Vlaanderen

CO 1284 van 27 februari 1995 - KB van 25 februari 1994 tot bepaling van de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslag in hoofde van de werklozen

Het als opschrift vermelde koninklijk besluit van 25 februari 1994 is op 29 maart 1994 in het Belgische Staatsblad verschenen (...) en is inmiddels met het koninklijk besluit van 15 september 1994 gewijzigd op het stuk van de duur van de wachttijd. De termijnen van 90 en 180 dagen zijn respectievelijk verlengd tot 180 en 270 dagen (cfr. C.O. 1281 van 20.10.1994).

Dit besluit komt in de plaats van het koninklijk besluit van 14 augustus 1987 waarin de toekenningsvereisten voor de gezinsbijslag aan werklozen worden bepaald (art. 56novies, G.W.).

De nieuwe tekst beoogt hoofdzakelijk het recht op kinderbijslag in overeenstemming te brengen met de wijzigingen die zijn aangebracht aan de werkloosheidsreglementering door het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

In samenwerking met de R.V.A. zijn maatregelen genomen met het oog op de oordeelkundige toepassing van het nieuw koninklijk besluit van 25 februari 1994 door de instellingen voor de betaling van de werkloosheid.(cfr. bijlage) (...).

Zoals voorheen zal uw instelling slechts ingelicht worden omtrent de uitsluitingen van het recht op werkloosheidsuitkeringen die een beletsel zijn voor de toekenning van de kinderbijslag.

Een nieuwe overeenkomst wordt met de R.V.A. afgesloten wat betreft het meedelen van de werkloosheidsperiodes aan de kinderbijslaginstellingen, zoals voorzien met de C.O. 1239 van 20 december 1990.

1. Bijzondere gevallen

1.1. Schoolverlater

Wanneer een uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen slaat op art. 36 van het K.B. van 25 november 1991, moet uw instelling zelf bepalen over welk tijdvak van de wachttijd van 90, 180 of 270 kalenderdagen er geen recht op kinderbijslag bestaat als niet-uitkeringsgerechtigd werkloze (zie punt 3.1.2. van de onderrichting van de R.V.A.).

Er dienen zich twee mogelijkheden aan :

1.1.1. de werkzoekende is ouder dan 25 jaar

In dit geval valt hij niet meer onder de toepassing van art. 62 § 61. Hij kan aanspraak maken op de hoedanigheid van rechthebbende op basis van art. 56novies, op voorwaarde dat geen enkel lid van zijn gezin een recht op kinderbijslag kan verkrijgen.

1.1.2. de werkzoekende is niet ouder dan 25 jaar

  • indien hij voldoet aan de voorwaarden van art. 36 van het K.B. van 25 november 1991 en bijgevolg aan de voorwaarden van art. 62 § 62 G.W., kan hij eventueel aanspraak maken op de hoedanigheid van rechthebbende op basis van de bepalingen van art. 56sexies G.W.
  • indien hij niet voldoet aan de voorwaarden van art. 36 van het K.B. van 25 november 1991, kan de werkzoekende tijdens de wachttijd geen recht verkrijgen op basis van art. 56sexies, noch op basis van art. 56novies G.W.

Bij het einde van de wachttijd, verkrijgt de werkzoekende een potentieel recht op kinderbijslag op basis van art. 56novies G.W. Dit recht is echter ondergeschikt aan het feit dat geen ander gezinslid rechthebbende op kinderbijslag is.

Met de wachttijd bedoelt men de periode van 90, 180 of 270 dagen berekend volgens en naar analogie van de bepalingen van het K.B. van 12 augustus 1985 ter uitvoering van art. 62 § 63 G.W.

1.2. Subsidiair recht

1.2.1. In hoofde van de werkloze

Indien de uitsluiting geen absoluut beletsel is voor het recht op kinderbijslag als werkloze, moet uw instelling niettemin nagaan of de niet-uitkeringsgerechtigde werkloze in een andere hoedanigheid een recht op kinderbijslag kan openen. (zie punt 2, alinea 2 van de onderrichting van de R.V.A.).

Wanneer hij een recht op kinderbijslag kan openen in een andere hoedanigheid, als werknemer (in de gecoördineerde wetten) of als zelfstandige, moet het recht op kinderbijslag als niet-uitkeringsgerechtigd werkloze hem worden ontzegd. Alsdan zal u aan het werkloosheidsbureau een afschrift van de genomen beslissing C.18 vragen.

1.2.2. In het gezin

Indien na onderzoek vastgesteld wordt dat het voorrangsrecht in het gezin een beletsel vormt voor het recht op kinderbijslag als niet uitkeringsgerechtigde werkloze (cfr. punt 3.1.1. en de laatste alinea van punt 3.2 van de onderrichting van de R.V.A.) moet u het werkloosheidsbureau een afschrift van de genomen beslissing C.18 vragen.

2. Inwerkingtreding

Het koninklijk besluit is vanaf 1 juni 1992 toepasselijk, voor sommige bepalingen echter slechts vanaf 1 oktober 1992.

Er bestaat nochtans geen aanleiding om de kinderbijslagdossiers, die werden afgehandeld op grond van het vroegere koninklijk besluit van 14 augustus 1987 systematisch te herzien.

