12 juni 1989 - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 71, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (BS 30.6.1989)

    I. Inleidende bepalingen.

    Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

    a) "samengeordende wetten": de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;

    b) "instellingen": de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, de op grond van de samengeordende wetten erkende kinderbijslagfondsen of de op grond van artikel 31 en 32 van de samengeordende wetten opgerichte bijzondere fondsen, de Staat en de overheidsinstellingen die er wettelijk toe verplicht zijn zelf de kinderbijslag uit te keren aan hun personeel;

    c) "brevet van rechthebbende": het document waarvan het gebruik verplicht is gesteld door het ministerieel besluit getroffen ter uitvoering van artikel 71, § 3, van de samengeordende wetten.

    d) "referentiemaand": de maand op grond waarvan de gezinsbijslag is verschuldigd ingevolge artikel 54, § 2, van de samengeordende wetten of de maand vanaf welke gezinsbijslag is verschuldigd ingevolge artikel 54, § 1, van dezelfde wetten. (1)

    Art. 2. § 1. Instellingen die een aanvraag om kinderbijslag ontvangen zijn verplicht het recht op kinderbijslag zo spoedig mogelijk te onderzoeken.

    § 2. Die instellingen dienen de gezinsbijslagen provisioneel te betalen, met name in de hierna opgesomde gevallen en volgens de in dit besluit opgelegde regels, voor in België verblijvende rechtgevende kinderen.

    Art. 3. § 1. Een instelling die niet langer bevoegd is zonder dat daarom het recht op kinderbijslag is vervallen, dient dadelijk de reden daarvan mede te delen aan de persoon die conform de artikelen 69 en 70 van de samengeordende wetten de bijslagtrekkende is, aan de hand van een door de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bepaald formulier. Zij doet tegelijkertijd al het nodige met het oog op de provisionele uitkering van de kinderbijslag.

    § 2. Het voordeel van de provisionele uitkering wordt in de artikelen 4, 5, 6, § 2, 7 en 8 bedoelde gevallen verleend voor de duur van het onderzoek naar het recht op kinderbijslag. Die uitkering is evenwel beperkt tot de in artikel 6, § 1 (2) en in artikel 9 bepaalde periodes, in de aldaar bedoelde gevallen.

    Zo tijdens de in deze paragraaf bepaalde periodes achtereenvolgens verschillende instellingen bevoegd zijn inzake het recht op provisionele uitkering van de kinderbijslag, gaat de instelling die het eerst niet langer bevoegd was door met de uitkeringen, met de medewerking van de andere instellingen.

    § 3. De kinderbijslag wordt provisioneel toegekend aan het in artikel 40 van de samengeordende wetten bepaalde bedrag, eventueel verhoogd met de in artikel 44 van dezelfde wetten bepaalde bijslagen ; de in de artikelen 42bis, 47 en 50ter bepaalde bijslagen en het bedrag bepaald in artikel 50bis van dezelfde wetten, kunnen worden verleend wanneer het recht op het voordeel van deze uitkering is vastgesteld (3).

    § 4. De provisionele uitkering van de kinderbijslag:

    - wordt stopgezet bij verval van het recht op kinderbijslag of wanneer de bevoegde instelling het recht heeft onderzocht ; in het laatste geval dienen de betrokken instellingen in overleg met elkaar maatregelen te nemen om te voorkomen dat bij verandering van instelling de maandelijkse uitkering van de kinderbijslag wordt onderbroken;

    - wordt geschorst zo het onderzoek naar het recht op kinderbijslag vertraging oploopt door verzuim vanwege de aanvrager van de kinderbijslag.


    II. Voorlopige uitkering bij de vaststelling van een eerste recht

    Art. 4. § 1. Een instelling die een aanvraag ontvangt voor de vaststelling van een eerste recht van een rechthebbende, is verplicht provisioneel gezinsbijslagen te betalen zo zij in het bezit is:

    - van een aanvraag waarvan het model bepaald is door de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers ;

    - van een uittreksel uit het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister, of van een identificatiefiche bedoeld bij artikel 173quinquies van de samengeordende wetten waarop de samenstelling van het gezin waarvan de op kinderbijslag rechtgevende kinderen deel uitmaken is vermeld (4).

    § 2. Zo uit de ingezamelde gegevens blijkt dat de instelling niet bevoegd is, dient zij dadelijk de aanvraag en de reeds ontvangen documenten door te sturen naar de bevoegde instelling, zonder dat zij daarom ontslagen is van de in artikel 3, § 2, bepaalde verplichtingen, tenzij met de instemming van de bevoegde instelling voor zover deze laatste in staat is te voorkomen dat de maandelijkse uitkering van de kinderbijslag wordt onderbroken.


    III. Doorbetaling van de kinderbijslag voor dezelfde instelling

    A. Doorbetaling bij verandering van rechthebbende.

    Art. 5. Bij verandering van rechthebbende en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 9, gaan de instellingen door met het provisioneel betalen van gezinsbijslagen uit hoofde van hun rechthebbende.

    Zij dienen hetzelfde te doen wanneer een voorrangsrecht moet worden vastgesteld uit hoofde van een andere rechthebbende die ook rechten kan doen gelden bij hen.


    B. Doorbetaling uit hoofde van dezelfde rechthebbende.

    Art. 6. § 1. Indien de bewijsstukken betreffende de tewerkstelling, de ingevolge artikel 53 van de samengeordende wetten daarmede gelijkgestelde situaties of de al dan niet vergoede tijdelijke werkloosheid, bedoeld in artikel 56novies van dezelfde wetten voor de referentiemaand van een kalenderkwartaal ontbreken dan wel onvolledig zijn, betaalt de instelling de kinderbijslag provisioneel door, over het volgend kalenderkwartaal.

