CO 832 van 22 mei 1968 - Toepassing van KB 7 van 18 april 1967, KB 30 van 29 juni 1967 en KB 68 van 10 november 1967 (uittreksels)

    Artikel 55 uit Kinderbijslagwet werknemers

    In onze omzendbrief nr. 808 van 20 juli 1967 hebben wij de voorwaarden opgesomd waaraan de verlaten ecthgenote moet voldoen.

    Uit onze richtlijnen vloeit voort dat men onder verlating moet verstaan het feit dat de echtgenoot1 het gezin verlaat.

    Men zal tevens opmerken dat de Commissie in haar advies KC. 132/3625 (Not. van 27 november 1952) geoordeeld heeft dat een kind als door zijn vader en moeder verlaten mag beschouwd worden wanneer het vaststaat dat deze laatsten volledig opgehouden hebben in zijn onderhoud te voorzien of hiertoe bij te dragen en wanneer het bewezen is dat alle betrekkingen tussen de ouders en het kind een einde opgenomen hebben.

    Steunend op dit advies mag men bovendien beschouwen dat de echtgenote door haar echtgenoot verlaten is vanaf het ogenblik dat deze laatste ophoudt tot haar onderhoud bij te dragen en wanneer het bewezen is dat tussen de echtgenoten alle betrekkingen, zelfs de schriftelijke, een einde hebben genomen.

    III. Artikel 51 uit Kinderbijslagwet werknemers

    (...)

    C. De kleinkinderen en achterkleinkinderen (artikel 51, 2de lid, 5°)

    In verband met het vervullen van de voorwaarde "dat de kinderen deel uitmaken van het gezin van de grootouders of overgrootouders" moet er worden beschouwd dat die voorwaarde vervuld is van het ogenblik dat de grootouders of de overgrootouders en het kind deel uitmaken van hetzelfde gezin.

    Hieruit volgt dat de bij artikel 51, 2de lid, 5° gestelde voorwaarde vervuld is wanneer de grootouders of de overgrootouders en hun kleinkinderen of de achterkleinkinderen samen vermeld zijn op het uittreksel uit het bevolkingsregister of uit het vreemdelingenregister.

    (...)

    V. Artikel 56 uit Kinderbijslagwet werknemers

    A. Zieke, door een ongeval getroffen of invalide werknemer (artikel 56, § 1, 1° en § 2, 1°).

    l° Krachtens het artikel 56, § 1, is op kinderbijslag tegen het gewone bedrag gerechtigd, de zieke of door ongeval getroffen werknemer die een in de wetgeving betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering bepaalde uitkering geniet, tijdens de eerste zes maanden van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid.

    Het artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 68 voegt eraan toe dat deze bepaling eveneens toepasselijk is wanneer, de vergoeding wegens arbeidsongeschiktheid wordt toegekend krachtens het artikel 70, § 2 van de wetgeving betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering, dit wil zeggen wanneer de vergoeding wordt toegekend2 , hoewel de schade waarvoor het verzoek op uitkeringen wordt gedaan, kan gedekt worden door het gemeen recht of door een andere wetgeving.

    2° § 2, 1°, a) van het artikel 56, die in een identieke toekenning voorziet, doch tegen het verhoogd bedrag, wanneer de zieke of de door een ongeval getroffene de door de ziekte- of invaliditeitsverzekering vergoede 7de maand arbeidsongeschiktheid bereikt, is op dezelfde wijze aangevuld.

    3° § 2, l°, b) van het artikel 56 verleent de kinderbijslag tegen het verhoogd bedrag aan de zieke of de door een ongeval getroffen werknemer die een invaliditeitspensioen geniet krachtens de wetgeving betreffende (het invaliditeitspensioenstelsel voor de mijnwerkers) (...).

    Doch de mijnwerker die een invaliditeitspensioen geniet of die de voorwaarden vervult om het te genieten, wordt het werkelijk genot hiervan ontzegd indien hij van de andere kant recht heeft op een schadeloosstelling betaald door het Fonds voor Beroepsziekte. Buitendien kan de bedoelde schadeloosstelling berekend worden op grond van een arbeidsongeschiktheid die lager is dan 66 ten honderd daar de beoordelingscriteria verschillend zijn, zodat de betrokkene die zich in dit geval bevindt, praktisch uit elk recht op kinderbijslag bij artikel 56 uitgesloten is (geen werkelijk genot van het invaliditeitspensioen - werkelijk genot van een vergoeding van de schade voortspruitend uit beroepsziekte maar in functie van een ongeschiktheid die lager is dan de vereiste 66 ten honderd.