Bij betwisting of op verzoek van de werkloze moet een herziening van het kinderbijslagdossier echter kunnen worden overwogen, indien blijkt dat op grond van de nieuwe tekst de uitsluiting thans geen beletsel meer is voor het verlenen van het recht op kinderbijslag.

Indien de beslissing geen uitsluitsel geeft omtrent het recht op kinderbijslag als niet-uitkeringsgerechtigd werkloze moet uw instelling contact opnemen met het werkloosheidsbureau ten einde een correcte toepassing van de kinderbijslagwetgeving te waarborgen.

INFO: GEZINSBIJSLAGGEZINSBIJSLAG WERKLOZEN - TOEKENNINGSVOORWAARDEN

1. Ter inleiding

Deze onderrichting behandelt enkel het K.B. van 25.02.1994 (B.S. 29.03.1994), zoals gewijzigd door het K.B. van 15.09.1994 (B.S. 08.10.1994), dat bepaalt onder welke voorwaarden werklozen recht hebben op gezinsbijslag (verzamelterm voor kinderbijslag, bijkomende bijslagen, leeftijdsbijslagen, kraamgeld en adoptiepremie), en niet de wijze waarop de uitbetalingsinstelling het kinderbijslagfonds informeert omtrent het aantal werkloosheidsdagen in de beschouwde maand (deze procedure zal in een latere onderrichting besproken worden). Dit besluit van 25.02.1994 vervangt het besluit van 14.08.1987 en is voornamelijk een aanpassing aan het K.B. van 25.11.1991.

Het K.B. is van toepassing op de gewone werklozen gerechtigd op werkloosheidsuitkeringen (in de ruime zin, inclusief de inkomensgarantie-uitkering) of wachtuitkeringen, op de tijdelijk werklozen, de ontslagen bejaarde grensarbeiders en de bruggepensioneerden. Het is eveneens toepasselijk op de werkloze zeelieden, betaald door de Pool der Zeelieden. De R.V.A. is evenwel niet bevoegd voor deze laatste categorie.

2. Basisbeginsel

Een periode van vergoede werkloosheid geeft recht op de toekenning van gezinsbijslag, betaald door het kinderbijslagfonds van de laatste werkgever (bvb. ten bate van de volledig werkloze gerechtigd op werkloosheidsuitkeringen), of van de huidige werkgever (bvb. ten bate van de tijdelijke werkloze), of betaald door de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers (R.K.W.) (bvb. ten bate van de schoolverlater die nog nooit werkte).

In principe heeft de niet vergoede werkloze, die zich als werkloze gedraagt doordat hij/zij ingeschreven is als werkzoekende en de gemeentelijke controle volgt, ook recht op gezinsbijslag. Dit recht is subsidiair, namelijk het bestaat enkel in zoverre de niet vergoede werkloze niet in een andere hoedanigheid reeds een recht op gezinsbijslag als werknemer of zelfstandige opent.

In een aantal gevallen heeft de niet vergoede volledig werkloze echter geen recht op gezinsbijslag. Het K.B. bevat een opsomming van de uitsluitingsgronden die voor hem in meer of mindere mate een beletsel vormen voor het recht op gezinsbijslag. Deze beletsels worden behandeld in punt 3. van deze onderrichting.

Op de regeling voor de niet vergoede tijdelijke werkloze, wordt hier niet ingegaan omdat het in de praktijk normaal niet voorkomt dat er in hoofde van de tijdelijk werkloze een beletsel tot toekenning van het recht op gezinsbijslag bestaat.

3. Welke uitsluitingen vormen een beletsel?

3.1. Beletsel m.b.t. toelaatbaarheidsvoorwaarden

3.1.1. Principe: geen beletsel, doch het recht is subsidiair

De werkloze die niet vergoed wordt omdat hij/zij niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 30, 31, 32, 33, 34, 37, 38 of 43 K.B. 25.11.1991 is rechthebbend op gezinsbijslag, behalve indien een ander gezinslid een recht op gezinsbijslag kan openen.

3.1.2. Bijzonder geval: art. 36

Wat art. 36 K.B. 25.11.1991 betreft, dient het volgend onderscheid te worden gemaakt:

a. wanneer de schoolverlater niet vergoed wordt omdat hij/zij de wachttijd niet of niet volledig doorlopen heeft, vormt dit een beletsel voor de toekenning van het recht op gezinsbijslag gedurende de eerste 90, 180 of 270 kalenderdagen van deze wachttijd (de gezinsbijslagwetgeving telt, anders dan de werkloosheidsreglementering, met kalenderdagen). Deze 90, 180 of 270 dagen houden verband met de termijnen van de wachttijd in de werkloosheidsreglementering. Deze termijnen worden verlengd bij K.B. van 27.12.1993, dat ook een overgangsregeling voorziet. Zij worden berekend overeenkomstig het K.B. van 27.12.1993, dat ook een overgangsregeling voorziet. Zij worden berekend overeenkomstig het K.B. van 12.08.1985 tot uitvoering van art. 62, § 6 (1) van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers. volgend schema is van toepassing:

  • werknemers jonger dan 18 jaar:
    • uitkeringsaanvraag voor 01.09.1994: 90 kalenderdagen
    • uitkeringsaanvraag na 01.09.1994: 180 kalenderdagen
  • werknemers ouder dan 18 jaar:
    • uitkeringsaanvraag voor 01.01.1995: 180 kalenderdagen
    • uitkeringsaanvraag na 01.01.1995: 270 kalenderdagen

Vanaf de 91ste, 181ste en 271ste kalenderdag zal, zelfs al blijft er nog een gedeelte van de wachttijd te doorlopen, de gewone regeling inzake toelaatbaarheid gelden (zie hierboven, punt 3.1.1.).

