Vlaanderen

CO 1011 van 31 oktober 1975 - Mindervalide kinderen en kinderen volledig ongeschikt om enig beroep uit te oefenen (Wet van 28 maart 1975 en KB van 3 juli 1975) (uittreksels)

Artikel 63 uit Kinderbijslagwet werknemers

(...)

I. - BEHOUD VAN HET VOORDEEL VAN DE KINDERBIJSLAG TOT DE LEEFTIJD VAN VIJFENTWINTIG JAAR

A. Kinderbijslag (...)

Het rechtgevend kind dat de leeftijd van vijfentwintig jaar niet heeft bereikt blijft kinderbijslag genieten indien het minstens 66 % arbeidsongeschikt is.

Andere voorwaarden worden niet (...) gesteld. Zo is het bij voorbeeld niet meer van belang te weten of dit kind leerling, (...) of student is.

Er weze evenwel aan herinnerd dat de betaling van de kinderbijslag moet worden onderbroken wanneer het kind enige aktiviteit begint uit te oefenen, behalve wanneer het een tewerkstelling in een beschutte werkplaats betreft, die minder dan drie maanden bedraagt (zie C.O. 521 van 24 februari 1958 en C.O. 979 van 25 september 19741).

Krachtens de nieuwe wettelijke bepalingen vormt overigens het genot van een krachtens de wetgeving met betrekking tot het verlenen van bijslag aan minder-validen toegekende bijslag, voortaan geen hinderpaal meer voor de toekenning van de kinderbijslag.

B. Bijkomende bijslag

(...)

II. - BEHOUD VAN HET VOORDEEL VAN DE KINDERBIJSLAG ZONDER LEEFTIJDSGRENS

A. Kinderen welke volledig ongeschikt zijn enig beroep uit te oefenen.

Het rechtgevende kind dat al niet de leeftijd van vijfentwintig jaar heeft bereikt, blijft kinderbijslag genieten zonder leeftijdsgrens indien blijkt dat het volledig ongeschikt is om enig beroep uit te oefenen wegens zijn lichaams- of geestesgesteldheid (art. 63, lid 1, 2°, a)).

Niets is veranderd ten aanzien van de vroegere toestand.

B. Door een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% getroffen kinderen

Het rechtgevende kind dat de leeftijd van vijfentwintig jaar al dan niet heeft bereikt, blijft eveneens kinderbijslag genieten zonder leeftijdsgrens indien het is getroffen door een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% en indien het zich in één der volgende toestanden bevindt:

1. Te werk gesteld zijn in een beschutte werkplaats, bedoeld bij art. 47 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van mindervaliden (art. 63, lid 1, 2°, b)).

2. Tijdens zijn tewerkstelling in de beschutte werkplaats getroffen worden " door een of meer aandoeningen welke op zichzelf een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% veroorzaken" (art. 63, lid 1, 2°, c)2).

Het gaat hier om een nieuw recht aangezien men de toekenning behoudt zonder dat er daadwerkelijk tewerkstelling in de werkplaats is, voor zover dat de aandoening of aandoeningen die deze afwezigheid rechtvaardigen zich tijdens de daadwerkelijke tewerkstelling hebben voorgedaan en op zichzelf een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% veroorzaken.

3. "Tijdens zijn tewerkstelling in een beschutte werkplaats" gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen (art. 63, lid 1, 2°, d)3).

Het betreft hier eveneens een nieuw recht zonder daadwerkelijke tewerkstelling in een beschutte werkplaats, op voorwaarde dat men gerechtigd wordt op werkloosheidsuitkeringen en dat deze laatste hun oorsprong vinden in de tewerkstelling in een beschutte werkplaats. De tekst beoogt niet de gewone uitkeringsgerechtigde werklozen die beschouwd worden als moeilijk te plaatsen en die door toedoen van een gewestelijk bureau voor arbeidsvoorziening te werk gesteld worden in een beschutte werkplaats zonder evenwel het genot van de werkloosheidsuitkering te verliezen (art. 171bis van het K.B. van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid4.

