CO 1313 van 5 februari 1998 - KB van 29 oktober 1997 tot wijziging van KB van 30 december 1975 - Recht op kinderbijslag voor het kind dat studies volgt - Erasmus - Lessen na 19 u. - Zomervakantie - Winstgevende activiteit

     

    1. Formele aanpassingen

    1.1. Hernummering van wettelijke bepalingen

    Tengevolge van de hernummering van de paragrafen van artikel 62, S.W.K.L. door de wet van 26 april 1996 houdende sociale bepalingen dienen een aantal wettelijke bepalingen te worden aangepast.

    De artikelen 1, 2,1°, 6,1°, 7 e, 8 van het Koninklijk besluit van 29 oktober 1997 preciseren de uit te voeren aanpassingen in enerzijds het Koninklijk besluit van 30 december 1975 en anderzijds het Koninklijk besluit van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, §6 (oud), S.W.K.L.
    Deze aanpassingen wijzigen echter in niets de inhoud van deze bepalingen.

    Al deze aanpassingen hebben uitwerking op 30 april 1996, datum waarop de wet van 29 april 1996 in voege is getreden.

    1.2. Opheffing van enkele bepalingen in het K.B. van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, §6, (oud) S.W.K.L.

    Artikel 9 van het Koninklijk besluit van 29 oktober 1997 heft in het Koninklijk besluit van 12 augustus 1985 de bepalingen op die verband houden met de toekenning van de kinderbijslag als het kind zijn leger- of burgerdienst vervult.

    Daar de leger- of burgerdienst momenteel niet meer vervuld dient te worden, hebben deze bepalingen geen bestaansreden meer.

    Deze afschaffing heeft uitwerking op 1 januari 1998.

    2. Inhoudelijke wijzigingen van het K.B. van 30 december 1975

    2.1. Aanvulling van het bestaande artikel 4 met een derde lid - Erasmus en andere projecten

    Het gebeurt regelmatig dat universiteitsstudenten een deel van hun studies in het kader van een Europees project (zoals b.v. Erasmus) in een andere lidstaat van de Europese Unie (1) volgen, terwijl zij ingeschreven blijven in een Belgische universiteit.

    Tot op heden werd het recht op kinderbijslag voor deze studenten afhankelijk gesteld van de invulling van een controleformulier door de buitenlandse schoolinrichting. Wanneer deze buitenlandse inrichting het formulier niet invulde, werd het recht op kinderbijslag geschorst.

    Artikel 2, 2° van het Koninklijk besluit van 29 oktober 1997 voegt thans een derde lid toe aan het bestaande artikel 4 van het Koninklijk besluit van 30 december 1975.
    Door deze invoeging kan voortaan kinderbijslag worden toegekend zonder invulling van een controleformulier door de buitenlandse schoolinrichting aan de studenten die deelnemen aan een dergelijk (reeds bestaand of nieuw) Europees project zo de volgende voorwaarden vervuld zijn :

    • de student is regelmatig ingeschreven in een in België gevestigde universiteit ;
    • de student volgt voltijds onderwijs in een andere Lidstaat van de Europese Unie ;
    • het gevolgde voltijds onderwijs maakt integraal deel uit van het studieprogramma van de Belgische universiteit en heeft een volledige academische erkenning.

    De bijlage 54/1 bij de CO 949 wordt dus opgeheven.

    Wij vestigen uw aandacht op het feit dat deze wijziging terugwerkt tot 1 september 1997.

    ---------------
    (1) De landen van de Europese Unie zijn op heden : België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Zweden, Tsjechië, Slovakije, Polen, Hongarije, Litouwen, Estland, Letland, Malta, Cyprus, Slovenië.

    2.2. Wijziging van artikel 6 van het bestaande K.B. van 30 december 1975 - Lessen na 19 uur

    Tot op heden bepaalde artikel 6 van het Koninklijk besluit van 30 december 1975 dat de lessen gegeven moeten worden vóór 19 u, met uitzondering van de lessen gegeven in een instelling voor buitengewoon onderwijs.