De kinderbijslaginstellingen zullen zelf nagaan over welke periode (conform het K.B. van 12.08.1985 tot uitvoering van art. 62, § 6 (1) van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers) het beletsel geldt ;

b. wanneer de schoolverlater niet vergoed wordt omdat hij/zij een andere voorwaarde van art. 36 niet vervult (bvb. geen rechtopenende studies beëindigd), geldt hetzelfde principe als voor het niet vervullen van andere toelaatbaarheidsvoorwaarden (zie hierboven, punt 3.1.1.), namelijk geen beletsel, doch het recht is subsidiair en geldt dus niet wanneer een andere gezinslid een recht op gezinsbijslag opent ;

c. bij samenloop van uitsluitingen, enerzijds omwille van het niet doorlopen van de wachttijd (geval a), anderzijds omwille van het niet vervullen van een andere toelaatbaarheidsvoorwaarde (geval b), primeert gedurende de eerste 90, 180 of 270 kalenderdagen van de wachttijd het beletsel zoals besproken in punt a.

3.2. Beletsel m.b.t. toekenningsvoorwaarden

Uitsluitingen in toepassing van de volgende vergoedbaarheidsartikelen vormen een beletsel voor de toekenning van gezinsbijslag:

- art. 52, § 2 en § 3 en art. 52bis, § 2, lid 2 : uitsluiting ingevolge ontslag, werkverlating, werkweigering... bij herhaling of tweede herhaling;

- art. 56 en 58 : uitsluiting omwille van onbeschikbaarheid voor de arbeidsmarkt of niet inschrijving als werkzoekende; dit beletsel volgt uit art. 4, § 1 van het K.B. van 25.02.1994 en wordt vastgesteld ofwel door de uitbetalingsinstelling bij nazicht van de controlekaart (bewijs inschrijving ontbreekt), ofwel door het werkloosheidsbureau in welk geval een beslissing tot uitsluiting wordt betekend (zie ook punt 5.3.);

- art. 66, 67, 68, 69 : uitsluiting wegens een effectief verblijf in België, wegens legerdienst, dienst als gewetensbezwaarde of verblijf in de gevangenis, wegens het volgen van studies met volledig leerplan of middenstandsopleiding (zonder vrijstelling in toepassing van art. 92), wegens niet voldoen aan de wetgeving inzake het verblijf en de tewerkstelling van vreemdelingen;

- art. 71 : uitsluiting wegens niet naleving van de verplichtingen inzake controle; dit beletsel volgt uit art. 4, § 1 van het K.B. van 25.02.1994 en wordt doorgaans vastgesteld door de uitbetalingsinstelling bij nazicht van de controlekaart (zie ook punt 5.3.).

Bijzonder geval: art. 55, 2°, 4° en 5° : werkverlating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen of kind op te voeden vormt geen beletsel doch het recht is subsidiair en geldt dus niet wanneer een andere gezinslid een recht op gezinsbijslag opent (cfr. toelaatbaarheidsvoorwaarden punt 3.1.1.).

3.3 Beletsel m.b.t. administratieve sancties

Wanneer de werkloze in toepassing van de volgende artikelen wordt gesanctioneerd, komen de hierdoor niet vergoede periodes niet in aanmerking voor de toekenning van gezinsbijslag:

- art. 153, lid 3 : onjuiste, onvolledige, niet of te laat afgelegde verklaringen, in geval van herhaling;

- art. 154, lid 2 : niet correct invullen en voorleggen controlekaart, in geval van herhaling;

- art. 155, lid 2 : onjuiste stukken, vals stempelmerk gebruiken, in geval van herhaling;

- art. 156 : verhinderen toezicht (vormt steeds een beletsel);

4. Praktische uitwerking

4.1. Wat moet op de beslissing tot uitsluiting vermeld worden ?

4.1.1. Algemeen

Hierna volgt de tekst van de alinea die, naargelang de uitsluitingsgrond waarop de beslissing tot uitsluiting (C 29) gebaseerd is, aan deze beslissing moet worden toegevoegd bij het onderdeel "BELANGRIJKE OPMERKING". Deze tekst kan steeds aangepast worden aan de concrete elementen van een bepaald dossier.

4.1.2. De uitsluitingsgrond vormt geen beletsel

a. De beslissing heeft enkel terugwerkende kracht:

"De werkloosheidsperiode tijdens dewelke u ten gevolge van deze beslissing niet vergoed wordt, kan in aanmerking komen voor de toekenning van gezinsbijslag."

b. De beslissing geldt enkel voor de toekomst of voor het verleden en de toekomst:

"De werkloosheidsperiode tijdens dewelke u ten gevolge van deze beslissing niet vergoed wordt, kan in aanmerking komen voor de toekenning van gezinsbijslag, voor zover u als werkzoekende ingeschreven bent en blijft, en u de gemeentelijke controle volgt (tenzij u vrijstelling geniet)."