    Artikel 8, 3° van het koninklijk besluit nr. 68 verhelpt deze toestand door aan § 2, l° van het artikel 56 een litt. c) toe te voegen: is gerechtigd op kinderbijslag tegen het verhoogd bedrag, de zieke of de door een ongeval getroffen werknemer die alle toekenningsvoorwaarden van het onder b) bedoelde pensioen (invaliditeitspensioenstelsel voor de mijnwerkers) vervult, doch dit pensioen niet geniet (...)

    B. (...)

    C. De arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 ten honderd vóór het uitoefenen van elke beroepsactiviteit als werknemer (artikel 56, § 2, 5° der G.W.).

    1. Definitief karakter van het recht

    Wanneer een werknemer ten minste 66 ten honderd arbeidsongeschikt was vooraleer hij daadwerkelijk loonarbeid begon te verrichten, heeft hij recht op kinderbijslag tegen het verhoogd bedrag bepaald bij het artikel 50ter, indien hij werkelijk krachtens een arbeidsovereenkomst heeft gearbeid gedurende ten minste 240 dagen tijdens een periode van 365 dagen.

    De M.O. nr. 241 van 7 juni 1967 preciseert dat deze laatste periode vrij wordt bepaald in de tijd en dat het recht op verhoogde kinderbijslag bestaat van zodra in die periode 240 dagen3 arbeid (of gelijkgestelde dagen) zijn vervat; dat recht wordt behouden ook als de belanghebbende nadien geen arbeid meer verricht.

    De context van het artikel 56 onderstelt dat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer steeds ten minste 66 ten honderd bereikt.

    Hieruit vloeit voort dat vanaf het ogenblik dat de werknemer getroffen is door een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 ten honderd op het ogenblik van zijn tewerkstelling, hij na 240 dagen4 arbeid recht heeft op de kinderbijslag tegen het verhoogd bedrag zolang deze arbeidsongeschiktheid blijft bestaan.

    2. De activiteit als werknemer

    Onder de uitdrukking "getroffen zijn door een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 ten honderd vooraleer begonnen te zijn daadwerkelijk loonarbeid te verrichten" moet men verstaan elke arbeid die krachtens een arbeidsovereenkomst zowel in België als in het buitenland wordt verricht.

    Zullen dus niet worden uitgesloten: al de personen die door een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 ten honderd getroffen zijn, terwijl zij reeds een andere activiteit dan loonarbeid uitgeoefend hebben.

    3. (...)

    4. Verbod, bij het reglement, dat de arbeidsongeschiktheid erkent, een winstgevende beroepsactiviteit uit te oefenen
    Krachtens het laatste lid van het artikel 56, § 2, mogen de zieke of de door een ongeval getroffen werknemers een winstgevende beroepsactiviteit uitoefenen, behalve indien de wet of het reglement waarbij hun arbeidsongeschiktheid wordt erkend, zich ertegen verzet.
    Deze bepaling mag geen terugslag hebben op de toepassing van het artikel 56, § 2, 4° (...).
    Wanneer de toepasselijke reglementering elke tegemoetkoming weigert om de enige redenen dat de belanghebbende meer arbeid verricht dan veroorlooft of inkomsten geniet die voortspruiten uit een beroepsactiviteit, die het toegelaten maximumbedrag overschrijden, mag het artikel 56, §2, 4° op hem worden toegepast, dit wil zeggen dat het geval van de belanghebbende zal voorgelegd worden aan de geneesheer van onze Rijksdienst.
    Deze laatste zal in het bezit moeten gesteld worden van al de elementen van het geval en inzonderheid moeten ingelicht worden over het feit dat de betrokkene tewerkgesteld is.
    5. Arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 ten honderd - Bewijsmiddel
    Het bewijs dat een werknemer getroffen is door een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 ten honderd vooraleer begonnen te zijn daadwerkelijk loonarbeid te verrichten, mag door alle "rechtsmiddelen" geleverd worden.
    Aldus zal het kind wiens arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 ten honderd voor elke tewerkstelling bestendig was verklaard geworden bij toepassing van het artikel 47 of van het artikel 63, de bij het artikel 56, § 2, 5°5 vereiste arbeidsongeschiktheid mogen rechtvaardigen (...).
    (...)

