Vlaanderen

28 maart 2003 - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002 (BS 23.4.2003)

HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden begrepen onder:

1°"samengeordende wetten": de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;

2°"Minister": de Minister van Sociale Zaken;

3°"Dienst": de Bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;

4°"Medische Dienst": de medische dienst van de Bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;

5°"instelling": de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, de kinderbijslagfondsen, erkend of opgericht krachtens de samengeordende wetten, het Rijk, de Gemeenschappen en de Gewesten, en de openbare instellingen bedoeld in artikel 3, 2° van de samengeordende wetten, die in uitvoering van artikel 18 van de samengeordende wetten gehouden zijn zelf kinderbijslag uit te betalen voor hun personeel;

6°"koninklijk besluit van 3 mei 1991": het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.

 

HOOFDSTUK II. - Overgangsregeling ten aanzien van de kinderen geboren uiterlijk op 31 december 1992. - Uitvoering van de artikelen 47, § 1, 56septies, § 1, en 63, § 1, van de samengeordende wetten.

Art. 2. De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, bedoeld in de artikelen 56septies, § 1 en 63, § 1, van de samengeordende wetten, en de zelfredzaamheid van het kind, bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten worden vastgesteld overeenkomstig de regels bepaald in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.

Art. 3. § 1. Ten behoeve van het kind dat bedoeld is in artikel 63, § 1, van de samengeordende wetten en getroffen is door een overeenkomstig de regels van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vastgestelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, worden de bedragen bedoeld in artikel 40 of 50bis van dezelfde wetten verhoogd met de bijslag bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten, onder de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.

§ 2. De bijslag bedoeld in § 1 wordt op de wijze zoals bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 toegekend naargelang de graad van zelfredzaamheid.

Art. 4. Het kind, dat bedoeld is in artikel 56septies, § 1, van de samengeordende wetten en getroffen is door een bij toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vastgestelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, is rechthebbend op kinderbijslag voor zichzelf volgens de voorwaarden, de regels en de bedragen bepaald in artikel 13 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.

Art. 5. Voor de toepassing van artikel 63, § 1, van de samengeordende wetten moet het kind getroffen zijn door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, vastgesteld overeenkomstig de regels bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991. Deze ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 62 van dezelfde wetten bepaalde leeftijdsgrens heeft opgehouden rechtgevend te zijn op kinderbijslag.

Art. 5bis. Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op kinderen waarvoor een beslissing voorafgaand aan 1 mei 2009 ingevolge een aanvraag ingediend voor deze datum of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is voor dezelfde datum, uitwerking heeft op 1 mei 2009. Bij de eerste herziening na 30 april 2009 ingevolge een aanvraag tot herziening of ambtshalve herziening is :

a) voor de periode tot 30 april 2009, dit hoofdstuk van toepassing;

b) voor de periode na 30 april 2009 hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit van toepassing.

 

HOOFDSTUK III. - Uitvoering van de artikelen 47, § 2, 56septies, §§ 2 en 3, en 63, §§ 2 en 3, van de samengeordende wetten.

Afdeling I. - Uitvoering van de artikelen 47, § 2, eerste lid, 56septies, § 2 en 63, § 2 van de samengeordende wetten

Art. 6. § 1. De gevolgen van de aandoening van het kind, bedoeld in de artikelen 47, § 2, 56septies, § 2 en 63, § 2 van de samengeordende wetten, bestaan uit de hiernavolgende pijlers:

1° pijler 1 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind;

2° pijler 2 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de activiteit en de participatie van het kind;

3° pijler 3 behelst de gevolgen van de aandoening voor de familiale omgeving van het kind.

§ 2. De gevolgen bedoeld in § 1 worden vastgesteld aan de hand van de als bijlage 1 bij dit besluit gevoegde medisch-sociale schaal.

1° In pijler 1 worden, naargelang het percentage lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, vastgesteld overeenkomstig artikel 7, op de volgende wijze punten toegekend : lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid - 0 % tot 24 %: 0 punten - 25 % tot 49 %: 1 punt - 50 % tot 65 %: 2 punten - 66 % tot 79 %: 4 punten - 80 % tot 100 %: 6 punten

2° Pijler 2 bestaat uit de hiernavolgende functionele categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria: a. leren, opleiding en sociale integratie; b. communicatie; c. mobiliteit en verplaatsing; d. zelfverzorging.

Voor de totalisatie van de punten in pijler 2 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de vier functionele categorieën, samengeteld. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten 12.