4.1.3. De uitsluitingsgrond vormt een beletsel

Onderstaande vermeldingen moeten opgenomen worden telkens wanneer de beslissing gebaseerd is op een grond die een beletsel vormt, met name bij de hierboven opgesomde gronden van niet-vergoedbaarheid (punt 3.2.) of administratieve sancties (punt 3.3.). Deze vermeldingen worden evenwel niet opgenomen in geval van uitsluiting op grond van art. 55, 2°, 4° en 5° (zie punt 4.1.4.,b).

a. De beslissing heeft enkel terugwerkende kracht:

"De werkloosheidsperiode tijdens dewelke u ten gevolge van deze beslissing niet vergoed wordt, komt NIET in aanmerking voor de toekenning van gezinsbijslag. Bijgevolg zal kinderbijslagdossier worden herzien. Als zou blijken dat u ten onrechte gezinsbijslag hebt genoten, kan deze gezinsbijslag door het kinderbijslagfonds teruggevorderd worden."

b. De beslissing geldt enkel voor de toekomst:

"De werkloosheidsperiode tijdens dewelke u ten gevolge van deze beslissing niet vergoed wordt, komt NIET in aanmerking voor de toekenning van gezinsbijslag. Indien u deze beslissing betwist bij de arbeidsrechtbank, moet u, om uw recht op gezinsbijslag te vrijwaren, als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven, en de gemeentelijke controle volgen (tenzij u vrijstelling geniet)."

c. De beslissing geldt voor het verleden en de toekomst:

"De werkloosheidsperiode tijdens dewelke u ten gevolge van deze beslissing niet vergoed wordt, komt NIET in aanmerking voor de toekenning van gezinsbijslag. Bijgevolg zal u kinderbijslagdossier worden herzien. Als zou blijken dat u ten onrechte gezinsbijslag hebt genoten, kan deze gezinsbijslag door het kinderbijslagfonds teruggevorderd worden. Indien u deze beslissing betwist bij de arbeidsrechtbank, moet u, om uw recht op gezinsbijslag te vrijwaren, als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven, en de gemeentelijke controle volgen (tenzij u vrijstelling geniet)."

d. Opmerking:

Wanneer de betrokken werknemer rechthebbend is op gezinsbijslag, zendt het werkloosheidsbureau in deze gevallen steeds een typebrief C 18 aan het kinderbijslagfonds of de R.K.W. en wordt in de commentaarzone van het S04-SCHERM de vermelding aangebracht: "BELETSEL GEZINSBIJSLAG" (zie punt 4.2.).

4.1.4. De toelaatbaarheidsvoorwaarden

a. Het betreft een uitsluiting in toepassing van art. 36 van het K.B. van 25.11.1991 (zie punt 3.1.2.):

"De eerste...4 kalenderdagen van uw wachttijd als jonge werknemer komen in principe niet in aanmerking voor de toekenning van gezinsbijslag. De kinderbijslaginstelling zal, op grond van de bepalingen ter zake, beslissen over welk tijdvak u geen recht op gezinsbijslag hebt.

De andere werkloosheidsdagen, die ten gevolge van deze beslissing niet vergoed worden, komen wel in aanmerking, in zover er geen ander lid van uw gezin een recht op gezinsbijslag opent. U moet, om uw recht op gezinsbijslag te vrijwaren, als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven, en de gemeentelijke controle volgen (tenzij u vrijstelling geniet)."

Opmerking : Ook hier zendt het werkloosheidsbureau, wanneer de betrokken werknemer rechthebbend is op gezinsbijslag, een typebrief C 18 aan het kinderbijslagfonds of de RKW, doch in dit geval voegt het bureau een kopie van de beslissing tot uitsluiting (C 29) toe. In de commentaarzone van het S04-scherm wordt de vermelding aangebracht: "BELETSEL GEZINSBIJSLAG" (zie punt 4.2.).

b. Het betreft een andere uitsluiting inzake toelaatbaarheid (zie punt 3.1.) of een uitsluiting in toepassing van art. 55, 2°, 4° of 5° (zie punt 3.2.):

"De werkloosheidsdagen die ten gevolge van deze beslissing niet vergoed worden, kunnen in aanmerking komen voor de toekenning van gezinsbijslag, in zover er geen ander lid van uw gezin een recht op gezinsbijslag opent. U moet dan wel als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven, en de gemeentelijke controle volgen (tenzij u vrijstelling geniet)."

Opmerking : In dit geval zendt het werkloosheidsbureau slechts een typebrief C 18 aan het kinderbijslagfonds of de R.K.W. indien de kinderbijslaginstelling hier uitdrukkelijk om verzoekt. In het S04-scherm wordt geen vermelding inzake gezinsbijslag opgenomen.

