Vlaanderen

10 maart 1964 - Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden waaraan een mindervalide kind moet voldoen om de kinderbijslag te genieten bij toepassing van artikel 47 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers (BS 20.3.1964)

Opgeheven vanaf 1.12.1987 - K.B. van 12.11.1987, art. 6 (B.S. 21.11.1987).

---------------- Dit besluit is enkel nog van toepassing voor de gehandicapte kinderen die reeds tenminste eenentwintig jaar oud zijn vóór 1.7.1987.

---------------- Artikel 1. De minder-valide kinderen bedoeld bij artikel 47 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers zijn gerechtigd op de bij dat artikel bepaalde kinderbijslag, als zij voldoen aan de voorwaarden, welke bij dit besluit worden vastgesteld.

Art. 2. § 1. Het kind moet voor ten minste 66 pct. getroffen zijn door een ontoereikendheid of een vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen.

De ontoereikendheid of de vermindering van deze geschiktheid wordt vastgesteld volgens de "Officiële Belgische schaal tot vaststelling van de graad van invaliditeit", goedgekeurd bij het besluit van de Regent van 12 februari 1946.

Indien het minder-valide kind getroffen is door meer dan één aandoening, wordt zijn ontoereikendheid of vermindering van geschiktheid berekend overeenkomstig de bij voormelde medische handleiding voorgeschreven berekeningswijze voor verscheidene aandoeningen.

Het kind dat in toepassing van artikel 63 van de voornoemde samengeordende wetten ongeschikt erkend wordt om enig beroep uit te oefenen wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde vastgesteld bij lid 1.

§2. De ontoereikendheid of de vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid wordt vastgesteld zoals bepaald bij artikel 63, laatste lid, van voormelde samengeordende wetten.

Art. 3. Het minder-valide kind moet de toekenningsvoorwaarden vervullen die voorzien zijn bij of krachtens artikel 62, de leeftijdsgrens bepaald in §§ 2 en 3 uitgezonderd, of bij artikel 63 der voormelde samengeordende wetten. (1) (2)

Art. 4. De bij artikel 2 bepaalde ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid moet een aanvang hebben genomen vooraleer het minder-valide kind, wegens het bereiken van de bij of krachtens voormelde samengeordende wetten bepaalde leeftijdsgrens, heeft opgehouden rechtgevend op kinderbijslag te zijn.

Art. 5. De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op de minder-validen wier activiteit aanleiding geeft tot verzekeringsplicht ingevolge één der regelingen van sociale zekerheid, behoudens als het gaat om minder-validen tewerkgesteld door een beschutte werkplaats, die bedoeld wordt in artikel 3, eerste lid, 2°, b, van de voornoemde samengeordende wetten, gewijzigd bij de wet van 28 maart 1975, of om minder-validen verbonden door een leerovereenkomst, bedoeld in artikel 62, § 2, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 7 van 18 april 1967, bij de wet van 20 juli 1971 en aangevuld bij het koninklijk besluit van 13 januari 1975 (3).

Art. 6. Dit besluit treedt in werking op 1 april 1964.

(...)

---------------- (1) Gewijzigd door het K.B. van 24.12.1965, art. 1 (B.S. 30.12.1965), met ingang van 1.7.1965. (2) Gewijzigd door het K.B. van 4.7.1969, art. 2 (B.S. 12.7.1969), met ingang van 1.7.1969. (3) Gewijzigd door het K.B. van 3.7.1975, art. 2 (B.S. 2.9.1975), met ingang van 1.10.1975.

Opgeheven vanaf 1.12.1987 - KB van 12.11.1987, art. 6 (BS 21.11.1987). Nog van toepassing voor de gehandicapte kinderen die reeds tenminste eenentwintig jaar oud zijn vóór 1.7.1987.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top