CO 1314 van 17 april 1998 - Toepassing van het Handvest van de sociaal verzekerde (uittreksels)

     

    Artikel 173quater uit Kinderbijslagwet werknemers

     

    (...)

     

    1.2. De begunstigden van de bepalingen van het H.S.V. : de sociaal verzekerden.

    Daarmee worden de natuurlijke personen bedoeld, dus voor de regeling de rechthebbenden en de bijslagtrekkenden die recht hebben op gezinsbijslag, er aanspraak op maken of er aanspraak op kunnen maken.

    Gevolgen :

    - De aangesloten werkgevers genieten de door het H.S.V. geboden waarborgen niet.
    - De O.C.M.W's die voorschotten op de gezinsbijslag hebben toegestaan, genieten, hoewel ze wat de betaling betreft in de rechten van de bijslagtrekkende zijn getreden, niet de waarborgen van het H.S.V. (termijn voor het nemen van een beslissing voor de terugbetaling, ambtshalve verschuldigd zijn van intresten, enz.).

    De wettelijke vertegenwoordigers en de gemachtigden van de sociaal verzekerden moeten beschouwd worden op hetzelfde niveau als de personen die ze vertegenwoordigen. Vragen vanwege personen (politieke mandatarissen, advocaten, enz.) of verenigingen die de belangen van de sociaal verzekerden behartigen (vakbonden, ziekenfondsen, enz.) moeten dan ook behandeld worden alsof ze afkomstig zijn van de sociaal verzekerden die ze vertegenwoordigen (behandelingstermijn voor de aanvragen bepaald in het H.S.V., enz.). Dit principe wijzigt echter geenszins de regels bepaald door de C.O.?s 1292 en 1293 van 16 januari 1996 en door de C.O. 1302 van 24 december 1996 in verband met het meedelen van sociale gegevens van persoonlijke aard aan de personen die tussenbeide komen zelf.

    Indien bijvoorbeeld een vraag om inlichtingen over een bepaald punt van een dossier aan een fonds gericht wordt door een politiek mandataris dan geldt de wettelijke maximale antwoordtermijn van 45 dagen (zie punt 2 hierna) maar het antwoord moet, bij gebrek aan uitdrukkelijke lastgeving naar de sociaal verzekerde zelf gestuurd worden.

    (...)

     

    Artikel 71 uit Kinderbijslagwet werknemers

     

    (...)

     

    7.3. Verplichting tot doorsturen van aanvragen om kinderbijslag die door de sociaal verzekerde per vergissing aan een niet bevoegd fonds gericht werden (art. 9 H.S.V.)

    7.3.1. Grondregels

    Wanneer een fonds een aanvraag om kinderbijslag ontvangt waarvoor het na onderzoek niet bevoegd blijkt, dan moet het deze aanvraag onverwijld doorsturen naar de bevoegde instelling van de sociale zekerheid. Aan de aanvrager wordt meegedeeld dat zijn aanvraagd doorgestuurd is naar de bevoegde instelling van de sociale zekerheid.

    Naar gelang van het toepassingsgebied van het H.S.V. kan een aanvraag die per vergissing aan het fonds is gericht door de sociaal verzekerde het volgende betreffen :

    1. de toekenning van andere sociale uitkeringen dan kinderbijslag, door een andere instelling van de sociale zekerheid ;
    2. de toekenning van kinderbijslag ten laste van de regeling van de zelfstandigen of de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag ;
    3. de toekenning van kinderbijslag ten laste van onze regeling, maar door een ander fonds.

    7.3.2. Praktische toepassing

    Concreet impliceert de toepassing van het H.S.V. twee vernieuwingen :

    • het inlichten van de sociaal verzekerde zelf wanneer zijn aanvraag doorgestuurd wordt ;
    • de verplichting om aanvragen om andere sociale uitkeringen dan gezinsbijslag door te sturen naar de instelling van de sociale zekerheid die bevoegd is om de aanvraag te onderzoeken.
      Deze laatste verplichting, die zich in de praktijk weinig zal voordoen, veronderstelt uiteraard dat men kan bepalen om welke instelling het gaat aan de hand van de gegevens in de aanvraag van de sociaal verzekerde. Indien dit niet het geval is dienen de fondsen de aanvraag terug te sturen naar de sociaal verzekerde, met opgave van de redenen waarom de aanvraag niet kon worden doorgestuurd naar de bevoegde instelling van de sociale zekerheid.

    Het principe van het doorsturen van aanvragen om gezinsbijslag aan de bevoegde instellingen van de openbare sector die niet bedoeld zijn in het H.S.V., blijft overigens van toepassing, krachtens artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit van 12 juni 1989 tot uitvoering van artikel 71, § 2, G.W. In dit geval is er geen verplichting om de sociaal verzekerde in te lichten samen met het doorsturen.

    (...)