4. Tijdelijk te werk gesteld zijn buiten een beschutte werkplaats "binnen het bestek van een herscholing en onder de verantwoordelijkheid van de bedoelde werkplaats" (art. 63, lid 1, 2°, e)5).

(...)

Het betreft eveneens een nieuw recht ten behoeve van de mindervaliden die binnen het bestek van een herscholing, in de beschutte werkplaats niet aanwezig kunnen zijn gedurende een bepaalde periode omdat zij bij voorbeeld in een school of een andere werkplaats te werk gesteld worden.

---------- Artikel 63 zoals het van toepassing is op kinderen geboren voor 1 juli 1966.

Artikel 47 uit Kinderbijslagwet werknemers

(...)

Het K.B. van 3-7-1975 wijzigt met uitwerking op 1-10-1975 de art. 3 en 5 van het K.B. van 10-3-1964 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan een minder-valide kind moet voldoen om kinderbijslag te genieten bij toepassing van artikel 47, G.W. (Staatsblad van 2-9-1975). De nieuwe teksten maken nog steeds onderscheid tussen twee categorieën van rechtgevende kinderen naargelang zij al dan niet de leeftijd van 25 jaar hebben bereikt.

I. - BEHOUD VAN HET VOORDEEL VAN DE KINDERBIJSLAG TOT DE LEEFTIJD VAN VIJFENTWINTIG JAAR.

(...)

B. Bijkomende bijslag

De toekenning van de bijkomende bijslag blijft geregeld bij het K.B. van 10-3-1964, gewijzigd bij het K.B. van 3-7-1975, tot vaststelling van de voorwaarden waaraan een minder-valide kind moet voldoen om kinderbijslag te genieten bij toepassing van art. 47, G.W.

Het nieuwe art. 3 schrijft voor dat het minder-valide kind, wiens ontoereikendheid of vermindering van de lichamelijke of geestelijke bekwaamheid wegens een of verschillende aandoeningen ten minste 66% bedraagt, de bij of krachtens art. 62 gestelde toekenningsvoorwaarden moet vervullen, de leeftijdsgrens bepaald bij §2 (...) uitgezonderd, of die gesteld bij art. 63, G.W.

Gezien de nieuwe redactie van art. 63, volstaat het dat deze kinderen de voorwaarden inzake handicap vervullen, want aangezien zij rechtgevend zijn bij toepassing van art. 63, lid 1, 1°, blijven zij dat automatisch ook voor de bijkomende bijslag.

De kinderen die als ongeschikt erkend zijn om enig beroep uit te oefenen zijn eveneens ambtshalve rechtgevend tegen dezelfde voorwaarden. Zij worden namelijk geacht de voorwaarde inzake een onvoldoende of verminderde geschiktheid van ten minste 66 % te vervullen (K.B. van 10-3-1964, art. 2, § 1, lid 4).

Doch het minder-valide kind mag geen activiteit uitoefenen die aanleiding geeft tot verzekeringsplicht t.o.v. één van de sociale zekerheidsregelingen, behalve wanneer deze activiteit een tewerkstelling is in een beschutte werkplaats, bedoeld bij art. 63, lid 1, 2°, b, G.W. of wanneer het een kind betreft met een leerovereenkomst zoals bedoeld bij art. 62, § 2, G.W. (K.B. van 10-3-1964, nieuwe art. 5).

Vanaf 1-10-1975 wordt een nieuwe uitzondering gemaakt op het verbod om een activiteit uit te oefenen welke aanleiding geeft tot verzekeringsplicht t.o.v. een van de sociale zekerheidsregelingen, ten behoeve van de door een leerovereenkomst gebonden leerlingen bedoeld bij art. 62, § 2, G.W., zelfs wanneer zij geheel of gedeeltelijk binnen het toepassingsveld van de sociale zekerheidsregelingen vallen.

  • 1. Zie artikel 63.
  • 2. Zie artikel 63, lid 1, 2°, d).
  • 3. Lezen artikel 63, lid 1, 2°, e).
  • 4. Thans artikel 78 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
  • 5. Lezen artikel 63, lid 1, 2°, c).
Top