3° Pijler 3 bestaat uit de hiernavolgende categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria: a. opvolging van de behandeling thuis; b. verplaatsing voor medisch toezicht en behandeling; c. aanpassing van het leefmilieu en leefwijze.

Voor de totalisatie van de punten in pijler 3 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de drie categorieën, samengeteld en wordt het aldus berekende aantal punten vermenigvuldigd met twee. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten, na vermenigvuldiging met twee, 18.

4° Het eindresultaat van de vaststelling van de gevolgen van de aandoening wordt bekomen door samentelling van de getotaliseerde punten van elke pijler en bedraagt maximaal 36 punten.

§ 3. Voor de toepassing van de artikelen 56septies, § 2 en 63, § 2 worden de gevolgen van de aandoening van het kind in aanmerking genomen indien het kind als eindresultaat, bedoeld in § 2, 4°, minimum 6 punten behaalt of indien het kind in pijler 1, bedoeld in § 2, 1°, minimum 4 punten behaalt.

Art. 7. § 1. De vaststelling van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, bedoeld in artikel 6, gebeurt:

1° aan de hand van de "Lijst van pediatrische aandoeningen" opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit; 2° aan de hand van de "Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit", goedgekeurd bij Regentbesluit van 12 februari 1946, met uitzondering van het voorwoord.

De onder 1° bedoelde Lijst bevat een limitatieve opsomming van aandoeningen. De Koning kan ze aanvullen.

De onder 2° bedoelde Schaal wordt aangewend voor alle aandoeningen of functies die niet in de Lijst zijn opgenomen, alsook voor die aandoeningen van de Lijst die verwijzen naar een artikel van deze Schaal.

Bij de evaluatie heeft de Lijst voorrang op het gebruik van de Schaal. Dit betekent dat de criteria en de ongeschiktheidpercentages die sommige nummers van de Lijst vermelden, imperatief moeten opgevolgd worden.

§ 2. Voor het gebruik van de Lijst en de Schaal, bedoeld in § 1, gelden de volgende regels:

1° In geval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschiktheidpercentage berekend op de volgende wijze. In het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich meebrengt, wordt het ongeschiktheidpercentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening en voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalend orde van het werkelijk ongeschiktheidpercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten.

2° Een rationele ramingswijze wordt toegepast indien één lidmaat of functie aangetast is door verschillende ongeschiktheden en wanneer de berekening bedoeld in 1° tot een hoger percentage leidt dan het totale verlies van het betrokken lidmaat of de functie: het ongeschiktheidpercentage kan het percentage voorzien voor het totaal verlies van het desbetreffende lidmaat of functie nooit overschrijden.

3° De Lijst en de Schaal zijn bindend of indicatief naargelang zij een vast percentage aanduiden dan wel ruimte laten bij de evaluatie. Nochtans blijven zij in dit laatste geval bindend voor de minimale en maximale percentages.

Art. 8. § 1. Ten behoeve van het kind bedoeld in artikel 63, § 2, van de samengeordende wetten, dat een aandoening heeft die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3, worden de bedragen bedoeld in artikel 40 of 50bis van de samengeordende wetten verhoogd met de bijslag bedoeld in artikel 47, § 2, van dezelfde wetten, onder de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.

Voor de toepassing van het eerste lid moeten de in artikel 12, 2°,van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vermelde woorden "de in artikel 2 vermelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben" gelezen worden als "de gevolgen van de aandoening zoals bedoeld in artikel 6, § 3 van het huidige besluit moeten een aanvang genomen hebben".

§ 2. De bijslag bedoeld in artikel 47, § 2, van de samengeordende wetten, wordt toegekend naargelang de ernst van de gevolgen van de aandoening.

Indien het kind als eindresultaat bedoeld in artikel 6, § 2, 4° minimum 6 punten behaalt, worden de volgende bedragen toegekend:

- 79,91 EUR indien het kind minimum 6 punten en maximum 8 punten behaalt; - 186,47 EUR indien het kind minimum 9 punten en maximum 11 punten behaalt; - 307,81 EUR indien het kind minimum 12 punten en maximum 14 punten behaalt; - 350 EUR indien het kind minimum 15 punten en maximum 17 punten behaalt; - 375 EUR indien het kind minimum 18 punten en maximum 20 punten behaalt; - 400 EUR indien het kind meer dan 20 punten behaalt.

