999/117 van 8 maart 2001 - Formulier Mod. P7 (kinderbijslag na de leerplicht) - Student die een wachtuitkering ontvangt

    In bepaalde gevallen stelt u bij de verificatie van het formulier P7 vast dat het kind studies volgt die aan de voorwaarden van het Koninklijk besluit van 30 december 1975 tot uitvoering van artikel 62, §3 Kinderbijslagwet voldoen om recht te geven recht op kinderbijslag, maar dat het eveneens ingeschreven is als werkzoekende en gebeurlijk na verloop van de wachttijd wachtuitkeringen zal ontvangen. In een aantal gevallen hervat het kind de studies als het reeds een wachtuitkering geniet. Het feit dat het kind wachtuitkeringen ontvangt, wordt u telkens bevestigd met de werkloosheidsflux.

    Het is hierbij de vraag of het kind dat studies volgt nog aanspraak kan maken op kinderbijslag vanaf het ogenblik dat het een wachtuitkering ontvangt. De oplossing verschilt naargelang van de aard van het gevolgde onderwijs.

    1. Het kind dat een vorm van voltijds (dag)onderwijs volgt (ook voor sociale promotie)

    Het betreft onderwijs dat beantwoordt aan de voorschriften van artikel 1, 3 of 4 van het voormelde Koninklijk besluit van 30 december 19751 .

    Het feit of het kind dat voltijds studies volgt nog recht geeft op kinderbijslag als het een sociale uitkering geniet wordt geregeld in artikel 12 van het desbetreffende besluit.

    Overeenkomstig dit artikel is het ontvangen van een sociale uitkering bij toepassing van een Belgische of buitenlandse regeling betreffende ziekte, invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen of beroepsziekten geen beletsel voor het recht op kinderbijslag, voor zover die uitkering voortvloeit uit een " toegelaten" winstgevende activiteit. Dit is een activiteit die op zichzelf geen hinderpaal vormt voor het toekennen van de kinderbijslag. Het gaat om een winstgevende activiteit in het kader van een tewerkstelling met een arbeidsovereenkomst voor studenten, de winstgevende activiteit tijdens de vakantieperiode en de winstgevende activiteit van minder dan tachtig uren per maand.

    Voorbeelden van een "toegelaten" sociale uitkering zijn:

    • het kind werkt met een arbeidsovereenkomst voor studenten, wordt ziek en ontvangt een uitkering van de mutualiteit;
    • de student werkt minder dan 80 uren per maand, heeft een arbeidsongeval en wordt vergoed door de verzekeringsmaatschappij;
    • de student heeft tijdens de vakantiemaanden gewerkt en ontvangt een vakantiegeld in het kader van de reglementering betreffende de jaarlijkse vakantie.

    A contrario, wanneer de sociale uitkering voortvloeit uit een " niet-toegelaten" winstgevende activiteit of uit een omstandigheid die geen tewerkstelling is (bijv. de wachtuitkering is het gevolg van het volbrengen van een wachttijd), dan vormt ze wel degelijk een obstakel voor de toekenning van de kinderbijslag. Artikel 48, derde lid Kinderbijslagwet regelt de laatste maand waarvoor de kinderbijslag is verschuldigd.

    2. Het kind dat een vorm van deeltijds onderwijs volgt

    Voor een kind dat deeltijds onderwijs of een erkende vorming volgt wordt het uitoefenen van een winstgevende activiteit of het ontvangen van een sociale uitkering (hier een wachtuitkering) geregeld door artikel 1bis van het Koninklijk besluit van 30 december 19752 , en niet door artikel 12.

    De sociale uitkering is een beletsel wanneer het brutobedrag, desgevallend samengeteld bij het bruto-inkomen uit een deeltijdse tewerkstelling, hoger ligt dan het grensbedrag (thans: 16 200 BEF).

    De wachtuitkering die minder bedraagt dan het grensbedrag vormt op zichzelf geen beletsel voor de verdere toekenning van de kinderbijslag.

    Mag ik u vragen voortaan het artikel 12 strikt toe te passen. De betalingen die in het verleden werden verantwoord op basis van een ruimere interpretatie (alle sociale uitkeringen, behalve die voortvloeien uit een niet-toegelaten activiteit) moeten worden teruggevorderd.

    • 1De corresponderende rubrieken op het formulier P7 zijn: 10 (algemeen onderwijs), 30 (muziekonderwijs), 40 (universitair of hoger onderwijs) en 50 (buitengewoon onderwijs).
    • 2De corresponderende vragen op het formulier P7 zijn: 21 (deeltijds onderwijs) en 22 (erkende vorming).
    Top