996/64 van 7 augustus 2006 - Beroepsopleiding in een onderneming - Openen van het recht - Praktische aspecten - Art. 56duodecies KBW

    In aansluiting op de ministeriële omzendbrief 588 van 17 maart 2005, worden in deze dienstbrief een aantal praktische aspecten geregeld.

    1. Context
    2. De aard van de overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming
    3. Het bewijs van de overeenkomst
    4. De opvolging van het recht
    5. De schaal
    6. Een residuair recht
    7. De herziening op aanvraag
    8. Een recht op wezenbijslag

    1. Context

    De programmawet van 27 december 2004, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2004, heeft in de kinderbijslagwet een artikel 56duodecies ingevoegd dat in werking treedt per 1 oktober 1999.

    Dit artikel maakt het openen van een recht op kinderbijslag mogelijk door jongeren die verbonden zijn door een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming. Het wordt besproken in de ministeriële omzendbrief 588 van 17 maart 2005.

    De jongeren die een beroepsopleiding in een onderneming volgden, georganiseerd door een Gemeenschap of een Gewest, openden op basis hiervan geen recht op kinderbijslag ten voordele van hun kinderen. Bovendien, aangezien ze niet onderworpen zijn aan de socialezekerheidsregeling, kunnen ze strikt genomen als werknemers geen recht op kinderbijslag openen.

    Deze situatie was problematisch in die zin dat de financiële voordelen die voortvloeien uit een dergelijke opleiding daarentegen wel in aanmerking dienen te worden genomen in het kader van de bepaling van de inkomsten van het gezin die een invloed hebben op de toekenning van een sociale bijslag, evenals om te bepalen of het bedrag van het loon toegelaten uit hoofde van een rechtgevend kind al dan niet overschreden is (zie omzendbrief 996/39 van 20 oktober 2003).

    Omwille van de coherentie openen deze jongeren voortaan een recht op kinderbijslag wanneer ze verbonden zijn door een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming, zoals gereglementeerd door de gemeenschap pen en de gewesten (de eerder vermelde omzendbrief is ipso facto gewijzigd op het vlak van de voorwaarden voor het openen van het recht op kinderbijslag).

    2. De aard van de overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming

    De overeenkomst is gebaseerd op een van de volgende teksten:

    • Decreet van de Waalse Gewestraad van 18 juli 1997 betreffende de inschakeling van werkzoekenden bij werkgevers die een beroepsopleiding organiseren om in een vacature te voorzien;
    • Besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december 1988, houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
    • Besluit van de Duitse Executieve van 12 juni 1985 betreffende het toekennen van sommige voordelen aan personen die een beroepsopleiding krijgen.

    3. Het bewijs van de overeenkomst

    Deze overeenkomst leidt tot een RIP-bericht, maar niet tot een DMFA-bericht.

    De werkgever moet een aangifte maken van de indienst- en uitdiensttredingen van al zijn werknemers (behalve uitzonderingen waartoe de beroepsopleiding in een onderneming niet behoort). Het betreft de aangifte DIMONA (het bericht wordt RIP voor de kinderbijslagsector), verplicht voor arbeiders en voor bedienden.

    Of men de gegevens betreffende de bezoldigingen en de arbeidstijden (DMFA) van deze werknemers al dan niet moet vermelden in een kwartaalaangifte is van geen belang.

    In het RIP-bericht komt de vermelding "IBO" voor (voor "individuele beroepsopleiding": zie gids voor de gebruiker van het RIP-bericht van 25 januari 2005): het is een individuele beroepsopleiding verstrekt in alle sectoren.

    Artikel 56duodecies, KBW, vereist geen bewijs van een arbeidsprestatie, maar enkel de band met een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming: aangezien het RIP-bericht louter indicatieve waarde heeft, wordt het bewijs van het bestaan van een dergelijke overeenkomst geleverd door het voorleggen van een contract of een attest van de werkgever. Dit bewijs volstaat (zelfs als er geen RIP-bericht is) en er is dus geen informatie vereist over het uitvoeren van een prestatie.

    Te noteren valt dat als er, ondanks een RIP-bericht met de vermelding "IBO" en/of het voorleggen van een contract van "beroepsopleiding in een onderneming" , een DMFA-bericht komt, de overeenkomst moet beschouwd worden als " geherkwalificeerd" als winstgevende activiteit bedoeld in artikel 51, § 1, KBW, met als gevolg de toepassing van de algemene regels van het recht en de bevoegdheid.

    4. De opvolging van het recht

    Net zoals bij de niet vergoede werkloze wordt het voortduren van de situatie (de band van de overeenkomst) verondersteld door te lopen tot het voorziene eindpunt (de datum van einde van het contract), tenzij anders aangegeven (bericht RIP-out of enige andere informatie).

    5. De schaal

    De schaal van artikel 40, KBW moet hier toegepast worden: gewone schaal.

    6. Een residuair recht

    Het recht van de persoon die een beroepsopleiding volgt in een onderneming is residuair. Er mag meer bepaald geen enkel samenlopend recht bestaan, noch uit hoofde van de jongere zelf, noch uit hoofde van een andere persoon, in de regeling van de werknemers of die van de zelfstandigen.

    Voor de betaling van de kinderbijslag van werknemers in beroepsopleiding is de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers residuair bevoegd (artikel 101, 3de lid, 1°, KBW).

    Als voor het kind een recht gevestigd wordt in een andere regeling dan de Kinderbijslagwet of dan die van het koninklijk besluit van 8 april 1976 dat de gezinsbijslagregeling voor zelfstandigen ingesteld heeft, wordt het maandelijks bedrag van de gezinsbijslag voor dat kind verminderd met het bedrag van de bijslag die toegekend kan worden in de betrokken regeling.

    Om de rang van het kind te bepalen, wordt rekening gehouden met de andere kinderen met recht op kinderbijslag in het gezin, behalve als het gaat om kinderen met recht op de verhoogde wezenbijslag.

    7. De herziening op aanvraag

    Artikel 56duodecies, KBW, treedt in werking op 1 oktober 1999.

    Rekening houdend met deze terugwerkende kracht en gezien de technische moeilijkheden van een herziening van ambtswege van alle kinderbijslagdossiers, gebeurt de vaststelling van nieuwe rechten op kinderbijslag op basis van de hoedanigheid van de jongere die een opleiding volgt, gereglementeerd door een Gemeenschap of een Gewest, op basis van een aanvraag.

    8. Een recht op wezenbijslag

    Op basis van een dergelijke overeenkomst kan een recht op wezenbijslag geopend worden.

    Top