In afwijking van het tweede lid, wordt het bedrag van 60 EUR toegekend indien het kind minimum 4 punten behaalt in pijler 1 bedoeld in artikel 6, § 2, 1°.

In afwijking van het tweede en het derde lid, wordt het bedrag van 307,81 EUR eveneens toegekend indien het kind minimum 4 punten behaalt in pijler 1 bedoeld in artikel 6, § 2, 1° en bovendien minimum 6 punten en maximum 11 punten behaalt als eindresultaat bedoeld in artikel 6, § 2, 4°.

Art. 9. Het kind bedoeld in artikel 56septies, § 2, van de samengeordende wetten, dat een aandoening heeft die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3, is rechthebbend op kinderbijslag voor zichzelf volgens de voorwaarden, de regels en de bedragen bepaald in artikel 13 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.

Voor de toepassing van het eerste lid dienen de in artikel 13, § 3, van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 vermelde woorden "De in § 1 bedoelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben" gelezen te worden als "De gevolgen van de aandoening zoals bedoeld in artikel 6, § 3, van dit besluit moeten een aanvang genomen hebben".

Art. 10. Voor de toepassing van artikel 63, § 2, van de samengeordende wetten moet het kind een aandoening hebben die gevolgen heeft zoals bedoeld in artikel 6, § 3. Deze gevolgen moeten een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 62 van dezelfde wetten bepaalde leeftijdsgrens heeft opgehouden rechtgevend te zijn op kinderbijslag.

Art. 10bis.  Deze afdeling is van toepassing onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II.

Afdeling II. - Uitwerking van de nieuwe beslissingen.

Art. 11. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden begrepen onder:

1° "de oude regeling: de artikelen 47, § 1, 56septies, § 1 en 63, § 1, van de samengeordende wetten en hoofdstuk II van dit besluit;

2° "de nieuwe regeling": de artikelen 47, § 2, eerste lid, 56septies, § 2 en 63, § 2, van de samengeordende wetten en hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit;

3° "de dubbele evaluatie": de vaststelling van enerzijds de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in hoofdstuk II van dit besluit, en anderzijds de gevolgen van de aandoening, bedoeld in hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit, voor eenzelfde periode;

4° "de geneesheer": de geneesheer bedoeld in artikel 20, eerste lid;

5° "voordeliger": indien de toepassing van de oude regeling de toekenning van een hoger bedrag meebrengt voor het kind dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de nieuwe regeling of indien enkel de toepassing van de oude regeling een recht tot stand brengt voor het kind.

Onderafdeling I. - Kinderen geboren na 31 december 1992 en uiterlijk op 1 januari 1996.

Art. 11bis. Voor de nieuwe aanvragen die ingediend worden vanaf 1 januari 2007 en voor de aanvragen en ambtshalve herzieningen die volgen op de nieuwe aanvraag moet voor de periode vanaf 1 mei 2003 toepassing gemaakt worden van de nieuwe regeling. Wat de periode vóór 1 mei 2003 betreft, wordt toepassing gemaakt van de regels die bedoeld zijn in de artikelen 2, 3, 4, 12, 13 en 14 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.

Met " nieuwe aanvragen " wordt bedoeld, de aanvragen die ingediend worden na 31 december 2006 op een datum dat er geen uitwerking is van een vorige beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 januari 2007.

Art. 11ter. Indien een medische beslissing, ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 januari 2007, aanleiding geeft tot een herzieningsaanvraag, verricht de geneesheer :

a) voor de periode vóór 1 mei 2003 een evaluatie van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in hoofdstuk II van dit besluit;

b) voor de periode vanaf 1 mei 2003 een evaluatie van de gevolgen van de aandoening, bedoeld in hoofdstuk III, afdeling I, van dit besluit.

Telkens op grond van deze evaluaties een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.

Art. 11quater. Indien een medische beslissing, ingevolge een aanvraag ingediend voor 1 januari 2007 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is voor 1 januari 2007, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste uitwerking heeft op 1 januari 2007, verricht de geneesheer een evaluatie, in afwijking van artikel 23, vierde lid met een terugwerkende kracht van vijf jaar, welke ingaat de eerste dag van het trimester in de loop waarvan deze medische beslissing ten einde loopt. Deze evaluatie wordt verricht :

a) overeenkomstig de oude regeling voor de periode voor 1 mei 2003;

b) overeenkomstig de nieuwe regeling voor de periode vanaf 1 mei 2003.