    Indien de bewijsstukken betreffende de situaties van toekenning bedoeld in de artikelen 56 of 56octies van de samengeordende wetten of betreffende de al dan niet vergoede volledige werkloosheid, bedoeld in artikel 56novies van dezelfde wetten voor de referentiemaand van een kalenderkwartaal ontbreken dan wel onvolledig zijn, betaalt de instelling de kinderbijslag provisioneel door, over de eerste maand van het volgend kalenderkwartaal. (5)

    § 2. Zo een rechthebbende van werkgever verandert, dienen de instelling die niet langer bevoegd is en die waarop de bevoegdheid overgaat dadelijk in overleg met elkaar het nodige te doen om te voorkomen dat de maandelijkse uitkeringen worden onderbroken eventueel na raadpleging van de werknemer.

    Intussen keert de instelling die niet langer bevoegd is provisioneel de kinderbijslag uit, tot wanneer het nieuwe recht is vastgesteld. (6)

    Art. 7. Wanneer een instelling verneemt dat een rechthebbende gepensioneerd is, betaalt zij verder provisioneel de gezinsbijslagen : zij doet een onderzoek naar het recht op gezinsbijslagen en gaat na of er een recht bestaat op kinderbijslag op grond van artikel 57 van de samengeordende wetten.


    C. Doorbetaling bij overlijden.

    Art. 8. Bij overlijden van één van de ouders van een rechtgevend kind gaat de instelling die de gezinsbijslagen verleende op het tijdstip van het overlijden daarmee door, op voorwaarde dat zij in het bezit is van een uittreksel uit de overlijdensakte van deze ouder, of van een identificatiefiche bedoeld bij artikel 173quinquies van de samengeordende wetten waarin het overlijden van deze ouder vermeld is in afwachting van de vaststelling van de wezenbijslag door haarzelf of door de instelling waarop de bevoegdheid is overgegaan ; indien de voormelde instelling evenwel niet de instelling is van een van de ouders, keert zij alleen uit op voorwaarde dat de persoon uit hoofde van wie de kinderbijslag op het tijdstip van het overlijden werd verleend, zijn hoedanigheid van rechthebbende behoudt. (7)


    D. Doorbetaling wanneer periodieke formulieren ontbreken.

    Art. 9. De instelling keert verder provisioneel de kinderbijslag uit over de kalendermaand na die waarin zij om periodieke formulieren heeft verzocht die de hoedanigheid van rechtgevend kind, bijslagtrekkende of rechthebbende moeten bevestigen. (8)


    IV. Algemene bepalingen.

    Art. 10. In geval van geschil over de toepasselijke wetgeving of over de bevoegdheid van de instelling die de gezinsbijslag moet toekennen, betaalt de instelling die op dat ogenblik de gezinbijslag uitkeert of, zo er nog geen gezinsbijslag wordt uitgekeerd, de instelling waarbij de aanvraag om gezinsbijslag het eerst is ingediend, provisioneel gezinsbijslag totdat het geschil is beslecht. (9)

    Voor de toepassing van dit artikel worden de instellingen van de kinderbijslagregeling voor zelfstandigen gelijkgesteld met de in artikel 1, b), bedoelde instellingen.

    Art. 11. De instelling die een aanvraag om gezinsbijslag ontvangt en vaststelt dat die uitkeringen niet meer werden betaald ingevolge artikel 71, § 1 van de samengeordende wetten, is ertoe gehouden het bepaalde in artikel 4 van dit besluit toe te passen. (10)

    Art. 12. Zo een instelling op grond van dit besluit provisioneel gezinsbijslagen heeft betaald in de plaats van een andere instelling, vindt tussen deze instellingen regularisatie plaats, tenzij het gaat om gezinsbijslagen betaald door of voor rekening van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, van kinderbijslagfondsen erkend krachtens de samengeordende wetten en van de bijzondere kinderbijslagfondsen opgericht krachtens artikel 31 van de samengeordende wetten.

    Art. 13. Het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 71, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders wordt opgeheven.

    Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 1989.


    ------------------
    (1) Aangevuld door het K.B. van 12.3.1990, art. 1 (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990.
    (2) Aldus gewijzigd door het K.B. van 12.3.1990, art. 2, 1° (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990.
    (3) Aldus vervangen door het K.B. van 12.3.1990, art. 2, 2° (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990.
    (4) Aldus gewijzigd door het K.B. van 17.12.1992, art. 3 (B.S. 22.1.1993), van kracht vanaf 1.7.1993.
    (5) Aldus vervangen door het K.B. van 12.3.1990, art. 3, 1° (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990 en gewijzigd door het K.B. van 12.12.1990, art. 1 (B.S. 23.1.1991); vervangen door het KB van 10.06.2001, art. 4 (B.S. 31.7.2001), van kracht vanaf 1.1.2003 (datum als bepaald door het KB van 05.11.2002, art. 1 - B.S. 20.11.2002 - van kracht vanaf 1.1.2003).
    (6) Aldus gewijzigd door het K.B. van 12.3.1990, art. 3, 2° en 3° (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990.
    (7) Aldus gewijzigd door het K.B. van 12.3.1990, art. 4 (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990 en door het K.B. van 17.12.1992, art. 4 (B.S. 22.1.1993), van kracht vanaf 1.7.1993.
    (8) Aldus gewijzigd door het K.B. van 12.3.1990, art. 5 (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990.
    (9) Aldus gewijzigd door het K.B. van 12.3.1990, art. 6 (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990.
    (10) Aldus gewijzigd door het K.B. van 12.3.1990, art. 7 (B.S. 7.4.1990), van kracht vanaf 1.4.1990.

    Datum van publicatie
    Datum van afkondiging
    Top