Vlaanderen

Artikel 45 BVR Rechtgevend kind

De gezinsbijslagen blijven ten goede komen aan het rechtgevend kind dat ten minste 21 jaar oud was op 1 juli 1987, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, 4°, van het decreet van 27 april 2018, als dat kind aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

1°      wegens zijn lichaams- of geestesgesteldheid volledig ongeschikt blijken om enig beroep uit te oefenen;

2°      ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tewerkgesteld zijn in een beschutte werkplaats;

3°      ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdelijk buiten de werkplaats, vermeld in punt 2°, tewerkgesteld zijn in het kader van een herscholing, en onder de verantwoordelijkheid van de vermelde werkplaats;

4°      ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdens de tewerkstelling, vermeld in punt 2° of 3°, getroffen worden door een of meer aandoeningen die op zichzelf een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% veroorzaken;

5°      gerechtigd zijn op gezinsbijslagen conform punt 4° of 7°, en gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen of op een uitkering door onderbreking van de beroepsloopbaan als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;

6°      ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdens zijn tewerkstelling, vermeld in punt 2° of 3°, gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen of op een uitkering door onderbreking van de beroepsloopbaan als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepaling;

7°      gerechtigd zijn op gezinsbijslagen conform punt 5° of 6°, en getroffen worden door een of meer aandoeningen die op zichzelf een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% veroorzaken.

Het kind dat voldoet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, mag, behalve als het zich in de toestand bevindt, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 7°:

1°      geen activiteit uitoefenen die aanleiding geeft tot verzekeringsplicht met toepassing van een van de regelingen van sociale zekerheid;

2°      geen sociale uitkeringen ontvangen wegens arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid, behalve een tegemoetkoming die toegekend wordt conform de regelgeving over de toekenning van tegemoetkomingen aan mindervaliden;

3°      geen rustpensioen ontvangen dat hoger is dan het gewaarborgde inkomen voor bejaarden, behalve als dat pensioen voortvloeit uit een tewerkstelling of een toestand als vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 7°.

De ongeschiktheid, vermeld in het eerste lid, moet begonnen zijn voor het kind wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, 1°, van het decreet van 27 april 2018, opgehouden is rechtgevend op gezinsbijslagen te zijn en moet zonder onderbreking blijven bestaan. Er wordt geen rekening gehouden met een verhoging van de voormelde ongeschiktheid na de leeftijdsgrens, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, 1°, van het decreet van 27 april 2018.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top