Telkens een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.

Op de latere ambtshalve herzieningen is artikel 23, vierde lid van toepassing.

Onderafdeling II. - Kinderen geboren na 1 januari 1996. Uitvoering van de artikelen 47, § 2, vijfde lid, 56septies, § 3, en 63, § 3, van de samengeordende wetten.

Art. 12. Voor de toepassing van de artikelen 47, § 2, vijfde lid, 56septies, § 3 en 63, § 3, van de samengeordende wetten geniet het kind dat geboren is na 1 januari 1996 de kinderbijslag bedoeld in de artikelen 56septies en 63 van dezelfde wetten en de bijslag bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten, bij toepassing van de oude regeling, onder de voorwaarden bepaald in deze onderafdeling.

Art. 13. Voor de nieuwe aanvragen die ingediend worden vanaf 1 mei 2003 voor de kinderen geboren na 1 januari 1996 en voor de aanvragen en ambtshalve herzieningen die volgen op de nieuwe aanvraag moet voor de periode vanaf 1 mei 2003 toepassing gemaakt worden van de nieuwe regeling. Wat de periode vóór 1 mei 2003 betreft wordt toepassing gemaakt van de regels die bedoeld zijn in de artikelen 2, 3, 4, 12, 13 en 14 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.

Met "nieuwe aanvragen" wordt bedoeld, de aanvragen die ingediend worden na 30 april 2003 op een datum dat er geen uitwerking is van een vorige beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, voorzover deze aanvragen niet bedoeld zijn in artikel 15, § 3, of niet resulteren in een in artikel 17, eerste lid, bedoelde beslissing waarvoor toepassing gemaakt wordt van artikel 15, § 3. Indien evenwel door een gerechtelijke uitspraak, die betrekking heeft op een beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, een beslissing tot stand komt met uitwerking voor de periode waarin de datum van de aanvraag ingediend na 30 april 2003 valt, wordt deze laatste aanvraag niet beschouwd als een nieuwe aanvraag. In dit geval is artikel 16 van toepassing.

Art. 14. § 1. Indien een medische beslissing aangaande een kind geboren na 1 januari 1996 en ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste op 1 mei 2003 uitwerking heeft, wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van dit artikel voor deze laatste ambtshalve herziening.

§ 2. Voor de in § 1 bedoelde laatste ambtshalve herziening verricht de geneesheer de dubbele evaluatie voor wat de periode vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1 betreft.

De instelling past de oude regeling op voorwaarde dat de toepassing van deze regeling op de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1 voordeliger is voor het kind dan de toepassing van de nieuwe regeling. De instelling mag evenwel de oude regeling slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in § 1.

§ 3. In afwijking van artikel 23, derde lid, heeft de ambtshalve herziening bedoeld in § 2, eerste lid, een retroactieve werking van drie jaar, te rekenen vanaf de einddatum van de medische beslissing bedoeld in § 1, zonder dat deze ambtshalve herziening uitwerking mag hebben vóór 1 mei 2003. Voor de retroactieve periode doet de geneesheer enkel de vaststelling bedoeld in artikel 6 en past de instelling de nieuwe regeling toe indien de toepassing ervan een hoger bedrag oplevert voor het kind dan het bedrag dat het kind reeds genoot, en dit telkens dit het geval is tijdens deze periode.

Art. 15. § 1. Voor de medische beslissingen, die genomen worden na de medische beslissing voortvloeiend uit de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van dit artikel.

§ 2. Indien de medische beslissing bedoeld in § 1 een beslissing is voortvloeiend uit een ambtshalve herziening, heeft deze beslissing uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de einddatum van de geldigheid van de vorige beslissing valt.

De geneesheer verricht de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de nieuwe regeling. Indien voormelde voorwaarde vervuld is, past de instelling de oude regeling toe, op voorwaarde dat de toepassing ervan op de dag na de einddatum van de vorige beslissing voordeliger is dan de toepassing van de nieuwe regeling.

De instelling mag evenwel de oude regeling slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.

§ 3. Indien de medische beslissing bedoeld in § 1 een beslissing is ingevolge een aanvraag tot herziening gelden de volgende regels voor deze beslissing.

1° Indien de beslissing betrekking heeft op een periode vóór 1 mei 2003 doet de geneesheer voor deze periode de vaststellingen die bedoeld zijn in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 en past de instelling de regels toe die bepaald zijn in de artikelen 4, 12, 13 en 14 van hetzelfde besluit. Telkens op grond van de laatste vaststelling een hoger bedrag kan worden toegekend betaalt de instelling het verschil.

