MO 462 van 7 september 1988 - Art. 51, vierde en vijfde lid van de SWKL - Algemene afwijking

    Door de wijziging van artikel 51, vierde lid1 G.W. door artikel 6, 7°, van het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987 tot wijziging van de kinderbijslagregeling voor werknemers, kan de Minister van Sociale Zaken in behartigenswaardige gevallen of categorieën van gevallen vanaf 1 april 1987 bepalen dat een werknemer ook recht heeft op kinderbijslag voor kinderen die geplaatst zijn in een instelling bedoeld in artikel 70, G.W., en niet vermeld zijn in artikel 51, tweede lid2 , G.W. of niet de aldaar bepaalde voorwaarden vervullen.

    Artikel 64, § 2, B, 1°, G.W., zoals gewijzigd bij voornoemd koninklijk besluit nr. 534 voorziet in een voorrangsrecht in hoofde van de rechthebbende waarmee de bijslagtrekkende voor het derde van de kinderbijslag een huishouden vormt, wanneer het rechtgevend kind in een instelling geplaatst is overeenkomstig artikel 70, G.W. indien in hetzelfde gezin er geen andere voorrangsgerechtigde rechthebbende is.

    Ik heb de eer U mede te delen dat ik, krachtens het bovenbedoelde artikel 51, vierde en vijfde lid, en op advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag Voor werknemers, besloten heb de kinderbijslag bij algemene afwijking toe te kennen ten behoeve van de kinderen die geplaatst zijn in een instelling overeenkomstig artikel 70, G.W. in hoofde van de werknemer of werkneemster die een huishouden vormt met de ouder of stiefouder die bijslagtrekkende is voor het derde van de kinderbijslag.

    De werknemer of werkneemster dient echter een huishouden te blijven vormen met deze bijslagtrekkende.

    Deze algemene afwijking is van toepassing vanaf 1 mei 1988.

    • 1Lezen artikel 51, § 4.
    • 2Lezen artikel 51, § 3.
    Top