CO 1356 van 13 maart 2006 - Meerderjarig kind dat afwisselend en even lang verblijft bij beide ouders - Te volgen procedure als het kind meerderjarig wordt

    Het is gebleken dat er in de praktijk vragen rezen bij de vaststelling van het recht op kinderbijslag als het kind, na de meerderjarigheid, afwisselend en even lang verblijft bij beide ouders.

    Om deze situatie te verhelpen, verduidelijkt deze omzendbrief, na een overzicht van de basisprincipes, de juridische oplossing die in dergelijk geval van toepassing is en bepaalt de procedure die de fondsen moeten volgen als een kind op het punt staat meerderjarig te worden.

    1. Kind dat afwisselend en even lang verblijft bij beide ouders

    1.1. Overzicht van de principes van het burgerlijk recht

    • Tijdens zijn minderjarigheid is het kind onderworpen aan het ouderlijk gezag.

    Het ouderlijk gezag, uit hoofde van de ouders, laat zich definiëren als een geheel van rechten en plichten, waaronder:

      • het gezag over het kind als fysiek persoon, dat het recht omvat een verblijfplaats toe te wijzen aan het kind, met de onderhoudsplicht van dat kind (voeding, lichamelijke zorgen) als logisch uitvloeisel;
      • het gezag over het kind als geestelijk persoon, dat zich kenmerkt door het recht/de plicht van opvoeding van het kind, wat zijn intellectuele, morele en filosofische ontwikkeling betreft.
    • In geval van scheiding van de ouders, veranderen de uitoefeningsmodaliteiten van het ouderlijk gezag, dat tot dan door beide ouders werd uitgeoefend op hun gezamenlijke verblijfplaats, noodzakelijkerwijs.

    Vóór 3 juni 19951 , zoals uitvoerig toegelicht in CO 1307 van 20 juni 1997, werd het hoederecht van het kind volgens het burgerlijk recht toevertrouwd aan één van de ouders. De andere ouder had dan bezoekrecht. In een dergelijke situatie nam de ouder die het hoederecht had, alle beslissingen over het kind, terwijl de andere ouder toezichtrecht had.

    Sinds 3 juni 1995 oefenen de ouders samen het ouderlijk gezag uit, tenzij de rechter beslist het exclusief ouderlijk gezag toe te wijzen aan één ouder (vergelijkbaar met de situatie voor 3 juni 1995). Beide ouders hebben dezelfde rechten/plichten m.b.t. de opvoeding van het kind en moeten bijgevolg gezamenlijk beslissingen nemen.

    Wat betreft de verblijfplaats van het kind in het bijzonder, zijn twee situaties mogelijk:

      • het kind woont hoofdzakelijk bij één van de ouders;
      • het kind woont afwisselend en even lang bij beide ouders. In dat geval spreekt men van beurtouderschap (vóór 3 juni 1995) of van gelijkmatig verdeelde huisvesting (na 3 juni 1995).
    • Als het kind meerderjarig wordt, houdt het ouderlijk gezag op. Het kind kiest op dat moment vrij waar het wil verblijven.

    1.2. Overzicht van de principes inzake het recht op kinderbijslag

    Hieronder volgt een overzicht van de oplossingen die aangewend worden bij de toekenning van de kinderbijslag als het kind bij één van zijn ouders woont, als gevolg van een scheiding van deze.

    1.2.1. Oplossing ingegeven, in laatste instantie, door de feiten

    Volgens de richtlijnen in voornoemde CO 1307 en MO 555 van 26 februari 1998, wijzen de feiten, i.e. de werkelijke verblijfplaats van het minderjarige kind, in laatste instantie2 , de voorrangsgerechtigde rechthebbende3 en de bijslagtrekkende aan, in volgende gevallen:

    • hoederecht, beslist vóór 3 juni 1995 (oude regeling burgerlijk recht);
    • exclusief ouderlijk gezag, beslist vanaf 3 juni 1995;
    • gezamenlijk ouderlijk gezag in het burgerlijk recht van toepassing bij scheidingen tussen 3 juni 1995 en 1 oktober 1997, zonder herziening van het dossier in de omstandigheden bedoeld onder punt II van de MO 5554 : in dat geval geen toepassing van het begrip co-ouderschap inzake kinderbijslag.