2° Voor de periode die ten vroegste op 1 mei 2003 aanvangt en eindigt op de dag voorafgaand aan de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de nieuwe regeling. Telkens op grond van deze dubbele evaluatie een hoger bedrag kan worden toegekend betaalt de instelling het verschil.

3° Voor de periode vanaf de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie, op voorwaarde dat sinds de dag volgend op de einddatum van de geldigheid van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1, geen toepassing gemaakt is van de nieuwe regeling. Indien voormelde voorwaarde vervuld is past de instelling de oude regeling toe, op voorwaarde dat de toepassing ervan op de datum van de aanvraag voordeliger is dan de toepassing van de nieuwe regeling.

4° De instelling mag evenwel de oude regeling slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.

Art. 16. Indien de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, niet plaatsvindt omdat zij voorafgegaan is door een aanvraag tot herziening, die ingediend is na 30 april 2003 en die zelf aanleiding geeft tot een medische beslissing, gelden de volgende regels met betrekking tot deze beslissing.

1° Indien de medische beslissing ingevolge de aanvraag betrekking heeft op een periode vóór 1 mei 2003 wordt toepassing gemaakt van artikel 15, § 3, 1°.

2° Voor de periode die ten vroegste op 1 mei 2003 aanvangt en eindigt op de dag voorafgaand aan de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie. Telkens op grond van deze dubbele evaluatie een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.

3° Voor de periode vanaf de datum van de aanvraag verricht de geneesheer de dubbele evaluatie. De instelling past de oude regeling toe, op voorwaarde dat op de datum van de aanvraag de toepassing ervan voordeliger is dan de toepassing van de nieuwe regeling.

4° De instelling mag evenwel de oude regeling slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf de dag na de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing bedoeld in artikel 14, § 1.

Art. 17. Voor de medische beslissingen die genomen worden na de medische beslissing bedoeld in artikel 16, wordt toepassing gemaakt van artikel 15, §§ 2 en 3.

Voor de toepassing van het eerste lid dienen de woorden vermeld in artikel 15, § 2, tweede lid en § 3, 2° et 3° "sinds de dag volgend op de einddatum van de beslissing bedoeld in artikel 14, § 1" gelezen te worden als "sinds de datum van de aanvraag tot herziening bedoeld in artikel 16, eerste lid".

Art. 18. Indien er op 1 mei 2003 een uitwerking is van een medische beslissing ingevolge een aanvraag vóór 1 mei 2003 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2003 en deze beslissing uitwerking heeft totdat het kind geboren na 1 januari 1996 de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, wordt toepassing gemaakt van artikel 16 indien een aanvraag tot herziening van deze beslissing ingediend wordt na 30 april 2003. Nochtans kan toepassing gemaakt worden van de oude regeling totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft.

Onderafdeling III. - Kinderen geboren uiterlijk op 31 december 1992

Art. 18bis. Voor de nieuwe aanvragen en aanvragen tot herziening die ingediend worden vanaf 1 mei 2009, is :

a) voor de periode voor 1 mei 2009 de oude regeling van toepassing;

b) voor de periode vanaf 1 mei 2009 de nieuwe regeling van toepassing.

Indien een medische beslissing ingevolge een aanvraag ingediend vóór 1 mei 2009 of voortvloeiend uit een ambtshalve herziening waarvan de uitwerking begonnen is vóór 1 mei 2009, aanleiding geeft tot een ambtshalve herziening die ten vroegste op 1 mei 2009 uitwerking heeft, heeft deze laatste ambtshalve herziening, in afwijking van artikel 23, vierde lid een terugwerkende kracht van vijf jaar, welke ingaat de eerste dag van het trimester in de loop waarvan deze medische beslissing ten einde loopt. Op deze ambtshalve herziening is :

a) de oude regeling van toepassing voor de periode voor 1 mei 2009;

b) de nieuwe regeling van toepassing voor de periode vanaf 1 mei 2009.

Telkens naar aanleiding van een aanvraag tot herziening of een ambtshalve herziening retroactief een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.

Op de latere ambtshalve herzieningen is artikel 23, vierde lid van toepassing.

HOOFDSTUK IV. - De procedure

Art. 19. De aanvragen om kinderbijslag bedoeld in de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten worden ingediend bij de bevoegde instelling.