4.1.5. Gemengde beslissingen

Bij samenloop van verschillende uitsluitingsgronden, kan het voorkomen dat de werkloze niet vergoed wordt op grond van meerdere artikelen waarvan sommige een beletsel voor de toekenning van gezinsbijslag vormen en andere niet.

Volgende regels moet men daarbij in acht nemen:

- wanneer de verschillende uitsluitingsgronden betrekking hebben op dezelfde uitsluitingsperiode, primeert steeds het artikel dat een beletsel vormt:

Voorbeeld 1 : uitsluiting voor onbepaalde duur in toepassing van art. 61, § 1 K.B. vanaf 26.09.1994 en administratieve sanctie in toepassing van art. 154, lid 2 K.B. gedurende 26 weken (geval van herhaling) vanaf 05.12.1994 (maandag volgend op afgifte C 29 ter post): er bestaat een beletsel tot toekenning van gezinsbijslag gedurende 26 weken vanaf 05.12.1994.

Voorbeeld 2 : uitsluiting voor het verschil tussen gezinscode A en B vanaf 20.09.1993 in toepassing van art. 110 K.B. en administratieve sanctie in toepassing van art. 153, lid 3 K.B. gedurende 52 weken (geval van herhaling) vanaf 03.10.1994 (maand ag volgend op afgifte C 29 ter post): er bestaat een beletsel tot toekenning van gezinsbijslag gedurende 52 weken vanaf 03.10.1994.

- wanneer de duur van verschillende sancties wordt samengeteld in toepassing van art. 159 K.B., wordt de sanctie die een beletsel vormt geacht het eerst uitwerking te hebben.

Voorbeeld : administratieve sanctie art. 154, lid 1 K.B. gedurende 13 weken (geen herhaling) en art. 156 K.B. gedurende 4 weken vanaf 26.09.1994: er bestaat een beletsel tot toekenning van gezinsbijslag gedurende 4 weken vanaf 26.09.1994.

In zulke "gemengde" beslissingen dient één van de volgende vermeldingen, eventueel aangepast aan het concrete dossier, te worden opgenomen:

a. de beslissing heeft enkel terugwerkende kracht:

"De werkloosheidsdagen, gelegen in de periode van... tot en met...5 (te verlengen met ziekteperiodes), die ten gevolge van deze beslissing niet vergoed worden, kunnen NIET in aanmerking komen voor de toekenning van gezinsbijslag. Bijgevolg zal uw kinderbijslagdossier worden herzien. Als zou blijken dat u ten onrechte gezinsbijslag hebt genoten, kan deze gezinsbijslag door het kinderbijslagfonds teruggevorderd worden."

b. de beslissing geldt enkel voor de toekomst:

"De werkloosheidsdagen, gelegen in de periode van... tot en met...6 (te verlengen met ziekteperiodes), die ten gevolge van deze beslissing niet vergoed worden, kunnen NIET in aanmerking komen voor de toekenning van gezinsbijslag. Indien u deze beslissing betwist bij de arbeidsrechtbank, moet u, om uw recht op gezinsbijslag te vrijwaren, als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven, en de gemeentelijke controle volgen (tenzij u vrijstelling geniet). Deze verplichtingen gelden eveneens voor of na de voormelde uitsluitingsperiode, indien u uw recht op gezinsbijslag wil vrijwaren." -------------------------------- -------------------------------------------------------------------------------------------------- (*) In te vullen: begin- en einddatum van de uitsluiting(en) in toepassing van een artikel dat het beletsel vormt. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

c. de beslissing geldt voor het verleden en voor de toekomst:

"De werkloosheidsdagen, gelegen in de periode van... tot en met...7 (te verlengen met ziekteperiodes), die ten gevolge van deze beslissing niet vergoed worden, kunnen NIET in aanmerking komen voor de toekenning van gezinsbijslag. Bijgevolg zal uw kinderbijslagdossier worden herzien. Als zou blijken dat u ten onrechte gezinsbijslag hebt genoten, kan deze gezinsbijslag door het kinderbijslagfonds teruggevorderd worden. Indien u deze beslissing betwist bij de arbeidsrechtbank, moet u, om uw recht op gezinsbijslag te vrijwaren, als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven, en de gemeentelijke controle volgen (tenzij u vrijstelling geniet). Deze verplichtingen gelden eveneens voor of na de voormelde uitsluitingsperiode, indien u uw recht op gezinsbijslag wil vrijwaren."

d. Opmerking:

Ook in deze gevallen zendt het werkloosheidsbureau, wanneer de betrokken werknemer rechthebbend is op gezinsbijslag, een typebrief C 18 aan het kinderbijslagfonds of de R.K.W. en wordt in de commentaarzone van het S04-scherm de vermelding aangebracht: "BELETSEL GEZINSBIJSLAG" (zie punt 4.2.).

4.2. Mededeling van de beslissing aan het kinderbijslagfonds of de R.K.W.

4.2.1. Algemeen: de typebrief C 18

De gegevens die de kinderbijslaginstelling nodig heeft om te beslissen over het recht op gezinsbijslag van de werkloze, worden aan haar meegedeeld via een typebrief C 18.