     

    Artikel 24 uit Kinderbijslagwet werknemers
    Artikel 120bis uit Kinderbijslagwet werknemers

     

    (...)

     

    10.2. Beslissingen tot terugvordering van onverschuldigde bedragen (artikel 15 van de wet)

    Naast alle vermeldingen van het vorige punt moet de kennisgeving de volgende elementen bevatten :

    • de vaststelling van het onverschuldigd bedrag dat het voorwerp vormt van de kennisgeving ;
    • het totale ten onrechte betaalde bedrag evenals de berekeningswijze ervan : de ten onrechte uitgekeerde bedragen moeten per periode gedetailleerd en opgeteld zijn. Daarin wordt voorzien door de motiveringsmodules ;
    • de inhoud en de referenties van de bepalingen waarmee de onverschuldigde betalingen strijdig zijn : naast het vermelden van de referenties van de wettelijke bepalingen waarop de onverschuldigde betaling een overtreding vormde, dient men ofwel de teksten van de bepalingen in kwestie zelf te voegen, ofwel de inhoud ervan samen te vatten in de kennisgeving zelf ;
    • de verjaringstermijn, ofwel 5 jaar, ofwel 30 jaar(1) bepaald in artikel 120bis G.W., volgens de bijzondere kenmerken van het dossier ;
    • de mogelijkheid voor het fonds om te verzaken aan de terugvordering van het onverschuldigd bedrag, evenals de werkwijze die van toepassing is : de wet legt de verplichting op om de mogelijkheid tot verzaken te vermelden, maar niet om een gedetailleerd overzicht te geven van de gevallen voorzien door de artikelen 91 en 106 G.W., evenals door het koninklijk besluit van 26 juni 1987 ter uitvoering van artikel 119bis G.W. ;
    • de mogelijkheid om een gemotiveerd voorstel te doen voor een gespreide terugstorting : deze mogelijkheid moet vermeld worden ; ze kan gepreciseerd worden door een voorstel tot terugstorting in schijven, met name in verhouding tot de grootte van het onverschuldigd bedrag.

    10.3. Sanctie

    Wanneer een van de wettelijk verplichte vermeldingen niet voorkomt in de beslissing die betekend wordt aan de sociaal verzekerde, begint de termijn waarover deze beschikt om beroep aan te tekenen tegen de genomen beslissing nog niet te lopen.

    Hoewel deze sanctie theoretisch is voor de regeling aangezien de ontvankelijkheidstermijn voor rechts-vorderingen van de sociaal verzekerden dertig(1) jaar bedraagt, zijn de fondsen, bij gebrek aan een bijzondere bepaling daarover in de gecoördineerde wetten, verplicht strikt de hierboven uiteengezette wettelijke bepalingen na te leven.

    14. Intresten verschuldigd door de sociaal verzekerden (artikel 21 van de wet)

    Bij de terugvordering van sommen die ten onrechte werden uitgekeerd ten gevolge van fraude, bedrog of een frauduleuze handeling van de bijslagtrekkende, heeft het fonds het recht om intresten te eisen van de debiteur tegen het wettelijk percentage vanaf de datum van de onverschuldigde betalingen. Bovendien is in dit geval de dertigjarige verjaring (1) van toepassing krachtens artikel 120bis G.W.

    (...)

    15. Verzaking aan de terugvordering van het onverschuldigde bedrag (artikel 22 van de wet)

    15.1. Behoud van de huidige regels

    De huidige regels voor het verzaken aan de terugvordering van onverschuldigde bedragen blijven van toepassing, namelijk:

    • artikel 106, 2de lid, 5° G.W.: mogelijkheid tot verzaken voor de fondsen indien de terugvordering om sociale redenen niet is aangewezen of technisch onmogelijk is;
    • artikel 119bis, 2de lid en het uitvoeringsbesluit ervan van 26 juni 1987 : mogelijkheid tot verzaken voor de fondsen indien het onverschuldigd bedrag kleiner is dan 200 BEF en er geen enkele inhouding meer kan uitgevoerd worden.

    15.2. Nieuwe hypothese in geval van overlijden van de bijslagtrekkende de het onverschuldigd bedrag ontving, voor de kennisgeving van de schuld

    15.2.1. Grondregel

    Wanneer een schuld niet is betekend aan een bijslagtrekkende voor zijn overlijden, moet het fonds ambtshalve verzaken aan de terugvordering van de sommen die de schuld vormen. In dit geval is een aanrekening op het reservefonds noodzakelijk.

