Vlaanderen

MO 366 van 17 december 1979 - Recht op kinderbijslag voor kinderen geplaatst door een vreemde openbare overheid

In de ministeriële omzendbrief nr. 180 van 28 december 1961 - punt II, a), derde lid - is gesteld dat krachtens het territorialiteitsbeginsel van de wet, een kind dient geplaatst te zijn door bemiddeling of ten laste van een Belgische openbare overheid opdat artikel 70 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers zou kunnen toegepast worden.

Deze beperking geldt niet wanneer het territorialiteitsbeginsel van de wet wordt opgeheven door de Verordeningen van de Europese Gemeenschappen, door bilaterale verdragen of door individuele of algemene afwijkingen. De kinderbijslag, waarop een recht bestaat dient alsdan te worden uitgekeerd voor de in het buitenland door bemiddeling van of ten laste van een vreemde openbare overheid geplaatste kinderen.

Er dient immers te worden opgemerkt dat artikel 70 van de geordende wetten enkel een bijzondere wijze van betaling van kinderbijslag behelst.

Verder voorziet artikel 75, eerste lid, a, van de Verordening EEG nr. 1408/71 de betaling van kinderbijslag aan rechtspersonen.

Voor de bijzondere problemen die zich zouden kunnen stellen met betrekking tot de betalingen van de kinderbijslag voor kinderen geplaatst door een vreemde openbare overheid, dienen volgende regels in acht te worden genomen:

- voor de beoordeling van de hoedanigheid van "openbare overheid" dient rekening te worden gehouden met de in het betrokken land geldende toestand; het is aangewezen de criteria opgenomen in de omzendbrief nr. 1025 van 23 juni 1976 van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers1 bij analogie toe te passen;

- wanneer een kind geplaatst is ten laste van het Ministerie van Justitie van een ander land dan België, dient om principiële en praktische redenen de betaling van de 2/3 kinderbijslag te geschieden aan de instelling waarin (...) het kind is geplaatst;

- indien door de jeugdrechtbank een bestemming zou dienen gegeven te worden aan het saldo van de kinderbijslag en er geen bevoegde Belgische rechtbank zou bestaan wegens het feit dat noch de ouders, noch de voogd of de personen, die het kind onder hun bescherming hebben, in België hun verblijfplaats hebben, dient de kinderbijslag instelling op grond van de feitelijke elementen in haar bezit, daarin begrepen de eventuele beslissingen van buitenlandse rechtsmachten, een beslissing te nemen over de betaling van dit saldo; desgevallend wordt de uitkering van dit saldo in beraad gehouden tot een der betrokken partijen zijn rechten daarop laat gelden.

Onderhavige omzendbrief is van toepassing binnen de perken van de verjaring, zoals voorzien in artikel 120 van de samengeordende wetten.

  • 1. Lezen MO 180 van 28 december 1961.
Top