Een typebrief C 18 moet aan het bevoegde kinderbijslagfonds of de R.K.W. worden overgemaakt, telkens wanneer: 1° de uitsluitingsgrond een beletsel vormt voor de toekenning van gezinsbijslag; 2° de betrokken werknemer rechthebbend is op gezinsbijslag, hetgeen terug te vinden is op het formulier C 1.

Deze typebrief wordt opgemaakt met behulp van de glossary 4100.

Normalerwijze gebeurt dit onmiddellijk na het opmaken van de beslissing tot uitsluiting (C 29). De typebrief C 18 kan ook later opgemaakt worden. Dit zal bijvoorbeeld nodig zijn wanneer de kinderbijslaginstelling vraagt de gegevens met betrekking tot een uitsluiting toelaatbaarheid mee te delen (zie punt 4.1.4.,b).

Het aanmaken van deze typebrief gebeurt gedeeltelijk automatisch. Een aantal gegevens zal het werkloosheidsbureau echter zelf moeten invullen, ofwel manueel, ofwel via een keuzemenu.

Het betreft:

1° de naam en het adres van het bevoegde kinderbijslagfonds (zie punt 4.2.3.); 2° het aansluitings- of refertenummer inzake gezinsbijslag (zie punt 4.2.3.); 3° het beletsel en de uitsluitingsperiode (zie punt 4.2.4.).

4.2.2. Achtergrondinformatie: welk kinderbijslagfonds is bevoegd ?

De hiernavolgende uitleg bespreekt slechts op algemene wijze de bevoegdheid van de kinderbijslagfondsen, zonder hierover in detail te treden.

4.2.2.1. In geval van tewerkstelling

Aan de deeltijdse (vrijwillig of onvrijwillig) werknemer die geen bijkomende werkloosheidsuitkering (aanvullende uitkeringen voor inactiviteitsuren of inkomensgarantie-uitkering) geniet, en aan de voltijdse werknemer wordt de gezinsbijslag uitbetaald door het kinderbijslagfonds van de huidige werkgever. Het kinderbijslagfonds waarbij de werkgever is aangesloten kan de R.K.W. zijn, in welk geval een provinciaal bureau van de R.K.W. bevoegd is.

4.2.2.2. In geval van volledige werkloosheid

4.2.2.2.1. De werkloze die reeds gewerkt heeft

Wanneer de werkloze voorheen rechthebbende op gezinsbijslag was bij een kinderbijslaginstelling ingevolge een vroegere tewerkstelling, blijft deze kinderbijslaginstelling in principe bevoegd. Ook indien hij/zij gewerkt heeft, doch nog geen rechthebbende op kinderbijslag was, is de kinderbijslaginstelling van de laatste werkgever bevoegd.

Het kinderbijslagfonds van de laatste werkgever blijft bevoegd totdat de werknemer opnieuw gedurende een ononderbroken periode van meer dan 14 opeenvolgende kalenderdagen aan het werk is zonder dat hij/zij bijkomende uitkeringen kan of wil genieten, of totdat er tijdens een periode van onderbreking van de werkloosheid volgens de kinderbijslagwetgeving een tewerkstelling was, en het kinderbijslagfonds van de nieuwe werkgever bevoegd wordt.

4.2.2.2.2. De werkloze die nooit gewerkt heeft

Aan de werklozen die nog nooit gewerkt hebben, wordt gezinsbijslag uitbetaald door de R.K.W.

4.2.2.3. In geval van deeltijdse tewerkstelling

Voor de onvrijwillig deeltijdse werknemer, de deeltijdse werknemer met behoud van rechten of de vrijwillig deeltijdse werknemer gelden volgende regels: 1° de kinderbijslaginstelling van de laatste werkgever (zie punt 4.2.2.2.1.) of de R.K.W. blijft bevoegd voor de aan de werknemer betaalde gezinsbijslag zolang hij/zij als onvrijwillig deeltijdse werknemer, werknemer met behoud van rechten of vrijwillig deeltijdse werknemer bijkomende werkloosheidsuitkeringen geniet ;

2° het kinderbijslagfonds van de nieuwe werkgever wordt slechts bevoegd wanneer de deeltijdse werknemer gedurende ene ononderbroken periode van 14 opeenvolgende kalenderdagen geen uitkeringen als werkloze meer geniet omdat hij/zij hetzij voltijds aan het werk is, hetzij als deeltijdse werknemer geen uitkeringen meer kan of wil genieten.

4.2.3. Welk kinderbijslagfonds en refertenummer vermelden op de typebrief C 18 ?

Het is niet altijd eenvoudig om uit te maken welk kinderbijslagfonds of provinciaal bureau van de R.K.W. bevoegd is voor de uitbetaling van gezinsbijslag aan de betrokken werknemer op het ogenblik van de beslissing tot uitsluiting, en bijgevolg evenmin aan welk fonds de mededeling van deze bes lissing moet gebeuren.

Het werkloosheidsbureau kan zich enkel baseren op de gegevens die in het dossier terug te vinden zijn, gegevens verstrekt door de laatste werkgever, de huidige werkgever of de werkloze.

Wat de praktische werkwijze betreft, moet men volgende situaties onderscheiden.

