Vlaanderen

Artikel 215 Groeipakketdecreet

§1. Een rechtgevend kind dat geboren is vóór 1 januari 2019, dat op 31 december 2018 wees is omdat een van zijn ouders vóór 1 januari 2019 is overleden en voor wie op 31 december 2018 een recht op de gewone wezenbijslag is toegekend als vermeld in artikel 56bis, §2, van de Algemene kinderbijslagwet, behoudt de gewone wezenbijslag.

In afwijking van het eerste lid en artikel 210, §2, als verschillende rechtgevende kinderen als vermeld in het eerste lid, behoren tot de groepering rond de bijslagtrekkende op 31 december 2018, wordt het bedrag van de gewone wezenbijslag waarop die kinderen recht geven, en in gebeurlijk geval de kinderbijslag waarop andere kinderen binnen die groepering overeenkomstig artikel 210, §1, recht hebben, aflopend aangepast in functie van de leeftijd die de kinderen binnen de groepering hebben. Het jongste kind krijgt daardoor altijd de laagste gewone wezenbijslag of kinderbijslag, het tweede jongste kind de tweede laagste gewone wezenbijslag of kinderbijslag en het derde jongste en oudere kinderen de hoogste gewone wezenbijslag of kinderbijslag. De bedragen van de gewone wezenbijslag, en in gebeurlijk geval van de kinderbijslag, worden verbonden aan het rechtgevende kind op de wijze, vermeld in artikel 210, §4.

Op een kind dat gewone wezenbijslag, of in gebeurlijk geval de kinderbijslag, ontvangt overeenkomstig deze paragraaf en geplaatst is in een instelling op 31 december 2018 of behoort tot een gezin van een kind dat op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling, is artikel 210, §5, van toepassing.

§2. Het kind, vermeld in paragraaf 1, dat recht geeft op gewone wezenbijslag geeft wel recht op een verhoogde kinderbijslag voor wezen als vermeld in artikel 56bis, §1, juncto artikel 50bis van de Algemene kinderbijslagwet en artikel 8, §1, 2°, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, als de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 overlijdt, als de overlevende ouder het kind heeft verlaten, of als de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 geen gezin meer vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, vanaf de maand volgend op deze gebeurtenis.

Als de overlevende ouder op een later tijdstip echter opnieuw een gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, geeft het kind opnieuw recht op de gewone wezenbijslag, vermeld in paragraaf 1, vanaf de maand volgend op deze gebeurtenis.

 

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top