De instelling onderzoekt of alle toekenningsvoorwaarden, met uitzondering van deze betreffende de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de gevolgen van de aandoening, vervuld zijn.

In bevestigend geval zendt de instelling het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier, waarvan de modellen vastgesteld zijn door de Dienst, aan de aanvrager.

In afwijking van het derde lid zendt de instelling, die zich daartoe in de materiële mogelijkheid bevindt, de aanvraag aan de Dienst onder de vorm van een elektronische mededeling waarvan het model is vastgesteld door dezelfde Dienst. 

In het geval bedoeld in het vierde lid zendt de Dienst dit inlichtingenformulier aan de aanvrager.

De aanvrager zendt deze behoorlijk ingevulde formulieren naar de instelling of de Dienst. Hij kan hieraan reeds medische of sociale verslagen toevoegen.

Art. 20. De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, bedoeld in de artikelen 56septies, § 1, en 63, § 1, van de samengeordende wetten, de graad van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 47, § 1, van dezelfde wetten en de gevolgen van de aandoening, bedoeld in de artikelen 56septies, § 2, en 63, § 2, van dezelfde wetten, worden vastgesteld hetzij door een geneesheer van de Dienst, hetzij door een geneesheer aangewezen door de Minister.

De geneesheren-directeur van de Medische Dienst zijn belast met het toezicht op de geneesheren, voor wat de door hen uitgevoerde onderzoeken bedoeld in artikel 21 betreft.

De geneesheer leeft de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt na bij het uitvoeren van de onderzoeken bedoeld in het tweede lid.

Art. 21. § 1. De geneesheer vordert van de aanvrager de medische, sociale en andere verslagen die noodzakelijk worden geacht.

De geneesheer zal voor het nemen van een beslissing, naast zijn eigen medische vaststellingen, rekening houden met de medische, sociale en andere verslagen die hem overgemaakt zijn. Daarnaast zal hij zich steunen op gesprekken met het kind en met de personen die de toestand van het kind kennen.

Indien de aanvrager de gevraagde documenten of informatie niet toezendt binnen de 30 dagen stuurt de geneesheer een herinneringsschrijven.

§ 2. Teneinde de onderzoeken te kunnen verrichten wordt aan de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind een oproeping gestuurd. Indien zij nalaten zich voor het onderzoek aan te melden wordt een tweede oproeping gestuurd. Indien er ondanks de tweede oproeping geen gevolg aan wordt gegeven, wordt een beslissing genomen op grond van elementen waarover de geneesheer beschikt.

Indien de geneesheer niet over voldoende elementen beschikt om in het dossier een beslissing te kunnen nemen, zal hij dit mededelen aan de instelling. Deze laatste beslist dat er geen recht is op kinderbijslag in het raam van de artikelen 56septies en 63 van de samengeordende wetten of op de bijslag bedoeld in artikel 47 van dezelfde wetten.

Indien het kind zich om medische redenen niet kan verplaatsen wordt het onderzoek ter plaatse verricht.

De ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind, en het kind hebben het recht om zich bij de onderzoeken bedoeld in dit artikel te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

§ 3. Het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 20, eerste lid, wordt medegedeeld aan de Dienst binnen de negentig dagen volgend op de ontvangst door de bevoegde geneesheer van de in artikel 19 bedoelde aanvraag.

Art. 21bis. In afwijking van artikel 21, §§ 1 en 2, mag de geneesheer zijn onderzoek verrichten op grond van stukken indien hij van oordeel is dat hij beschikt over voldoende informatie om een gefundeerde beslissing te nemen.

Deze bijzondere procedure is beperkt tot aanvragen bedoeld in artikel 19 en aanvragen tot herziening bedoeld in artikel 22.

Deze bijzondere procedure kan niet meermaals na elkaar worden toegepast.

Om in aanmerking te kunnen komen voor deze bijzondere procedure dient de aandoening op korte termijn de levensprognose te bedreigen. Bovendien moet aan één van de volgende voorwaarden zijn voldaan: a) de zware behandeling heeft gevolgen voor de immuniteit; b) er is een belangrijke chirurgische ingreep in de loop van de zes maanden na de geboorte of een ongeval; c) er is een hospitalisering of posttraumatische revalidatie in een instelling gedurende minstens zes maanden; d) het kind geniet palliatieve verzorging.

De beslissing geldt tot maximaal een jaar na de datum van de aanvraag.