    Evenwel bestaat in het hoger onderwijs de tendens om, rekening houdend met budgettaire en organisatorische redenen, steeds meer lessen geheel of gedeeltelijk nà 19 u. te geven.

    Artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 speelt in op deze tendens door in het bestaande artikel 6 dat de uitzonderingen betreffende het verplicht volgen van dagonderwijs opsomt, voortaan ook te verwijzen naar het bestaande artikel 4.

    Vermits dit laatste artikel de inrichtingen voor hoger onderwijs betreft, heeft dit tot gevolg dat de studenten hoger onderwijs die regelmatig ingeschreven zijn in een in of buiten het Rijk gevestigde inrichting voortaan op onbeperkte wijze worden vrijgesteld van de verplichting om dagonderwijs te volgen.

    Deze wijziging werkt terug tot 1 september 1997.

    2.3. Invoeging van een artikel 10bis in het bestaande K.B. van 30 december 1975 - Zomervakantie

    Tot op heden werd het recht op kinderbijslag gedurende de zomervakantie behouden indien het kind de lessen geregeld heeft gevolgd sedert het einde van de paasvakantie (lentevakantie). Als zomervakantie wordt beschouwd de vakantie die valt tussen het einde van het schooljaar in de onderwijsinrichting die het kind voor de vakantie heeft bezocht en het begin van het schooljaar in de onderwijsinrichting waar het kind het volgend jaar schoolgaat. Die periode mag evenwel 120 kalenderdagen niet overschrijden.

    In het buitenland, meer bepaald in het zuidelijk halfrond, corresponderen de vakantieperiodes niet met onze periodes tengevolge van klimatologische omstandigheden. Zo valt bv. in Zuid-Amerika de "zomervakantie" in onze winterperiode en worden lessen gegeven in onze zomervakantie.

    Om te vermijden dat een kind dat in het buitenland studeert of terugkeert vanuit het buitenland naar België zijn recht op kinderbijslag in de vakantie ziet verloren gaan, heeft het nieuwe artikel 10bis (ingevoegd door artikel 4 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997) de band tussen de genomen zomervakantie en het voorbije schooljaar doorgeknipt.

    Het nieuwe artikel 10bis van het koninklijk besluit van 30 december 1975 viseert twee situaties nl. :

    a. Het kind dat zijn studies in het buitenland onderbreekt om in België de vakantieperiode door te brengen.

    Dit kind heeft recht op kinderbijslag gedurende de vakantieperiode in België op voorwaarde dat :

    • het regelmatig in het buitenland de lessen heeft gevolgd gedurende de hele periode vanaf het einde van de vakantie in het buitenland tot en met juni ;
    • het de lessen hervat in België of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte op de dag dat deze lessen werkelijk aanvangen en ten laatste op 1 november van hetzelfde kalenderjaar.

    Als vakantieperiode (in België) wordt beschouwd de periode die onmiddellijk volgt op de onderbreking van de lessen in het buitenland, ten vroegste beginnend op 1 juli en ten laatste eindigend op 31 oktober van hetzelfde kalenderjaar.

    Wij wijzen er hier uitdrukkelijk op dat het kind dat lessen heeft gevolgd in het buitenland de lessen moet hervatten in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, d.w.z. één van de lidstaten van de Europese Unie (zie voor de opsomming ervan : voetnoot 1), IJsland, Noorwegen of Liechtenstein.

    b. Het kind dat de lessen onderbreekt die het regelmatig in België of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte heeft gevolgd om vakantie te nemen in het buitenland.

    Dit kind heeft recht op kinderbijslag gedurende de vakantieperiode in het buitenland op voorwaarde dat :

    • het regelmatig de lessen in België (of een andere lidstaat van de E.E.R.) heeft gevolgd vanaf 1 november tot het begin van de vakantie in het buitenland ;
    • de lessen hervat in het buitenland op de dag dat deze lessen werkelijk aanvangen.

