Vlaanderen

Artikel 222 Groeipakketdecreet

§1. Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, §1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 1° en 2°.

Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, §1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 3°, op voorwaarde dat er in het gezin van zijn bijslagtrekkende of begunstigden een derde of volgend rechtgevend kind bij komt vanaf 1 januari 2019, dat recht geeft op de gezinsbijslagen, vermeld in boek 2, deel 1, titel 3 tot en met 5.

Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste en tweede lid, stemt overeen met het bedrag van de toeslag voor langdurig werklozen, vermeld in artikel 42bis van de Algemene kinderbijslagwet, en bedraagt:

1° 46,88 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 92,09 euro;

2° 29,06 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 170,39 euro;

3° 5,10 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 254,40 euro.

§2. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt verhoogd tot 100,86 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of de begunstigden van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt of komen voor de toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden, vermeld in artikel 50ter juncto artikel 56, §2, artikel 56quinquies, §1, en artikel 57, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet.

De Vlaamse Regering breidt de toepassing van het eerste lid uit tot andere personen dan de bijslagtrekkende of begunstigden, op voorwaarde dat die andere personen een gezin vormen met het rechtgevende kind.

Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt ook verhoogd tot 100,86 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of begunstigde van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt voor een toeslag voor een persoon die een overlevingsuitkering geniet, waarbij is voldaan aan de vereiste, vermeld in artikel 56quater, vierde lid, van de Algemene kinderbijslagwet.

Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt ook verhoogd tot 100,86 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als dat kind, met toepassing van artikel 56septies van de Algemene kinderbijslagwet, op 31 december 2018 de toeslag, vermeld in artikel 50ter van de Algemene kinderbijslagwet, ontving. Het betrokken rechtgevende kind blijft recht houden op die toeslag zolang dat kind het gezin van de natuurlijke persoon die op 31 december 2018 ten minste zes maanden minstens 66 percent arbeidsongeschikt was, niet verlaat.

De Vlaamse Regering kan de nadere uitvoeringsbepalingen voor deze paragraaf vaststellen.

§3. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, wordt verhoogd tot 23,43 euro voor de betrokken kinderen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of begunstigde van de kinderbijslag voor die rechtgevende kinderen in aanmerking komt voor de toeslag voor eenoudergezinnen, vermeld in artikel 41 van de Algemene kinderbijslagwet.

De Vlaamse Regering kan nadere uitvoeringsbepalingen voor deze paragraaf vaststellen.

§4. Voor de toepassing van dit artikel wordt het alleenwonende rechtgevende kind als een gezin aangezien.

 

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top