26 juni 1987 - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 119bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (BS 10.7.1987)

    Artikel 1. De kinderbijslaginstellingen kunnen afzien van het navorderen van de hun verschuldigde sommen wegens bijdragen of onverschuldigde betaalde uitkeringen, van inschulden wegens gerechtskosten en van inschulden wegens bijdrageopslagen en/of nalatigheidsintresten, door middel van een gerechtelijke procedure wanneer hun inschuld minder bedraagt dan 500 euro. (1)

    Art. 2. De kinderbijslaginstellingen kunnen afzien van de invordering door gedwongen tenuitvoerlegging van de hun verschuldigde sommen wegens bijdragen of onverschuldigd betaalde uitkeringen, van inschulden wegens gerechtskosten en van inschulden wegens bijdrageopslagen en/of nalatigheidsintrest, wanneer hun inschuld minder dan 620 euro bedraagt.

    Wanneer hun inschuld minder dan 620 euro bedraagt, kunnen de kinderbijslaginstellingen eveneens verzaken de curator over het faillissement van hun schuldenaar in toelating te dagvaarden. (2)

    Art. 3. De kinderbijslaginstellingen kunnen afzien van de gedwongen tenuitvoerlegging door derdenbeslag op lonen, wanneer het maandelijks loon van hun schuldenaar het in artikel 1409, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde bedrag niet overschrijdt, of indien hun inschuld enkel bestaat uit bijdrageopslagen en nalatigheids- intrest. (3)

    Art. 4. De kinderbijslaginstellingen kunnen afzien van gerechtelijke vervolging en van gedwongen uitvoering ten laste van een in het buitenland gevestigde schuldenaar die in België geen enkel voor beslag vatbaar goed bezit. (4)

    Art. 5. De kinderbijslaginstellingen kunnen afzien van de gedwongen tenuitvoerlegging, wanneer de waarde van de goederen waarop beslag is gelegd, onvoldoende blijkt tot het dekken van de kosten welke verbonden zijn aan het voortzetten van de procedure.

    Art. 6. Op voorwaarde dat de terugvordering door inhouding op later verschuldigde bijslag niet mogelijk is en voor zover hun inschuld minder bedraagt dan 25 euro, kunnen de kinderbijslaginstellingen afzien van de terugvordering van de hun verschuldigde sommen, bedoeld in artikel 1. (5)

    Art. 7. Het koninklijk besluit van 9 juli 1970 gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 maart 1979 wordt opgeheven.

    Art. 8. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 1987.

    -----------------
    (1) Aldus gewijzigd door het K.B. van 13.3.2001, art. 1 (B.S. 7.4.2001), met uitwerking vanaf 17.4.2001, tot 31 december 2001 geldt in plaats van het bedrag 500 euro het bedrag 20 000 frank (aldus bepaald door het K.B. van 13.3.2001, art. 4, B.S. 7.4.2001, met uitwerking vanaf 17.4.2001).
    (2) Aldus gewijzigd door het K.B. van 13.3.2001, art. 2 (B.S. 7.4.2001), met uitwerking vanaf 17.4.2001, tot 31 december 2001 geldt in plaats van het bedrag 620 euro het bedrag 25 000 frank (aldus bepaald door het K.B. van 13.3.2001, art. 4, B.S. 7.4.2001, met uitwerking vanaf 17.4.2001).
    (3) Aldus gewijzigd door het K.B. van 17.12.1992, art. 1 (B.S. 5.2.1993), met uitwerking vanaf 1.1.1990.
    (4) Vervangen bij art. 1 K.B. 5 augustus 2006, art. 2, (B.S., 22 september 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 1 oktober 2006.
    (5) Aldus gewijzigd door het K.B. van 13.3.2001, art. 3 (B.S. 7.4.2001), met uitwerking vanaf 17.4.2001, tot 31 december 2001 geldt in plaats van het bedrag 25 euro het bedrag 1 000 frank (aldus bepaald door het K.B. van 13.3.2001, art. 4, B.S. 7.4.2001, met uitwerking vanaf 17.4.2001).

    Datum van publicatie
    Datum van afkondiging
    Top