MO 410 van 14 maart 1983 - Vluchtelingenkinderen opgenomen door werknemers - Art. 51, 4e lid van de SWKL

    Ik heb de eer U mede te delen dat ik, op grond van artikel 51, vierde en vijfde lid1 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd door artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 122 van 30 december 1982, na het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers te hebben ingewonnen, besloten heb dat de werknemer recht heeft op kinderbijslag voor de vluchtelingkinderen die deel uitmaken van zijn gezin.

    Onder vluchtelingkind, dient te worden verstaan ieder kind dat is erkend als vluchteling, door het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties, overeenkomstig de criteria bepaald in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd in België door de wet van 26 juni 1953 (B.S. 4 oktober 1953 en 18 april 1954) en in het Protocol betreffende de status van vluchtelingen opgemaakt te New-York op 31 januari 1967, goedgekeurd in België door de wet van 27 februari 1969 (B.S. 3 mei 1969).

    Deze omzendbrief treedt in werking op 1 april 1983.

    • 1Lezen art. 51, §4 (Artikel 51, vierde lid moet gelezen worden als artikel 51, § 4)
    Top