4.2.3.1. Het bevoegde kinderbijslagfonds is gekend

Wanneer de betrokken werknemer ooit gewerkt heeft of thans deeltijds werkt en rechthebbend is op gezinsbijslag, zal men meestal de benaming en het adres van het bevoegde kinderbijslagfonds kunnen terugvinden op het formulier C 4 afgeleverd door de laatste werkgever, op het formulier C4 deeltijds of het formulier C 131 A afgeleverd door de huidige werkgever, of op het formulier C 109. Is dit het geval, dan moet de typebrief C 18 aan dit fonds worden overgemaakt. Dit gebeurt door in het menu 0 als bestemmeling " 1=kinderbijslagfonds" te kiezen, waarna men de naam en het adres van dit fonds invult.

Wanneer het kinderbijslagfonds waarbij de werkgever is aangesloten de R.K.W. is, wordt de typebrief C 18 naar het op het werkloosheidsformulier vermelde provinciaal bureau van de R.K.W. gezonden. Hiervoor kiest men in het menu 0 als bestemmeling "2=provinciaal bureau R.K.W.", waarna in menu 1 van glossary 4100 het betreffende provinciaal bureau wordt aangeduid.

De glossary zal in beide voornoemde gevallen volgende vermelding in de typebrief opnemen: "Uit de gegevens in ons bezit leiden wij af dat deze werkloze aanspraak maakt op gezinsbijslag ten laste van uw fonds." Er zal gevraagd worden het aansluitingsnummer of refertenummer in te vullen. Deze referte vindt men terug op de hogergenoemde formulieren. In sommige gevallen betreft het een aansluitingsnummer van de werkgever en de werknemer, in andere gevallen betreft het een aansluitingsnummer van de werkgever en de werknemer, in andere gevallen één individueel refertenummer. Alle door de werkgever meegedeelde nummers worden opgenomen in de typebrief, dit om het opzoekingswerk van de kinderbijslagfondsen te vergemakkelijken.

4.2.3.2. De werknemer heeft nooit gewerkt of slechts deeltijds met een bijkomende uitkering

Wanneer de betrokken werknemer nog nooit werkte of slechts deeltijds met een bijkomende uitkering, en hij/zij rechthebbend is op gezinsbijslag, zal men een typebrief C 18 overmaken aan de R.K.W., Directie Controle, Trierstraat 70, 1040(1) Brussel. In dit geval kiest men in het menu 0 als bestemmeling " 3=R.K.W. - Directie Controle", waarna het adres van de R.K.W. automatisch wordt ingevuld.

Wanneer de bestemmeling van de typebrief C 18 de R.K.W. is, zal steeds het menu 2 van glossary 4100 verschijnen. In het hier besproken geval, dient men voor "1: nog nooit gewerkt of slechts deeltijds gewerkt" te opteren, waarna volgende vermelding in de typebrief wordt opgenomen: "Uit de gegevens in ons bezit leiden wij af dat deze werkloze aanspraak maakt op gezinsbijslag ten laste van de R.K.W. omdat betrokkene nog nooit gewerkt heeft of slechts deeltijds met een bijkomende uitkering".

Wanneer het werkloosheidsbureau over een refertenummer terzake zou beschikken, dient men dit te vermelden op de typebrief om aldus onnodig opzoekingswerk voor de R.K.W. te vermijden.

4.2.3.3. Het bevoegde kinderbijslagfonds is niet gekend

Wanneer het bevoegde kinderbijslagfonds niet gekend is of het werkloosheidsbureau geen correcte gegevens over het kinderbijslagfonds in het dossier kan terugvinden, en de betrokken werknemer rechthebbend is op gezinsbijslag, zal men eveneens een typebrief C 18 overmaken aan de R.K.W., Directie Controle, Trierstraat 70, 1040(1) Brussel. Ook in dit geval kiest men in het menu 0 als bestemmeling "3=R.K.W. - Directie Controle", waarna het adres van de R.K.W. automatisch wordt ingevuld.

In het menu 2 van glossary 4100, kiest men "2: niet af te leiden welk kinderbijslagfonds bevoegd is", waardoor volgende vermelding de typebrief wordt opgenomen: "Uit de gegevens in ons bezit kunnen wij niet afleiden welk kinderbijslagfonds bevoegd is".

Wanneer het werkloosheidsbureau over een refertenummer terzake zou beschikken, dient men dit op de typebrief te vermelden.

4.2.4. Het beletsel, de uitsluitingsperiode en art. 36

In de typebrief C 18 moet het artikel dat een beletsel vormt worden opgenomen, evenals de periode gedurende dewelke betrokkene op grond van dit artikel werd uitgesloten.

Met menu 3 van glossary 4100 selecteert men het toepasselijke artikel. In de lijst van menu 3 zijn alle beletsels m.b.t. toekenningsvoorwaarden (zie punt 3.2.) en m.b.t. administratieve sancties (zie punt 3.3.) opgenomen. Aan de hand van menu 4 vult men de uitsluitingsperiode in.

Wanneer de betrokken werkloze werd uitgesloten in toepassing van meerdere artikels die een beletsel vormen, moet men dit in de beslissing opnemen door keuze 1 te nemen in menu 5. Men kan dan nogmaals, via menu 3 en 4, een artikel en een periode aanduiden.

