Vlaanderen

Toelichtingsnota 14 van 25 september 2019 - Kinderen + 18 jaar - Studenten en schoolverlaters

Toelichtingsnota 14 van 25 september 2019

Betreft: Kinderen + 18 jaar – Studenten en schoolverlaters

 

 

Inhoudstafel

Wettelijke basis

1.     Situering

2.     Schoolverlaters

2.1. Kinderen die hun studies beëindigd hebben of stopgezet hebben in 2018

2.1.1. De initiële toekenningsperiode en de theoretische toekenningsperiode

2.1.2. Verlenging van de toekenningsperiode

2.1.3. Tewerkstelling en sociale uitkering tijdens de initiële, theoretische of verlengde toekenningsperiode - bijzonder situatie (dubbele evaluatie – artikel 46, laatste lid, BVR)

2.1.4. De jongeren die zich wegens ziekte niet kon inschrijven als werkzoekende of die ziek werden tijdens de initiële toekenningsperiode

2.2. Kinderen die hun studies beëindigd hebben of stopgezet in 2019

2.2.1. Toekenningsperiode

3.      Recht als leerling/student

3.1. Leerling deeltijds leren/deeltijds werken en leerovereenkomst

3.2. Leerling/Student – voltijdse studies

3.3. Overgangsbepaling

3.4. De student ingeschreven voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar (artikel 24 § 3 BVR)

3.5. Zieke leerling/student

3.5.1. Niet-hoger onderwijs (artikel 20 BVR)

3.5.2.  Hoger onderwijs (artikel 26 BVR)

4.      Bijzondere situaties

4.1. Combinatie studies niet-hoger onderwijs met hoger onderwijs

4.2. Studies in het buitenland

 

 

Wettelijke basis:

  • Artikel 8 § 2 van het Groeipakketdecreet van 27 april 2018.
  • Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen.

 

  1. Situering

In deze toelichtingsnota worden enkele richtlijnen verduidelijkt die in het Groeipakket worden voorzien voor kinderen + 18 jaar met een voorwaardelijk recht. Er wordt dieper ingegaan op de voorwaarden die moeten worden vervuld om na het onvoorwaardelijk recht1 verder een recht te hebben op de gezinsbijslag voorzien binnen het Groeipakket. Zowel de overgangsbepalingen als de algemene bepalingen voorzien binnen het Groeipakket worden toegelicht.

In het kort: Er is binnen het Groeipakket een onvoorwaardelijk recht tot en met het einde van de maand waarin de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt en mits voldaan aan de voorwaarden in art. 8 van het Groeipakketdecreet. Vanaf de leeftijd van 18 jaar dient er naast de voorwaarden beschreven in art. 8, § 1 en §3 van het Groeipakketdecreet te worden voldaan aan bijkomende voorwaarden inzake studies, schoolverlater of specifieke ondersteuningsbehoefte (artikel 8, §2, 2° tot 4° van het decreet)

  • Leerlingen in het secundair onderwijs: ingeschreven zijn voor minstens 17 lesuren2
  • Studenten hoger onderwijs: ingeschreven zijn voor minstens 27 studiepunten

De richtlijnen inzake modulair onderwijs (ook in het buitenland) en wijziging van studierichting in de loop van het school- of academiejaar uiteengezet in de dienstbrief 999/163 van 2 juli 2012 kunnen na 1 januari 2019 verder worden toegepast.

Ook de richtlijnen inzake afstandsonderwijs opgenomen in de CO 1386/2018 van 9 februari 2018 blijven na 1 januari 2019 verder van kracht.

Na het einde van het onvoorwaardelijk recht of het beëindigen van de studies kan de jongere nog gedurende maximaal 12 maanden een recht hebben als schoolverlater.

Naast bovenstaande voorwaarden, dient de jongere ook te voldoen aan de voorwaarden betreft het uitvoeren van een winstgevende activiteit:

  • Maximaal 475 uren per kalenderjaar werken als student (verminderde sociale bijdrage)
  • Daarnaast per maand maximaal 80 uren werken (geen verminderde sociale bijdrage)
  • Geen activiteit uitoefenen als zelfstandige in hoofdberoep (volledige sociale bijdrage)

Voor kinderen die recht hadden binnen de regels van de AKBW en die hun recht verliezen door de bepalingen van het Groeipakket, voorziet art. 46 van het BVR Rechtgevend kind een aantal overgangsbepalingen zodat zij alsnog (voor een bepaalde tijd) hun recht kunnen behouden. Deze overgangsbepaling worden in deze nota verder toegelicht.

 

  1. Schoolverlaters

2.1. Kinderen die hun studies beëindigd hebben of stopgezet hebben in 2018

Vallen onder de toepassing van artikel 46 BVR Rechtgevend kind.