    Hoewel artikel 56 KBW sedertdien gewijzigd werd, blijven de principes, vervat in deze omzendbrief, van toepassing.

    Artikel 56quinquies uit Kinderbijslagwet werknemers

    (...)

    VIII. A. De voorwaarde geen winstgevende beroepsaktiviteit uit te oefenen

    Voor de toepassing van de voorwaarde "geen winstgevende beroepsactiviteit uit te oefenen" dient men te steunen op de criteria die opgegeven zijn in de ministeriële omzendbrief nr. 184 van 23 mei 19626 .

    XII. Artikel 73bis uit Kinderbijslagwet werknemers -  Uitbetaling van het kraamgeld vanaf de 6e maand

    Daar elke aanvraag die vóór de zesde maand zwangerschap ingediend wordt voortijdig is, worden de fondsen verzocht te gelegener tijd opnieuw met de aanvrager in contact te treden.

    Het is wel verstaan dat de instelling, die de vooruitbetaling moet verrichten, ertoe gehouden is na te gaan of de toekenningsvoorwaarden op de dag der geboorte vervuld zijn. Indien deze voorwaarden niet vervuld zijn, zou de uitbetaling niet als definitief kunnen beschouwd worden op grond van art. 73bis.

    Elke vorm van aanvraag die in aanmerking mag genomen worden voor de toekenning van de kinderbijslag is geldig voor het kraamgeld.

    (...)

    (...) de datum van de bij een kinderbijslaginstelling ingediende aanvraag zal de bevoegdheid van de uitbetalingsinstelling bepalen.

    Inderdaad, art. 73bis, par. 2, 2de lid, bepaalt dat het kraamgeld verschuldigd is door het kinderbijslagfonds, de overheid of de openbare instelling welke, volgens het geval, bevoegd zou zijn om kinderbijslag uit te betalen op de datum waarop de aanvraag om voorafbetaling wordt ingediend.

    Dit neemt niet weg dat het recht in al zijn bestanddelen, inbegrepen het bedrag, slechts op de dag van de geboorte ontstaat.

    Bijgevolg wanneer, in een zelfde stelsel, het bedrag van kracht op het ogenblik van de vooruitbetaling verschillend is van het bedrag van kracht op het ogenblik van de geboorte, dient het verschil ten laste gelegd van de instelling bevoegd op de dag van de geboorte.

    Wanneer men zich evenwel tegenover instellingen bevindt welke niet allebei onder de nationale verdeling ressorteren, bv. het Rijk, dient zowel het vooruitbetaalde bedrag als de eventuele bijpassing, m.a.w. het volledig bedrag van het bij de geboorte verschuldigd kraamgeld, ten laste gelegd van het stelsel en de uitbetalingsinstelling, bevoegd op de dag van de geboorte, alhoewel het Rijk niet onder toepassing van een regeling valt welke verschilt van diegene voorzien voor de werknemers in het algemeen.

    Een regularisatie tussen de betalingsinstellingen van de verschillende regelingen is derhalve noodzakelijk7 .

    Gewijzigd door CO 1057 van 16 juli 1978.

    Artikel 69 uit Kinderbijslagwet werknemers

    (...)

    XI.A Praktische toepassing

    De kinderbijslagfondsen ondervinden bepaalde moeilijkheden voor de toepassing van art. 69, wanneer andere personen dan de ouders de kinderbijslag moeten ontvangen.

    In de praktijk moet de kinderbijslag worden uitbetaald:

    1) bij voorrang, aan de bij art. 69 bedoelde natuurlijke persoon die door het kinderbijslagfonds moet worden aangewezen rekening houdend met al de feitelijke elementen die het bezit ;

    2) aan de wettelijke voogd of pleegvoogd.