Indien betrokkene werd uitgesloten in toepassing van artikel 36 K.B. 25.11.1991, wordt dit vermeld in de typebrief C 18, doch in dit geval zendt het werkloosheidsbureau samen met de C 18 een kopie van de beslissing tot uitsluiting (C 29) aan de kinderbijslaginstelling. Daarom dient in dit geval noch de uitsluitingsperiode, noch de vermelding in " Belangrijke opmerking" nogmaals via de typebrief C 18 meegedeeld te worden. Wanneer men in het menu 3 artikel "36" kiest, zal de glossary de tekst van de typebrief hieraan aanpassen.

4.3. Vermelding op de uitkeringskaart

Wanneer er een beletsel bestaat in hoofde van een werknemer rechthebbend op kinderbijslag, wordt er in de commentaarzone van het S04-scherm de vermelding aangebracht: "BELETSEL GEZINSBIJSLAG". Hierdoor zal het bestaan van dit beletsel ook terug te vinden zijn op de print C 2.

5. Slotbemerkingen

5.1. Overgangsregeling

Het K.B. van 25.02.1994 heeft voor het merendeel der bepalingen uitwerking met terugwerkende kracht vanaf 01.06.1992. Het heeft slechts uitwerking vanaf 01.10.1992 ten aanzien van de uitsluitingen op grond van art. 52 en 52bis, voor zover deze in de werkloosheidsreglementering werden ingevoegd vanaf 01.10.1992.

Het werkloosheidsbureau zal, indien de werkloze, de uitbetalingsinstelling, of het kinderbijslagfonds hierom verzoeken, een verklaring opstellen aangaande het recht op gezinsbijslag ter verbetering van een foutieve verklaring vermeld op een in het verleden genomen beslissing (C 29).

5.2. Gevolgen van het bestaan van een beletsel

Wanneer een hierboven besproken uitsluitingsgrond een beletsel vormt voor de toekenning van gezinsbijslag, betekent dit geenszins dat de werkloze tijdens de uitsluitingsperiode ook effectief geen kinderbijslag zal genieten. Ingevolge de wetgeving op de toekenning van gezinsbijslagen, zal hij misschien tijdens deze periode een recht op kinderbijslag kunnen laten gelden op grond van het feit dat hij andere dagen die in aanmerking komen voor de toekenning van het recht op kinderbijslag, kan bewijzen (dit recht wordt immers geopend voor minstens één, soms zelfs twee trimesters). In andere gevallen zal de partner van de werkloze wellicht een recht op gezinsbijslag kunnen genen of zal het gezin eventueel recht hebben op de gewaarborgde kinderbijslag. Bijgevolg zal men de werkloze voor meer gedetailleerde informatie i.v.m. het recht op gezinsbijslag steeds doorverwijzen naar het bevoegde kinderbijslagfonds of de R.K.W.

Voorbeeld : een werknemer is uitkeringsgerechtigd werkloze vanaf 01.02.1994, en geniet kinderbijslag voor zijn twee kinderen. Hij wordt in toepassing van art. 66 van het werkloosheidsbesluit uitgesloten van 20.04.1994 tot en met 31.05.1994. Hoewel deze uitsluiting krachtens het K.B. van 25.02.1994 een beletsel vormt voor de toekenning van kinderbijslag, zal deze werkloze tijdens de uitsluitingsperiode gewoon kinderbijslag blijven ontvangen omdat hij krachtens de kinderbijslagwetgeving op basis van de tweede maand van het vorig trimester (februari) recht heeft op kinderbijslag voor het volledige volgend trimester (april t.e.m. juni).

5.3. Taak van de uitbetalingsinstelling in geval van beletsel art. 58 en art. 71

Indien de uitbetalingsinstelling bij nazicht van de controlekaart vaststelt dat de verplichtingen inzake inschrijving of inzake de werklozencontrole niet werden gevolgd, mag zij de niet vergoede dagen niet aan het kinderbijslagfonds doorgeven als "niet vergoede dagen zonder beletsel".

5.4. Glossaries (C 29), de controlekaart C 3.4 en glossary 4100 (typebrief C 18)

De vermelding inzake gezinsbijslag in de bestaande glossaries en de controlekaart C 3.4 zullen zo snel mogelijk aan het K.B. van 25.02.1994 worden aangepast. In afwachting daarvan, dient het werkloosheidsbureau in haar beslissingen reeds de juiste vermeldingen op te nemen en de nodige gegevens m.b.t. beslissingen tot uitsluiting op de in deze onderrichting vermelde wijze aan de kinderbijslagfondsen of de R.K.W. over te maken.

Het werkloosheidsbureau zal de glossary 4100 (met bijbehorend werkblad), nodig voor het aanmaken van de typebrief C 18, tegelijkertijd met deze onderrichting ontvangen.

  • 1.
  • 2.
  • 3.
  • 4.
  • 5. Thans: 1000
  • 6. In te vullen: "90", "180" of "270", naargelang de werknemer jonger of ouder is dan 18 jaar en naargelang de datum van de uitkeringsaanvraag (zie schema in punt 3.1.2.,a).
  • 7. In te vullen: begin- en einddatum van de uitsluiting(en) in toepassing van een artikel dat het beletsel vormt.
Top