2.1.1. De initiële toekenningsperiode en de theoretische toekenningsperiode

1° Initiële toekenningsperiode = de toekenningsperiode die op basis van de inschrijving begint te lopen en verder doorloopt na 31/12/2018 is de initiële toekenningsperiode. Er werd dus een recht vastgesteld binnen de AKBW op basis van een inschrijving als werkzoekende schoolverlater. 2° Theoretische toekenningsperiode = de toekenningsperiode die aanvangt in 2018 volgens de bepalingen van het KB van 12 augustus 1985, maar die binnen de AKBW geen recht op gezinsbijslag genereerde wegens een gebrek aan inschrijving als werkzoekende schoolverlater.

  • Hebben dus (verder) recht vanaf 1 januari 2019 voor het resterende deel van hun toekenningsperiode die is vastgesteld op basis van de bepalingen van het KB van 12 augustus 1985.  Deze regel geldt dus voor alle kinderen die hun studies beëindigden of stopgezet hebben in 2018, alsook voor de kinderen die in het schooljaar 2018/2019 een inschrijving hadden voor minder dan 27 studiepunten, ongeacht het een diplomajaar betrof of niet.
  • Ze hebben recht op kinderbijslag aan de oude bedragen (AKBW), ongeacht of ze voor de maand december 2018 recht hadden op kinderbijslag volgens de AKBW of niet.
  • Met of zonder inschrijving als werkzoekende.
  1. Einde rechtgevende studies op 30 juni 2018 en jongere is ouder dan 18 jaar:
  • Inschrijving als werkzoekende op 01.08.2018: recht op de oude bedragen tot 31 juli 2019.
  • Inschrijving als werkzoekende op 12.12.2018: recht op de oude bedragen tot 31 juli 2019.
  • Inschrijving als werkzoekende op 14.05.2019: recht op de oude bedragen van 1 januari 2019 tot 31 juli 20193.
  1. Stopzetting van de studies in het lopende school- of academiejaar en jongere is ouder dan 18 jaar:
  • Stopzetting studies op 04.03.2018 en inschrijving als werkzoekende op 05.03.2018: recht op de oude bedragen tot 31.03.2019.
  • Stopzetting studies op 11.12.2018 en inschrijving als werkzoekende op 12.12.2018: recht op de oude bedragen 31.12.2019.
  • Stopzetting studies op 15.04.2018 en inschrijving als werkzoekende op 03.02.2019: recht op oude bedragen van 1 januari 2019 tot 30 april 2019.
  1. Stopzetting van de studies in 2018 en de jongere ouder dan 18 jaar schreef zich niet als werkzoekende:

Indien de jongere zich niet inschreef als werkzoekende: recht op de oude bedragen van 1 januari 2019 tot einde theoretische toekenningsperiode, rekening houdende met de datum van einde of stopzetting studies in 2018. Deze kinderen worden op 31 december 2018 beschouwd als zijnde in hun theoretische wachttijd (geschorst recht).

Voorbeeld: onderbreking studies op 12.12.2018, geen inschrijving als werkzoekende: theoretische toekenningsperiode loopt vanaf 13.12.2018 en eindigt in december 2019. Recht op oude bedragen van 1 januari 2019 tot 31 december 2019.

Zij moeten losstaand van de inschrijving als werkzoekende wel voldoen aan de voorwaarde inzake verblijf in België (artikel 8, §3 van het decreet) om beschouwd te worden als zijnde in hun theoretische toekenningsperiode. Situaties waarover inzake verblijf in België twijfel bestaat of de jongere al dan niet als zijnde in de theoretische toekenningsperiode kunnen worden beschouwd, worden voorgelegd aan advies@vutg.be.

Deze kinderen worden niet spontaan opgevist4. De toepassing van de theoretische toekenningsperiode voor deze jongeren gebeurt enkel wanneer:

  • betrokkenen zelf vragen naar hun recht;
  • de jongere zich alsnog inschrijft in de VDAB vanaf 01.01.20195;
  • er zich een wijziging in het dossier voordoet waardoor er een herziening dient te gebeuren van het dossier;
  • de jongere opnieuw recht opent binnen het Groeipakket door nieuwe studies of binnen een andere hoedanigheid voorzien in het Groeipakket.

Voorbeelden

De jongere stopte de studies om 30 juni 2018 en schreef zich niet als werkzoekende: recht op oude bedragen vanaf 1 januari 2019 tot 31 juli 2019.

De jongere stopt zijn studies op 5 november 2018 en schreef zich niet in als werkzoekende schoolverlater: recht op oude bedragen vanaf 1 januari 2019 tot 30 november 2019.

