MO 537 van 14 april 1994 - Recht op kinderbijslag voor personen die vanuit Rwanda zijn gerepatrieerd

     

    Onderhavige omzendbrief verstrekt de richtlijnen die betrekking hebben op de vaststelling van het recht op kinderbijslag voor personen die vanuit RWANDA zijn gerepatrieerd.

    I. INFORMATIEBRON

    De personen die informatie wensen over de werkwijze die moet worden aangewend met het doel een kinderbijslagdossier zo snel mogelijk in orde te krijgen, kunnen terecht bij de:

    Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers
    Directie Controle
    Afdeling: Algemene informatie en inlichtingen
    Trierstraat 70
    1000 BRUSSEL

    Tel.: 02-237 23 18 (Nederlandstalig)
    02-237 23 30 (Franstalig)

    Onder meer kunnen bij deze dienst de passende aanvraagformulieren worden bekomen.

    II. INDIENEN VAN DE AANVRAGEN

    Alle aanvragen die niet onmiddellijk aan de bevoegde kinderbijslaginstelling kunnen worden bezorgd, dienen te worden gericht aan de onder punt I. geciteerde dienst van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, die de eventueel bevoegde instelling zal bepalen.

    Wanneer een kinderbijslaginstelling een aanvraag rechtstreeks ontvangt en vaststelt dat zij wel degelijk bevoegd is, eventueel om provisioneel kinderbijslag te betalen, zal het de aanvraag onmiddellijk behandelen zonder tussenkomst van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.

    III. ONDERZOEK VAN HET RECHT

    Er dient in de eerste plaats te worden onderzocht of er een rechthebbende bestaat die het recht op kinderbijslag zou kunnen openen ten behoeve van het kind (in het gezin, de familie,...).

    Daartoe wordt eventueel een aanvraag om ministeriële afwijking ingediend door de kinderbijslaginstelling, bij het Ministerie van Sociale Voorzorg, Algemene Directie van de Sociale Zekerheid, (bijvoorbeeld voor de werknemer die een kind in zijn gezin heeft opgenomen en die de vereisten van artikel 51 § 3 G.W. niet vervult).

    Het recht op kinderbijslag zal desgevallend worden onderzocht op basis van de aanvraag om werkloosheidsuitkeringen van de betrokkenen.

    Indien er binnen redelijke termijn geen rechthebbende kan worden bepaald, noch in het stelsel van de werknemers, noch in het stelsel van de zelfstandigen, zal het recht op kinderbijslag onderzocht worden in de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag, door de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.

    Hij zal nagaan of een voorschot op de gewaarborgde gezinsbijslag kan worden verleend, rekening houdend met de verklaring op eer aangaande de bestaansmiddelen van betrokkenen, en onder meer de voorschotten verleend op werkloosheidsuitkeringen.

    Een nader onderzoek zal echter nadien worden ingesteld om na te gaan of in een andere regeling geen recht op kinderbijslag bestaat. In dit onderzoek zullen ook de bestaansmiddelen van de betrokkenen worden getoetst, tenzij ze het bestaansminimum ontvangen.

    zie ook MO 505

    Top