CO 944 van 27 september 1973 - Terugvordering van de door het bijzonder kinderbijslagfonds voor de gemeenten ten onrechte uitbetaalde buitenwettelijke kinderbijslag - Terugvordering van de boeten

    De vraag werd gesteld of de bijkomende kinderbijslag ("supplement Rijk"), die het Bijzonder kinderbijslagfonds voor de gemeenten1 bij toepassing van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 toekent, door de kinderbijslagfondsen of door de Rijksdienst mag worden teruggevorderd wanneer een niet-verschuldigde uitbetaling werd verricht.

    Op te merken valt dat dit supplement ontegensprekelijk een kinderbijslag naar de betekenis van de gecoördineerde wetten vormt, vermits uit de bewoordingen van artikel 18, laatste lid, van die wetten, blijkt dat het personeel van de gemeenten de kinderbijslag ontvangt onder voorwaarden die ten minste even voordelig zijn als die waaronder het Rijk de bijslag aan zijn personeelsleden verleent.

    Artikel 1410, paragraaf 2, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek geeft het principe te kennen dat de gezinsbijslag onvatbaar is voor overdracht of beslag.

    Met afwijking van het in zijn paragraaf 2 te kennen gegeven principe bepaalt artikel 1410, paragraaf 4, van het Gerechtelijk Wetboek dat de prestaties, ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van limitatief opgesomde openbare instellingen, ambtshalve teruggeïnd kunnen worden.

    Deze teruginning is in principe beperkt tot 10 % van iedere latere prestatie.

    Bij zijn brief van 9 april 1973 heeft de heer Minister van Sociale Voorzorg bevestigd dat uit de tekst van artikel 1410, paragraaf 4, van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat deze bepaling niet toepasselijk is inzake terugvordering van de buitenwettelijke kinderbijslag op de wettelijke kinderbijslag die ten laste van de nationale verdeling wordt uitbetaald.

    De buitenwettelijke kinderbijslag die het Bijzonder kinderbijslagfonds voor de gemeenten2 toekent, wordt inderdaad niet uit de middelen van een bij de paragraaf 4 van voormeld artikel bedoelde instelling uitbetaald.

    Verder heeft hij gepreciseerd dat artikel 24, 4de lid, van de gecoördineerde wetten niet mag worden toegepast, zulks ingevolge een algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk, wanneer twee wetteksten over dezelfde aangelegenheid handelen, de jongste tekst de voorrang heeft boven de oude tekst.

    Hieruit volgt dat artikel 24, 4de lid, van de G.W. impliciet is opgeheven voor wat de terugvordering van de kinderbijslag aangaat.

    In deze omstandigheden kan de terugvordering, door de kinderbijslagfondsen of door de Rijksdienst, van buitenwettelijke kinderbijslag die het Bijzonder kinderbijslagfonds voor de gemeenten3 ten onrechte heeft toegekend, alleen door aanwending van de gewone inningsmiddelen worden verricht.

    De Minister beschouwt evenwel dat artikel 24, 4de lid, G.W., toepasselijk blijft wat betreft de terugvordering van de boeten die bepaald zijn bij het reglement met betrekking tot de sancties.

    • 1
    • 2
    • 3Huidige R.S.Z.P.P.O.
    Top