996/88 van 27 februari 2009 - Art. 44bis KBW - Beschermd recht, situatie van co-ouderschap

    Artikel 44, § 1 KBW bepaalt onder welke voorwaarden de leeftijdsbijslag voor het kind met rang één gehalveerd wordt.

    In afwijking van dat artikel 44, § 1 KBW en bij wijze van overgangsmaatregel, kunnen kinderen die geen eigen verworven recht hebben, aanspraak maken op de volledige leeftijdsbijslag in plaats van de gehalveerde op een ogenblik dat zij een eerste rang verkrijgen, zodra ze minstens zes jaar oud zijn onder de in artikel 44bis, §1, b, KBW bepaalde voorwaarden die gelijktijdig vervuld moeten zijn.

    Het kind dat de eerste rang verkrijgt moet geboren zijn tussen 1 januari 1991 en 31 december 1996, mag zijn recht op kinderbijslag niet verliezen en moet verder blijven deel uitmaken van het bedoelde gezin. Het moet een kind zijn met een tweede rang of hoger dat een eerste rang verkrijgt na 1 januari 1997 omdat het kind dat de eerste rang had (met een leeftijdsbijslag), ofwel zijn hoedanigheid van rechtgevend kind verliest, ofwel het gezin waarin het wordt opgevoed, verlaat.

    De vraag wordt gesteld hoe deze bepaling moet worden toegepast als de bijslagtrekkende wijzigt in situaties van co-ouderschap, zonder dat de feitelijke gezinstoestand verandert.

    De volgende gevallen werden voor advies aan de Rijksdienst voorgelegd.

    Geval 1
    De ouders zijn feitelijk gescheiden vanaf 12 december 2005. De moeder is bijslagtrekkende voor 2 kinderen (co-ouderschap). Het jongste is geboren op 3 maart 1993 en verblijft (domicilie) bij de moeder. Het oudste kind is geboren op 17 mei 1988 en verblijft sinds de scheiding (domicilie) bij de vader. Vanaf 1 juni 2006 wordt de vader de wettelijke bijslagtrekkende voor het oudste kind (meerderjarig kind dat niet afwisselend bij beide ouders verblijft) maar in werkelijkheid is er op dat ogenblik geen wijziging in de gezinstoestand. Kan in die omstandigheden voor het jongste kind het beschermd recht worden toegekend?

    Geval 2
    De moeder is bijslagtrekkende voor 2 kinderen. Het jongste is geboren op 2 juli 1995 en verblijft (domicilie) bij de moeder. Het oudste is geboren op 20 oktober 1990 en verblijft (domicilie) sinds 1 januari 2006 bij de vader. Op 10 oktober 2006 dient de vader een aanvraag in om zelf de kinderbijslag te ontvangen. Als gevolg daarvan wordt hij vanaf 1 november 2006 de wettelijke bijslagtrekkende voor het oudste kind. Er is geen wijziging in de gezinstoestand, maar wel een wijziging van bijslagtrekkende. Kan in die omstandigheden voor het jongste kind het beschermd recht toegekend worden?

    Voor de groepering en de toeslagen wordt het kind dat in co-ouderschap wordt opgevoed steeds geacht deel uit te maken van het gezin van de bijslagtrekkende, meestal de moeder (CO 1307 van 20 juni 1997). De fictie vervalt wanneer, bij de meerderjarigheid van het kind, de vader bijslagtrekkende wordt omdat het kind daar feitelijk verblijft.

    Omwille van de eenvormigheid dienen de uitzonderingsregels op de halvering van de leeftijdsbijslagen volgens hetzelfde principe te worden toegepast.

    Bovendien wordt met het begrip "het gezin waarin het wordt opgevoed, verlaat " bedoeld dat het oudste kind niet meer wordt opgevoed door de oorspronkelijke bijslagtrekkende (CO 1305 van 24 januari 1997, voetnoot 3, p.9). In ruime zin kan deze definitie ook toegepast worden op een wijziging van de bijslagtrekkende.

    Op grond van die overwegingen kan er in beide gevallen bij de verandering van bijslagtrekkende voor het jongste kind de leeftijdsbijslag worden toegekend voor een kind dat eerste rang wordt ter vervanging van een ouder kind.

    Dit standpunt vernietigt en vervangt alle vorige standpunten die betreffende dergelijke situaties werden ingenomen.

    Top