Vlaanderen

Informatienota 1996/2: - Toepassing van art. 42 G.W. en MO 467 - Gevallen van rechtgevende kinderen die hun ouders verlaten hebben en samen wonen.

Wanneer verschillende rechtgevende kinderen een woning delen is het soms moeilijk om te bepalen of men sommigen van hen al dan niet mag groeperen voor de kinderbijslag verschuldigd uit hoofde van een of meer rechthebbenden.

Principe

Volgens het algemeen principe wordt de kinderbijslag berekend in functie van het volledige aantal kinderen opgevoeld in een gezin, volgens hun rang in de groep. Met gezin bedoelt men hier een groep personen waarvan de samenwoonst vastegesteld is.

Praktische regel

Wanneer personen samen vermeld staan op een uittreksel uit het bevolkingsregister mag men vermoeden dat ze samenwonen en dat men met een enkel gezin te maken heeft. Dit vermoeden kan echter weerlegd worden. Bovendien moet het, zonder dat deze procedure mag leiden tot een vertraging in de uitbetaling van de kinderbijslag, bevestigd worden door een controle ter plaatse van het dringende type, eigen aan gevallen die als "twijfelachtig" beschouwd worden. De controle ter plaatse is echter overbodig wanneer de bijslagtrekkenden in de echt verbonden zijn.

Wanneer personen die niet samen vermeld staan op een uittreksel uit het bevolkingsregister verklaren toch een gemeenschappelijk gezin te vormen, moet de samenwoonst bewezn worden via alle rechtsmiddelen. Een controle ter plaatse moet de samenwoonst waar nodig bevestigen, voor iedere groepering.

Uitzondering

Zelfs als ze samen vermeld staan op een uittreksel uit het bevolkingsregister, mogen twee rechtgevende kinderen die ook bijslagtrekkende zijn voor zichzelf (art. 69, §2, G.W.) en in wier gezin geen bijslagtrekkende voorkomt die deze hoedanigheid heeft op basis van art. 69, §1 G.W., in geen geval gegroepeerd worden.

Bijzonder geval van broers en/of zusters

Twee broers en/of zusters, bijslagtrekkenden voor zichzelf (art. 69, §2 G.W.), samen vermeld op een uittreksel uit het bevolkingsregister, worden gegroepeerd volgens het principe van de familiale solidariteit, zelfs indien er in hun gezin geen andere bijslagtrekkende voorkomt in de zin van art. 69, §1.

Besluit

Afgezien van het geval van broers/ of zusters, in een gezin (begrip zoals gedefinieerd supra) samengesteld uit verschillende bijslagtrekkenden, dient een van hen deze hoedanigheid te bezitten op basis van art. 69, §1 G.W., om de groepering mogelijk te maken.

Men dient hier in herinnering te brengen dat meerderjarige, rechtgevende kinderen die niet bij hun ouders wonen voor zichzelf bijslagtrekkende blijven conform art. 69, §2, 2° G.W., als er in het gezin geen bijslagtrekkende is in de zin van art. 69, §1 die hen opvoedt. Het aangenomen principe oefent geen invloed uit op de regels die de rang bepalen. Zo gebeurt de groepering van de in het gezin aanwezige kinderen, zoals die blijkt uit een uittreksel van het bevolkingregister, rond een of meer bijslagtrekkenden (art. 42 G.W.)

Volledigheidshalve weze opgemerkt dat de hierboven beschreven werkwijze geenszins afbreuk doet aan het mechanisme van de proportionele verdeling van de kinderbijslag zoals beoogd in art. 70bis G.W.

Top