CO 1033 van 7 januari 1977 - Nadere regelen voor de controle van het recht op de verhoogde kinderbijslag voor invaliden ten behoeve van werknemers die een vervroegd invaliditeitspensioen ontvangen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers (Art. 56, §2, 1°,b KBW)

    Artikel 56 § 2, 1°, b der gecoördineerde wetten voorziet in de toekenning van de kinderbijslag tegen de schaal bepaald in artikel 50ter ten behoeve van de zieke werknemers die een invaliditeitspensioen genieten krachtens de wetgeving over het pensioenstelsel der mijnwerkers.

    Daarenboven, aanvaard hetzelfde artikel § 2, eindalinea, dat deze werknemers een winstgevende beroepsaktiviteit uitoefenen, behalve indien de wet of het reglement die hun arbeidsongeschiktheid erkent er zich tegen verzet.

    Met het oog op een correcte toepassing van die wetsbepalingen is het noodzakelijk dat de kinderbijslagfondsen er zich van vergewissen dat de betrokken rechthebbenden werkelijk hun pensioen genieten en bovendien dat zij de perioden van eventuele uitsluiting om de ene of andere reden, hoofdzakelijk ingevolge sancties toegepast door de Voorzorgskas die de instelling is welke dit pensioen moet uitbetalen, bepalen.

    Inderdaad, het pensioen wegens vroegtijdige invaliditeit kan geschorst worden ingevolge een beslissing van de Voorzorgskas, enerzijds, wanneer de beroepsaktiviteit de perken toegelaten door de reglementering ter zake te buiten gaat en, anderzijds, wanneer een beroepsaktiviteit, welke deze ook weze, dit wil zeggen zelfs binnen deze perken, niet aangegeven wordt.

    Opdat de fondsen de rechtvaardigende elementen, die het recht op de verhoogde bijslag vaststellen, zouden bekomen, heeft de Rijksdienst een type-formulier uitgewerkt dat zij aan de Voorzorgskassen moeten zenden. Dit formulier moet de waarborg geven dat het invaliditeitspensioen werkelijk uitgekeerd wordt, de datum van toekenning van het pensioen bepalen, de tijdelijke schorsing of het einde van het recht op het pensioen vaststellen ten einde de betalingen van kinderbijslag met het recht op dit pensioen te doen overeenstemmen.

    Het formulier moet dus verzonden worden bij het ontstaan van het recht op de verhoogde bijslag en op de vervaldag van elk kalende rkwartaal1 .

    Bovendien, moeten dezelfde kinderbijslagfondsen de bevoegde voorzorgskassen op de hoogte brengen van al de gevallen waarin er een beroepsaktiviteit is, welke ook de omvang der prestaties weze, en waarvan zij kennis gekregen hebben ter gelegenheid van de periodieke controle door middel van administratieve documenten, inzonderheid door middel van het formulier P.15, of door elk ander middel.

    De fondsen mogen evenwel niet uit het oog verliezen dat de toekenning van de verhoogde kinderbijslag afhangt van de voorwaarde dat de uitoefening van de winstgevende beroepsaktiviteit toegelaten is door de wet of het reglement krachtens welke de arbeidsongeschiktheid erkend werd.

    Zo dus blijkt dat de uitgeoefende aktiviteit de perken bepaald bij de reglementering, die van toepassing is inzake invaliditeitspensioen voor de mijnwerkers overschrijdt moeten de fondsen onmiddellijk de rechten op de kinderbijslag onderzoeken bij toepassing van artikel 56, § 2, 4° GW2 , zonder de beslissing af te wachten welke later door de voorzorgskas zal getroffen worden met betrekking tot het genot van het pensioen voor de betwiste periode.

    Ter inlichting, men moet weten dat ter zake toegelaten aktiviteit die is welke door het algemeen reglement van het stelsel van het rust- een overlevingspensioen der werknemers bepaald is.

    (...)

    De hiervoor verstrekte onderrichtingen moeten van kracht worden op 1 januari 1977. De kinderbijslagfondsen wier bevoegdheid zich uitstrekt tot de kolenmijnen van de vijf kolenbekkens moeten evenwel het type-formulier niet gebruiken, rekening houdend met de reeds bestaande overeenkomsten die met de voorzorgskassen nopens hetzelfde onderwerp gesloten werden.

    • 1Overeenkomstig C.O. 1238 van 20 december 1990, dienen de formulieren P15bis éénmaal per jaar, op 5 juni, verzonden te worden.
    • 2Lezen artikel 56, § 2, 2°.
    Top