    Als vakantieperiode (in het buitenland) wordt beschouwd de periode die overeenstemt met de bewezen werkelijke vakantie in het buitenland. Deze periode mag evenwel honderdtwintig kalenderdagen niet overschrijden.

    Uit wat voorafgaat blijkt dat het recht op kinderbijslag eventueel kan worden behouden tijdens twee verschillende "zomervakantieperiodes" (nl. één in het buitenland en één in België) in hetzelfde kalenderjaar (dit is hetzij het jaar dat studies in België of de E.E.R. worden onderbroken om studies in het buitenland te hervatten hetzij in het jaar dat studies in het buitenland worden onderbroken om studies in België of de E.E.R. te hervatten) op voorwaarde dat de lessen regelmatig worden gevolgd buiten de bedoelde vakantieperiodes.

    Enkele voorbeelden :

    1. In het buitenland situeert het schooljaar zich tussen 1 mei en 31 januari en de vakantieperiode tussen 1 februari en 30 april. Het kind handelt als volgt :

    • vanaf 1/5 tot 30/6 volgt het lessen in het buitenland ;
    • vanaf 01/07 tot 30/09 (dus drie maanden van het schooljaar waarin de lessen in het buitenland doorgaan maar die overeenkomen met de zomervakantiemaanden in België) verblijft het kind in België ;
    • vanaf 01/10 (datum waarop de lessen een aanvang nemen in België) vat het kind opnieuw studies aan in België.

    Dit kind heeft recht op kinderbijslag voor de periode die overeenstemt met de vakantie in België (d.w.z. de maanden juli, augustus, september 1996).

    2. In het buitenland situeert het schooljaar zich tussen 1 mei en 31 januari en de vakantieperiode tussen 1 februari en 30 april. Het kind handelt als volgt :

    • vanaf 01/11 tot 31/1 volgt het kind regelmatig de lessen in België of een andere lidstaat van de E.E.R. ;
    • vanaf 1/2 tot en met 30/4 neemt het vakantie in het buitenland ;
    • vanaf 1/5 hervat het de lessen in het buitenland.

    Dit kind heeft recht op kinderbijslag voor de periode die overeenstemt met de vakantie in het buitenland (d.w.z. de maanden februari, maart en april).

    3. In het buitenland situeert het schooljaar zich tussen 1 mei en 31 januari en de vakantieperiode tussen 1 februari en 30 april. Het kind handelt als volgt :

    • vanaf 1/11 tot 31/1 volgt het kind regelmatig de lessen in België of een andere lidstaat van de E.E.R. ;
    • vanaf 1/2 tot 30/4 (d.w.z. vakantie volgend op het schooljaar in het buitenland) neemt het vakantie in het buitenland ;
    • vanaf 1/5 tot 30/6 d.w.z. vanaf de aanvang van het schooljaar in het buitenland, volgt het regelmatig de lessen in het buitenland ;
    • vanaf 1/7 tot 30/9 (d.w.z. drie maanden die overeenstemmen met de vakantieperiode in België maar waarin het schooljaar in het buitenland verder loopt) neemt het vakantie in België ;
    • vanaf 1/10 (datum waarop de lessen een aanvang nemen in België) vat het kind opnieuw studies aan in België.

    Dit kind heeft recht op kinderbijslag voor de periode die overeenstemt met de vakantie in het buitenland (d.w.z. de maanden februari, maart en april) én voor de periode die overeenstemt met de vakantie in België (d.w.z. de maanden juli, augustus en september).

    Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot 1 juli 1996.

    Tenslotte moet er hier op worden gewezen dat de invoeging van het nieuwe artikel 10bis in het Koninklijk besluit van 30 december 1975 het noodzakelijk maakte ook het bestaande artikel 11 aan te passen.

    Het bestaande artikel 11 van het Koninklijk besluit van 30 december 1975 bepaalt in welke gevallen er tijdens de zomervakantie geen kinderbijslag kan worden verleend omdat een winstgevende activiteit of het genot van een sociale uitkering de toekenning van de kinderbijslag heeft belet over de gehele kalendermaand die de maand voorafgaat in de loop waarvan de vakantie begint.