Deze bijzondere procedure is slechts mogelijk in de mate dat de aanvrager zich er niet heeft tegen verzet in het deel A(psychosociale en familiale gegevens) van het inlichtingenformulier.

Art. 22. De gerechtigden op kinderbijslag krachtens de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten kunnen een aanvraag tot herziening indienen bij de bevoegde instelling.

De aanvraag tot herziening brengt een nieuwe evaluatie mee van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de zelfredzaamheid van het kind, of van de gevolgen van de aandoening van het kind.

De gegevens die aangebracht worden op het deel B (medische gegevens) van het inlichtingenformulier zijn maximum 30 dagen vóór de toezending van de formulieren bedoeld in artikel 19, tweede lid, door de aanvrager aan de instelling of de Dienst, opgesteld. Het deel B (medische gegevens) van het inlichtingenformulier vermeldt de aard van de verandering van de aandoening en de gevolgen voor het kind en het gezin.

De herziening kan ook worden verricht op verzoek van de geneesheer, inzonderheid op basis van nieuwe inlichtingen die worden medegedeeld door de bevoegde kinderbijslaginstelling. De inschrijving als werkzoekende overeenkomstig artikel 62, § 5, van de samengeordende wetten mag op zich geen aanleiding geven tot een herziening.  Telkens ten gevolge van de herziening uitgevoerd kachtens dit artikel een hoger bedrag kan worden toegekend, betaalt de instelling het verschil.

Art. 23. Een ambtshalve herziening vindt plaats ingeval een medische beslissing voor een bepaalde duur genomen werd.

De procedure van ambtshalve herziening wordt ingeleid door de Dienst. Indien evenwel de kinderbijslag wordt toegekend bij toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, wordt in afwijking van het tweede lid de procedure van ambtshalve herziening ingeleid door de bevoegde instelling ten laatste 150 dagen voor de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing. De beslissing die voortvloeit uit de ambtshalve herziening heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de einddatum van de geldigheid valt.

Art. 24. Onverminderd artikel 22, derde en vierde lid, worden de aanvragen tot herziening bedoeld in artikel 22 onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 19, 20, 21 en 21bis.

Art. 24bis. De ambthalve herzieningen bedoeld in artikel 23 worden onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 20 en 21, §§ 1 en 2.

HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 25. De aanvraag voor een kind geboren na 1 januari 1996 die ingediend wordt in de loop van de maand april 2003 dient te worden beschouwd als een aanvraag ingediend op 1 mei 2003. Bijgevolg is artikel 16, 1°, 3° en 4° van toepassing.

Art. 26. De artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten, respectievelijk vervangen door de artikelen 85, 86 en 87 van de programmawet (I) van 24 december 2002, treden in werking op 1 mei 2003.

Art. 27. Het koninklijk besluit van 3 mei 1991 wordt opgeheven.

In afwijking van het eerste lid, blijven de artikelen 16, 17, 18 en 19 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 nochtans van toepassing evenals de artikelen van voormeld besluit waarnaar verwezen wordt in dit besluit en in het koninklijk besluit van 28 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 20, §§ 2 en 3, 26 en 35 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 21 februari 1991 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.

In afwijking van het eerste lid, blijft het koninklijk besluit van 3 mei 1991 nochtans van toepassing op:

1° de aanvragen bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, en 9 van voormeld besluit, die vóór 1 mei 2003 ingediend zijn doch met betrekking tot dewelke de beslissing van de instelling omtrent het recht op kinderbijslag nog niet genomen is op 30 april 2003;

2° op de ambtshalve herzieningen na een medische beslissing waarvan de einddatum van de geldigheidsduur uiterlijk op 31 maart 2003 valt, waarvoor de beslissing van de instelling omtrent het recht op kinderbijslag nog niet genomen is op 30 april 2003.

Art. 28. Dit besluit treedt in werking op 1 mei 2003.

Art. 29. Na verloop van twee jaar stelt de Minister een evaluatieverslag op. Hij legt dit voor aan de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap.

Art. 30. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

------------------------- Bijlage 1: medisch-sociale schaal (1)

Bijlage 2: lijst van de pediatrische aandoeningen bedoeld in artikel 7, § 1, 1°, om te worden gebruikt bij de vaststelling van de gevolgen van de aandoening bedoeld in de artikelen 47, § 2, 56septies, § 2 en 63,§ 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (1)  

(1) Niet opgenomen.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top