MO 543 van 16 februari 1996 - Art. 8 van KB van 30 december 1975 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt

     

    Artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1975 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt, bepaalt dat stages met les- en cursusuren worden gelijkgesteld indien het volbrengen ervan een voorwaarde is tot het verkrijgen van een wettelijk gereglementeerd diploma, getuigschrift of brevet.

    Als officieel standpunt gold dat de stages zelf wettelijk dienden te zijn gereglementeerd.

    Gelet op de evoluerende rechtspraak ter zake moet voormeld artikel 8, eerste lid voortaan in die zin begrepen worden dat enkel het diploma, getuigschrift of brevet wettelijk gereglementeerd moet zijn en niet langer de stages zelf.

    Uiteraard blijft de vereiste bestaan dat de stages een voorwaarde moeten zijn tot het verkrijgen van dit wettelijk gereglementeerd diploma, getuigschrift of brevet.

    Bijgevolg zullen ondermeer al de stages die dienen te worden gevolgd in het raam van de leergangen van de voortdurende vorming van de middenstand in het stadium van de opleiding tot ondernemingshoofd kunnen in aanmerking worden genomen.

    Het plafond van de voor deze stages toegekende lonen of vergoedingen, bepaald in artikel 8, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit van 30 december 1975 blijft vanzelfsprekend gelden.

    Het begrip vergoeding omvat ook de onkostenvergoeding welke de stagiair ontvangt, zoals bepaald in artikel 12, 6° van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 24 oktober 1991 (B.S. van 8 april 1992) tot organisatie van de stage in de permanente vorming voor de Middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen.

    Overigens dient de stage niet als een winstgevende aktiviteit te worden beschouwd naar de betekenis van artikel 12 van voormeld koninklijk besluit van 30 december 1975.

    De informatienota 1988/4 van 24 februari 1988 en de ministeriële omzendbrief nr. 457 van 5 mei 1988 worden opgeheven.

    Deze omzendbrief treedt onmiddellijk in werking en heeft terugwerkende kracht binnen de grenzen van de verjaring voorgeschreven bij artikel 120 G.W. Het is echter niet vereist dat alle dossiers, waarover op grond van de oude interpretatie is beslist, ambtshalve worden herzien.

    Top