden door, (...) totdat de rekeningen aangezuiverd zijn, slechts 1/6 van de nog verschuldigde bijslag uit te betalen aan de natuurlijke persoon die bijslagtrekkende is en de overblijvende 5/6 aan de instelling.

    • 1Art. 2268 BW: Goede trouw wordt steeds vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen.
    Top