    15.2.2. Uitzondering

    In het hierboven beschreven geval kan de terugvordering van het onverschuldigd bedrag toch gebeuren in de volgende situaties en volgens deze modaliteiten:

    • wanneer een onverschuldigd bedrag voortvloeit uit bedrog of fraude dient het in zijn geheel teruggevorderd te worden ten laste van de nalatenschap;
    • wanneer de overleden debiteut tevens schuldeiser was van tijdens zijn leven niet geregulariseerde gezinsbijslag, kan het fonds de bedragen in kwestie inhouden, maar binnen de voorwaarden van artikel 1410 van het gerechtelijk wetboek. In dit geval kan het fonds overgaan tot een totale inhouding op de kinderbijslag die nog verschuldigd is aan de erfgenamen, tenzij het onverschuldigde bedrag zijn oorsprong vindt in een zuiver administratieve fout; dan kan maar 10 % ingehouden worden op de sommen die nog verschuldigd zijn aan de erfgenamen.

    16. Inwerkingtreding

    Alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die hierboven van commentaar zijn voorzien, treden in werking op 1 januari 1997.

    ----------
    (1) Lezen 10 jaar ingevolge de wet van 10 juni 1998, van kracht vanaf 27 juli 1998 (B.S. 17 juli 1998).

     

    Artikel 117 uit Kinderbijslagwet werknemers

     

    (...)

     

    10.1. Beslissingen tot toekenning of weigering van gezinsbijslag (art. 14 H.S.V.)

    De volgende vermeldingen moeten opgenomen zijn in de akte :

    • de mogelijkheid tot het aantekenen van beroep bij de bevoegde rechtbank : men dient te verwijzen naar de bijzondere bevoegdheid van de arbeidsrechtbank bepaald in artikel 117 G.W., conform wat reeds voorzien is door de M.O. 382 van 2 februari 1981 en herinnerd door de C.O. 1282 van 22 december 1994 ;
    • het adres Van de bevoegde rechtbank : in principe moet het exacte adres van de arbeidsrechtbank die bevoegd is volgens de huidige woonplaats van de rechthebbende vermeld zijn, onder voorbehoud van bijzondere gevallen voorzien door de reeds vermelde M.O. 382, waarnaar verwezen wordt ;
    • de modaliteiten om beroep aan te tekenen : wij verwijzen naar de tekst van de M.O. 382, zonder precisering van de termijn om beroep aan te tekenen, aangezien deze, conform het gemeen recht, dertig jaar (1) bedraagt ;
    • de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het gerechtelijk wetboek : men dient ofwel de teksten van deze twee bepalingen te citeren, ofwel de samenvatting die ervan gegeven wordt in de motiveringsmodules ;
    • het nummer van het dossier en de dienst die het dossier beheert ;
    • de mogelijkheid om meer informatie te verkrijgen over de genomen beslissing bij de dienst die het dossier beheert.

    (...)

    ------------------
    (1) Lezen 10 jaar ingevolge de wet van 10 juni 1998.

     

    Artikel 106 uit Kinderbijslagwet werknemers

     

    (...)

     

    15. Verzaking aan de terugvordering van het onverschuldigde bedrag (artikel 22 van de wet)

    15.1. Behoud van de huidige regels

    De huidige regels voor het verzaken aan de terugvordering van onverschuldigde bedragen blijven van toepassing, namelijk :

    • artikel 106, 2de lid, 5° G.W. : mogelijkheid tot verzaken voor de fondsen indien de terugvordering om sociale redenen niet is aangewezen of technisch onmogelijk is ;
    • artikel 119bis, 2de lid en het uitvoeringsbesluit ervan van 26 juni 1987 : mogelijkheid tot verzaken voor de fondsen indien het onverschuldigd bedrag kleiner is dan 200 BEF en er geen enkele inhouding meer kan uitgevoerd worden.

    15.2. Nieuwe hypothese in geval van overlijden van de bijslagtrekkende die het onverschuldigd bedrag ontving, voor de kennisgeving van de schuld

    15.2.1. Grondregel

    Wanneer een schuld niet is betekend aan een bijslagtrekkende voor zijn overlijden, moet het fonds ambtshalve verzaken aan de terugvordering van de sommen die de schuld vormen. In dit geval is een aanrekening op het reservefonds noodzakelijk.

    15.2.2. Uitzondering

    In het hierboven beschreven geval kan de terugvordering van het onverschuldigd bedrag toch gebeuren in de volgende situaties en volgens deze modaliteiten :

    • wanneer een onverschuldigd bedrag voortvloeit uit bedrog of fraude dient het in zijn geheel teruggevorderd te worden ten laste van de nalatenschap ;
    • wanneer de overleden debiteur tevens schuldeiser was van tijdens zijn leven niet geregulariseerde gezinsbijslag, kan het fonds de bedragen in kwestie inhouden, maar binnen de voorwaarden van artikel 1410 van het gerechtelijk wetboek. In dit geval kan het fonds overgaan tot een totale inhouding op de kinderbijslag die nog verschuldigd is aan de erfgenamen, tenzij het onverschuldigde bedrag zijn oorsprong vindt in een zuiver administratieve fout ; dan kan maar 10 % ingehouden worden op de sommen die nog verschuldigd zijn aan de erfgenamen.

    (...)

    Top