Vlaanderen

Artikel 46 BVR Rechtgevend kind

§1. In dit artikel wordt verstaan onder koninklijk besluit van 12 augustus 1985: het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, § 5 van de Algemene kinderbijslagwet.

§2. De volgende categorieën van kinderen die voor 1 januari 2019 recht hadden op kinderbijslag of toeslagen op basis van de kinderbijslagreglementering, en die uitgesloten worden van dat recht conform artikel 8, §2, eerste lid, van het decreet van 27 april 2018, blijven recht geven op gezinsbijslagen:

1°      het kind dat zich bevindt in de initiële toekenningsperiode van 360 kalenderdagen, vermeld in artikel 1, §1, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985, voor de resterende toekenningsperiode, zonder verlengingen. Het kind waarvoor de voormelde initiële toekenningsperiode van 360 dagen werd verlengd, totdat de jongere twee, al dan niet opeenvolgende, positieve evaluaties van zijn zoekgedrag naar werk gekregen heeft, voor een periode van zes maanden die aanvangt op de datum van de laatste evaluatie vóór de inwerkingtreding van dit besluit;

2°      het kind dat door ziekte belet is zich tijdig in te schrijven als werkzoekende of dat ziek wordt tijdens de beroepsinschakelingstijd, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4, §1, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985. De voorwaarde om zich aansluitend aan de ziekteperiode in te schrijven als werkzoekende vervalt. De duur van de ziekte wordt geattesteerd door een arts;

3°      de leerling, student of stagiair die voor 1 januari 2019 recht had op kinderbijslag en die uitgesloten wordt van het recht overeenkomstig artikel 29 of 36, voor het school- of academiejaar 2018-2019, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 13 en 14 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt;

4°      het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte dat voor 1 januari 2019 recht had op een maandelijkse toeslag en dat uitgesloten wordt van het recht door de toepassing van artikel 14 van dit besluit, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, en tot de eerstvolgende herziening na 1 januari 2019 of het einde van de erkenning;

5°      het kind dat overeenkomstig de toepassing van ministeriële omzendbrief 335 van 8 juni 1976 op 31 december 2018 recht had op kinderbijslag in het niet-hoger onderwijs op basis van de afwijking die voorzien werd voor het regelmatig volgen van de lessen voor een ziek kind, behoudt dit recht overeenkomstig deze toepassing ten laatste tot het einde van de zomervakantie volgend het schooljaar waarin de ziekte werd vastgesteld.

De kinderen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, behouden hun recht op gezinsbijslagen als ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 40 en 41 van dit besluit. Als er voor die kinderen met toepassing van artikel 40 en 41 van dit besluit niet langer een recht op gezinsbijslagen bestaat, worden de voorwaarden, vermeld in artikel 4, §1/2 en §2, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985, toegepast.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top