    In deze gevallen wordt het domicilie van het kind (RR) vermoedt zijn werkelijke verblijfplaats te zijn.

    Bij meerderjarigheid van het kind (of bij zijn ontvoogding), blijven de oplossingen aangewend tijdens de minderjarigheid, bij een onveranderde feitelijke situatie, van toepassing.

    1.2.2. Oplossing ingegeven door de toepasselijke juridische regeling

    Als de regeling van het gezamenlijk ouderlijk gezag van toepassing is op een minderjarig kind, in gevallen van scheiding vanaf 1 oktober 1997 of tussen 3 juni 1995 en 1 oktober 1997, als een herziening gebeurde in de omstandigheden bedoeld onder punt II van de MO 555, is de regeling van co-ouderschap van toepassing voor de toekenning van de kinderbijslag: toepassing van de juridische fictie volgens welke het gemeenschappelijk gezin voortduurde, zowel voor de aanwijzing van de voorrangsgerechtigde rechthebbende als voor de bepaling van de bijslagtrekkende.

    Bij meerderjarigheid van het kind (of bij zijn ontvoogding), houdt het ouderlijk gezag op en komt bijgevolg een eind aan de juridische fictie volgens welke het gemeenschappelijk gezin bleef voortduren.

    Op dat moment wordt de werkelijke verblijfplaats van het kind het toekenningscriterium voor de hoedanigheid van voorrangsgerechtigde rechthebbende en bijslagtrekkende. Het domicilie van het kind (RR) wordt vermoed zijn verblijfplaats te zijn.

    1.2.3. Bijzondere situatie van het kind dat afwisselend en even lang bij beide ouders verblijft

    • Zoals bepaald in bovengenoemde CO 1307, blijft, bij beurtouderschap in gevallen van scheiding vóór 3 juni 1995, de juridische fictie van het gemeenschappelijk gezin van toepassing zolang de verblijfsduur van het kind bij zijn vader en zijn moeder gelijk blijft. Die oplossing wordt ook aangewend bij scheidingen tussen 3 juni 1995 en 1 oktober 1997 waarbij een afwisselend verblijf voorzien werd, op voorwaarde dat geen herziening gebeurde op basis van de omstandigheden bedoeld onder punt II van de MO 555.

    Dat principe geldt zowel voor minderjarige als voor meerderjarig kinderen. Het is van toepassing als het kind op kamers woont, zonder er gedomicilieerd te zijn5 , en na grootgebracht te zijn in de regeling van beurtouderschap/verdeelde huisvesting.

    • Als de regeling van gezamenlijk ouderlijk gezag van toepassing is op een minderjarig kind in gevallen van scheiding vanaf 1 oktober 1997 of tussen 3 juni 1995 en 1 oktober 1997, als een herziening gebeurde volgens de omstandigheden bedoeld onder punt II van de MO 555, is de juridische fictie bepaald door de wet inzake co-ouderschap, volgens welke het gemeenschappelijk gezin bleef voortduren, van toepassing, ongeacht de verblijfsmodaliteiten van het kind (verblijf bij één van de ouders, afwisselend verblijf van ongelijke duur of gelijkmatig verdeelde huisvesting).

    Als het kind meerderjarig wordt en verder afwisselend en even lang verblijft bij zijn ouders, kan het criterium van uitsluitend of hoofdzakelijk verblijf bij één van de ouders niet gebruiktworden, gezien het kind verder even lang bij zijn vader en moeder verblijft. Bijgevolg wordt verder de juridische fictie van het gemeenschappelijk gezin toegepast6 .

