CO 895 van 27 april 1971 - Toekenning van kinderbijslag uit het reservefonds van de Rijksdienst voor de gevallen waarin het overlijden van de rechthebbende alle recht op bijslag doet vervallen

    In de huidige stand van de wetgeving kan alle recht op kinderbijslag vervallen ingevolge het overlijden van de rechthebbende, indien deze noch de vader noch de adoptant is van de rechtgevende kinderen.

    Ten einde deze toestand te verhelpen heeft op 5 november 1963 de toenmalige Raad van Beheer van de Rijksdienst beslist in dergelijke gevallen, en onder bepaalde voorwaarden, kinderbijslag uit het reservefonds te verlenen (C.O. 724 van 20 januari 1964). Op 7 juli 1970 heeft het Beheerscomité van de Rijksdienst deze maatregel uitgebreid tot het nageboren kind van een buitenechtelijk samenlevende man, voor zover zekere bijkomende voorwaarden vervuld waren (C.O. 880 van 5 oktober 1970).

    Op 15 september 1970, tenslotte, heeft het Beheerscomité beslist dat, eveneens onder bepaalde voorwaarden, de verhoogde wezenuitkering uit het reservefonds van de Rijksdienst mag worden verleend ten behoeve van uit concubinaat geboren kinderen.

    Deze laatste beslissing werd door de Minister van Sociale Voorzorg goedgekeurd op 2 maart 1971 en heeft uitwerksel op die datum.

    Deze omzendbrief heeft tot doel de getroffen maatregelen te coördineren; hij vernietigt en vervangt de circulaires nr. 724 van 20 januari 1964 en 880 van 5 oktober 1970.

    I. TOEKENNING VAN KINDERBIJSLAG TEGEN DE GEWONE BEDRAGEN

    Onder de hiernavolgende voorwaarden wordt de kinderbijslag uitbetaald tegen de bij de art. 40 (...) G.W. bepaalde bedragen, in voorkomend geval verhoogd met de bij de artikelen 44 en 47 vastgestelde verhogingen. (...) het kraamgeld wordt eveneens toegekend.

    1. Ingevolge het overlijden van de rechthebbende moet alle recht op kinderbijslag vervallen.

    2. Onder rechthebbende wordt verstaan hij die werknemer is of werkloze in het genot van werkloosheidsuitkering en die op kinderbijslag aanspraak had.

    3. Onder rechtgevend kind wordt verstaan het kind voor wie de rechthebbende aanspraak op bijslag had en dat van zijn gezin of van het gezin van de overlevende bijslagtrekkende deel heeft uitgemaakt sedert zijn geboorte of sedert ten minste 150 dagen op de datum van het overlijden.

    Met ingang van 2 september 1970 (C.O. 880 van 5 oktober 1970) wordt het nageboren kind eveneens als rechtgevend aangemerkt.

    De conceptie voor het overlijden van de rechthebbende die met de moeder van het kind buitenechtelijk samenwoonde wordt inderdaad als voldoende voorwaarde voor het openen van het recht beschouwd indien dit op de volgend ernstige waarborgen gegrond is:

    a) Wat het tijdstip van de conceptie betreft moeten de termijnen bepaald bij art. 3121 van het burgerlijk wetboek worden toegepast. Het kind zal dus minder dan 300 dagen na het overlijden van de buitenechtelijke samenlevende rechthebbende moeten geboren worden.

    b) Wat het feit van de buitenechtelijke samenleving betreft, moet de termijn van zes maand, gesteld bij art. 51 tweede lid, 6°2 G.W. naar analogie toegepast worden.

    Bijgevolg zal het recht op kinderbijslag maar geopend worden indien de buitenechtelijk samenlevende personen ten minste zes maanden vóór het overlijden een gezin hebben gevormd.

    4. Er mag ten behoeve van de rechtgevende kinderen geen enkel ander recht op kinderbijslag bestaan, noch in de regeling voor werknemers, noch in die voor zelfstandigen, noch in een buitenlandse regeling op grond van een internationale overeenkomst.

    5. Er wordt een einde gemaakt aan het recht op kinderbijslag uit het reservefonds wanneer de overlevende bijslagtrekkende, die rechthebbende van het reservefonds geworden is, trouwt, hertrouwt of een huishouden vormt of wanneer hij de kinderen niet meer bij zich opvoedt.

    II. TOEKENNING VAN VERHOOGDE WEZENUITKERING
    (Toepasselijk van 2 maart 1971 af)

    Onder de in punt I vermelde voorwaarden mag de verhoogde wezenuitkering worden toegekend ten behoeve van de uit concubinaat geboren kinderen, wanneer de met de moeder van de kinderen buitenechtelijk samenlevende rechthebbende van tafel en bed gescheiden was en zijn echtgenote de echtscheiding weigerde, voor zover, bovendien, de volgende voorwaarden vervuld zijn:

    1. Het overlijden van de rechthebbende moet binnen de drie jaar na de scheiding van tafel en bed hebben plaats gehad, of nadien, voor zover een aanvraag tot echtscheiding was ingediend.

    Tijdens een termijn van drie jaar na de scheiding van tafel en bed kan de betrokken rechthebbende immers niet hertrouwen, noch de uit het concubinaat geboren kinderen wettigen, noch ze, zonder bijzondere gerechtelijke procedure erkennen.

    2. De loopbaan van de overleden rechthebbende moet aan de bij art. 56bis par. 2 G.W. gestelde voorwaarden beantwoorden.

    De verhoogde wezenuitkering mag, onder dezelfde voorwaarden, worden toegekend ten behoeve van het nageboren kind van een van tafel en bed gescheiden rechthebbende, wiens echtgenote de echtscheiding weigerde en die buitenechtelijk met de moeder van het kind samenleefde.

    De kinderbijslagfondsen die kennis krijgen van gevallen waarin de getroffen maatregelen toepassing zouden vinden, worden verzocht ze aan de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bekend te maken.

    • 1Lezen 315.
    • 2Voorwaarde opgeheven met ingang van 1 april 1983.
    Top