    3) in de mate waarin geen andere natuurlijke persoon dan het rechtgevend kind als bijslagtrekkende naar de betekenis van art. 69 kan worden beschouwd, kan de uitbetalingsinstelling de bijslag aan het rechtgevend kind zelf uitbetalen voor zover het meerderjarig of een ontvoogde minderjarige is voor wie beschouwd wordt dat hij zelf in zijn opvoeding voorziet8 , en onder voorbehoud van de regelen inzake onbekwaamheid wat het gemeen recht betreft ;

    4) (...)9

    5) (...)10

    Indien een geschil omtrent de aanwijzing van de bijslagtrekkende door een vonnis beslecht werd op grond van de bij onze gecoördineerde wetten bepaalde regelen inzake bevoegdheid, dient men zich te houden aan dit vonnis.

    Er mag evenwel niet worden beschouwd dat de op grond van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek genomen vonnissen met betrekking tot het alimentatiegeld tegen de kinderbijslagfondsen kunnen ingeroepen worden ; zij vormen enkel beoordelingselementen om na te gaan wie de bij het art. 69 bedoelde persoon is.

    Artikel 120bis uit Kinderbijslagwet werknemers

    (...)

    XIV De bij het Burgerlijk Wetboek bepaalde oorzaken die de verjaring stuiten zijn de volgende:

    1° de dagvaarding voor het gerecht - elk deurwaardersexploot waarbij een persoon verzocht wordt voor om het even welke rechtbank te verschijnen om de uitspraak over een tegen hem gestelde eis te horen.

    Ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring (art. 2246 van het Burgerlijk Wetboek);

    2° een bevel tot betaling - het bevel tot betaling is de akte waarbij een deurwaarder de grosse van een vonnis of van een notariële akte betekent en aan de schuldenaar beveelt de verplichting, waartoe hij krachtens die titel gehouden is, uit te voren en hem tevens verklaart dat, in geval van weigering, de gewapende macht tegen hem zal worden gebruikt;

    3° het beslag - de verjaring wordt gestuit door elke soort van beslag, niet alleen door het beslag - bij uitvoering van het gemeen recht - maar ook door een bewarend beslag of half-bewarend, half-uitvoerbaar beslag. Zoals het beslag onder derden, stuit het beslag slechts de verjaring wanneer het aan de schuldenaar betekend wordt binnen de wettelijke termijn.

    4° de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan (art. 2248 van het Burgerlijk Wetboek).

    Er dient opgemerkt te worden dat de erkenning uitdrukkelijk of stilzwijgend kan gebeuren.

    Zij gebeurt uitdrukkelijk wanneer zij blijkt uit woorden of uit geschriften.

    Zij gebeurt stilzwijgend wanneer zij op een vaststaande wijze voortvloeit uit de daden van hem tegen wie de verjaring loopt. Een begin van uitvoering, een gedeeltelijke betaling, een betaling van intrest, een verzoek om uitstel, een betwisting over het bedrag van de schuld moeten als een stilzwijgende erkenning worden beschouwd.

    11 .

    • 1
    • 2Zie artikel 241 van het koninklijk besluit van 4 november 1963, Belgish Staatsblad van 8 november 1963, Err. 15/16 november.
    • 3Lezen artikel 51, § 3, 3°.
    • 4Zie artikel 241 van koninklijk besluit van 4 november 1963, Staatsblad van 8 november 1963, Err. 15/16 november 1963.
    • 5Lezen artikel 56, § 2, 4°.
    • 6Deze voorwaarde werd, vanaf 1 oktober 1981, vervangen door de vereiste van tenminste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen (Wet van 30 juni 1981).
    • 7Opgeheven door M.O. 443 van 3 april 1986 die een actuele definitie bevat.
    • 8Opgeheven bij CO 1315 van 10 april 1998. In de nationale verdeling is het principe van niet-regularisatie tussen de verschillende kinderbijslaginstellingen, vanaf 1 juli 1998, op algemene wijze wettelijk vastgelegd in artikel 71 § 1 S.W.K.L.
    • 9en voor zover het een afzonderlijke hoofdverblijfplaats heeft zoals voorzien in artikel 69, § 2, 2°.
    • 10Opgeheven ingevolge CO 1277, Rubriek C, infra.
    • 11Sedert de inwerkingtreding op 1 september 1985, van de wet van 1 augustus 1985 wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen de situatie van de echtgenote en die van de echtgenoot: zie CO 1152.
    Top