    Tengevolge van de uitbreiding van het begrip zomervakantie door de invoering van het nieuwe artikel 10bis, dient voortaan in het bestaande artikel 11 ook te worden verwezen naar het nieuwe artikel 10bis.

    Deze aanpassing gebeurt door artikel 5 van het Koninklijk besluit van 29 oktober 1997 en heeft uitwerking vanaf 1 juli 1996.

    2.4. Vervanging van artikel 12, 3° van het bestaande K.B. van 30 december 1975 - Winstgevende activiteit gedurende de vakanties

    Momenteel bepaalt artikel 12, eerste lid, 3° dat de winstgevende activiteit (die geen activiteit is in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten) tijdens de vakantie geen beletsel is voor de toekenning van de kinderbijslag op voorwaarde dat de tewerkstelling de duur van de vakantie niet overschrijdt. Met deze overschrijding wordt geen rekening gehouden indien de jongere onmiddellijk na de vakantie opnieuw onderwijs volgt.

    Deze bepaling kan aanleiding geven tot problemen bv. wanneer de tijdens de vakantie uitgeoefende winstgevende activiteit in de loop van dezelfde maand wordt uitgeoefend, deels vóór of deels nà de vakantie.

    De nieuwe bepaling ingevoerd door artikel 6, 2° van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 lost niet alleen deze problemen op, maar voert tegelijkertijd een versoepeling door. De tewerkstelling wordt immers niet langer beperkt tot de duur van de vakantie en evenmin wordt vereist dat het kind onmiddellijk na de vakantie opnieuw onderwijs volgt.

    Krachtens de nieuwe redactie van het artikel 12, eerste lid, 3° zal voor die maand waarin de activiteit deels vóór of deels nà de vakantie wordt uitgeoefend moeten worden nagegaan of de student de activiteit heeft uitgeoefend gedurende minder dan 80 uren (behalve indien het een winstgevende activiteit betreft bedoeld in artikel 12, 1° van het koninklijk besluit van 30 december 1975, m.a.w. een activiteit uitgeoefend in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten). Voor de andere vakantiemaanden waarin de winstgevende activiteit wordt uitgeoefend blijft het recht op kinderbijslag verworven.

    Veronderstellen we dat de zomervakantie in een bepaalde instelling loopt van 1 juli tot 15 september, de jongere de lessen herneemt op 25 september en in het kader van een arbeidsovereenkomst blijft werken van 1 tot 30 september.

    Krachtens de nieuwe redactie zal de jongere in elk geval recht hebben op kinderbijslag voor de maanden juli en augustus, terwijl voor september zal moeten worden nagegaan of de student zijn activiteit heeft uitgeoefend gedurende minder dan 80 uren.

    Wij vestigen uw aandacht op het feit dat artikel 12, eerste lid, 3° thans verwijst naar de "vakantie" zoals omschreven in de artikelen 9, 10 en het nieuwe artikel 10bis (zoals besproken in punt 2.3. van deze omzendbrief).

    Deze nieuwe redactie heeft uitwerking vanaf 1 september 1997, behalve waar verwezen wordt naar artikel 10bis in welk geval het uitwerking heeft vanaf 1 juli 1996.

    3. Regularisaties

    De inhoudelijke wijzigingen van het Koninklijk besluit van 30 december 1975 hebben alle terugwerkende kracht, nl. respectievelijk tot 1 juli 1996 wat betreft de invoeging van de artikelen 10bis en 11 (zomervakantie) en tot 1 september 1997 wat betreft de wijzigingen in de artikelen 4, 6 en 12 (Erasmus - onderwijs na 19u - winstgevende activiteit gedurende de vakanties).

    Deze terugwerkende kracht geeft echter geen aanleiding tot een ambtshalve herziening van dossiers.

    Top