    Dezelfde oplossing wordt aangewend als het kind op kamers woont, zonder er gedomicilieerd te zijn, na grootgebracht te zijn in de regel ing van verdeelde huisvesting.

    2. Praktische maatregelen

    Om het recht voor de meerderjarige kinderen van niet samenwonende ouders correct en klantvriendelijk te kunnen vaststellen volgens de nieuwe procedure van het automatisch onderzoek van het recht dienen de kinderbijslaginstellingen voortaan de volgende richtlijnen in acht te nemen.

    • Uiterlijk drie maanden voordat het kind dat in co-ouderschap wordt opgevoed de leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt de rolcode van de bijslagtrekkende ouder in het Kadaster van de kinderbijslag omgezet in de code 103. Op die manier is de elektronische transmissie van de socio-professionele gegevensfluxen gewaarborgd.

    Tezelfdertijd wordt aan beide ouders een informatiebrief gestuurd. Daarin legt de kinderbijslaginstelling uit welke gevolgen de meerderjarigheid van het kind zal meebrengen op het vlak van de rang, het recht op sociale toeslag, de bijslagtrekkende en de bevoegde kinderbijslaginstelling. Bij die informatieverstrekking worden de ouders ook uitgenodigd een verklaring naar de betalende kinderbijslaginstelling op te sturen waarin ze verduidelijken of het kind afwisselend en even lang gehuisvest wordt door elk van hen en of die gelijkmatig verdeelde huisvesting voort zal duren na de meerderjarigheid van het kind. Die verklaring dient door beide ouders te worden ondertekend en blijft geldig zolang de situatie voortduurt.

    Wanneer het kind 18 jaar wordt, volgt een nieuw onderzoek naar het recht op kinderbijslag. Als de ouders verklaard hebben dat het kind afwisselend bij elk van hen verblijft, worden de rechthebbende en de bijslagtrekkende verder vastgesteld volgens de ' juridische fictie ' van het voortduren van het gemeenschappelijk gezin. Is dat niet het geval, dan gebeurt de vaststelling van het recht voor het meerderjarige kind volgens de nieuwe procedure van het automatisch onderzoek van het recht op basis van de feitelijke verblijfplaats van het kind. Het domicilie van het kind in het Rijksregister vormt daarbij het uitgangspunt. De genomen beslissingen worden gemotiveerd conform het Handvest van de sociaal verzekerde.

    • In het geval co-ouderschap niet van toepassing is op het minderjarige kind, zijn de kinderbijslagfondsen reeds op de hoogte van de situaties waarin het minderjarig kind opgevoed wordt in beurtouderschap en brengt de meerderjarigheid van het kind geen wijzigingen met zich.
    • 1Wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag.
    • 2De ouder die het hoederecht of het exclusief ouderlijk gezag verkregen heeft, is bijslagtrekkende én voorrangsgerechtigde rechthebbende, behalve als de feiten de juridische situatie tegenspreken.
    • 3Cumul van 'intern' (toepassing van artikel 64 KBW) en 'extern' (toepassing van artikel 60 KBW) recht.
    • 4Pro memorie: recht op kinderbijslag vastgesteld vanaf 1 oktober 1997, wijziging van de regeling van het ouderlijk gezag of van de gezinssituatie vanaf 1 oktober 1997, vraag om herziening van één van de ouders.
    • 5In geval van een apart domicilie is het kind zijn eigen bijslagtrekkende, behalve als het zelf, in eigen belang, een (stief)ouder aangewezen heeft als bijslagtrekkende. Wat betreft de aanwijzing van de voorrangsgerechtigde rechthebbende, is de vader dan prioritaire rechthebbende in geval van 'interne' cumul (toepassing van artikel 64 KBW) en de werknemer in geval van externe cumul (toepassing van artikel 60 KBW).
    • 6De moeder blijft zo de bijslagtrekkende. Als de vader echter de hoedanigheid van bijslagtrekkende verkreeg op basis van artikel 69, § 1, derde lid, KBW, wordt verder aan hem betaald.
    Top