  1. Andere situaties waarbij de jongere beschouwd wordt als zijnde in zijn theoretische  toekenningsperiode (geschorst recht op 31 december 2018):
  • de jongere die de studies heeft stopgezet in 2018 en zich daarna inschreef voor onvoldoende studiepunten/lesuren, maar zich niet inschreef als werkzoekende schoolverlater,
  • de jongere die in 2018 studies hoger onderwijs volgde en ziek werd en die zich niet kon inschrijven als werkzoekende schoolverlater.
  • de jongere die in 2018 studies hoger onderwijs volgde en die zich wegens ziekte niet kon inschrijven voor voldoende studiepunten.
  • de jongere die zich in het academiejaar 2018/2019 inschreef voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar maar die verklaarde geen thesis6 in te dienen.

Let wel, bij onderbreking van de theoretische toekenningsperiode door bijvoorbeeld studies of een andere hoedanigheid voorzien in het Groeipakket, vervalt de toepassing van artikel 46 BVR Rechtgevend kind.

Zodra de jongere een recht kan openen binnen de regels van het Groeipakket dan worden de oude bedragen toegekend, rekening houdend met de bedragen van december 2018 en de toepassing van de omkering van de rangen zoals beschreven in toelichtingsnota 1 dd. 19 december 2018.

Voorbeeld 1:

Kind stopt met studies op 30.06.2018 en schrijft zich niet in als werkzoekende schoolverlater. Zijn theoretische toekenningsperiode loopt tot 31.07.2019. In februari 2019 begint het kind nieuwe studies en schrijft hij zich in voor voldoende studiepunten.

Recht vanaf 01.02.2019 op basis van studies en ook nog over januari op basis van de theoretische toekenningsperiode aan de oude bedragen.

Voorbeeld 2:

Kind stopt met studies op 30.06.2018 en schrijft zich niet in als werkzoekende schoolverlater. Zijn theoretische toekenningsperiode loopt tot 31.07.2019. In februari 2020 begint het kind nieuwe studies en schrijft hij zich in voor voldoende studiepunten.

Recht vanaf 01.02.2020 op basis van studies en retroactief over de periode vanaf 1 januari 2019 tot en 31 juli 2019 (op basis van theoretische toekenningsperiode) aan de oude bedragen.

Voorbeeld 3:

Kind schrijft zich in 2018 in voor minder dan 27 studiepunten wegens ziekte. Binnen de AKBW bestond er voor deze kinderen geen recht (geen hoedanigheid). Vanaf 01.01.2019 kan het kind een recht openen binnen het Groeipakket op basis van art. 26 § 2 van het BVR Rechtgevend kind. Om de bedragen te bepalen vanaf 01.01.2019 beschouwen we dit kind op 31.12.2018 als zijnde in de hoedanigheid o.b.v. de theoretische toekenningsperiode en kennen we de oude bedragen toe.

Voorbeeld 4:

Kind stopt met studies op 10.12.2018 en schrijft zich niet in als werkzoekende schoolverlater. Zijn theoretische toekenningsperiode loopt tot in december 2019. In februari 2020 begint het kind nieuwe studies en schrijft hij zich in voor voldoende studiepunten.

Aangezien het kind zijn studies stopt in december 2018 heeft het nog recht op 31.12.2018 binnen AKBW. Er is er vanaf  01.01.2019 recht als werkzoekende schoolverlater en dit voor 360 dagen (inschrijving VDAB is geen voorwaarde meer) aan de oude bedragen. Als het kind in februari 2020 opnieuw begint te studeren, bestaat er vanaf 01.02.2020 opnieuw recht als student binnen het Groeipakket aan de oude bedragen want er was recht binnen de AKBW op 31.12.2018. Na het beëindigen van de nieuwe studies heeft het kind nog 12 maanden recht als schoolverlater indien het aan de voorwaarden voldoet.

Indien blijkt dat er in deze gevallen ondertussen nieuwe bedragen werden toegekend of er werd over voorgaande maanden geen gezinsbijslag betaald, dan wordt vanaf de maand van de vaststelling het correcte bedrag toegekend. Er wordt niet teruggevorderd.  Er wordt wel bijgepast indien het verschuldigde bedrag hoger ligt dan het betaalde bedrag.

Voorbeeld:

Jongere stopte zijn studies op 30.06.2018 en schreef zich niet in als werkzoekende schoolverlater. Vanaf 05.02.2019 schrijft hij zich in als student voor voldoende studiepunten. In mei neemt de jongere contact op met de UA om mee te delen dat hij gaat werken en vraagt info. Het dossier wordt herzien.

Bij eerste onderzoek naar het recht werden vanaf 01.02.2019 de nieuwe bedragen toegekend. Op basis van het contact met de jongere en de tewerkstelling wordt het dossier herzien en wordt opgemerkt dat er nieuwe bedragen werden toegekend en er over januari 2019 geen gezinsbijslag werd betaald. Bij de vaststelling worden de correcte bedragen toegekend, namelijk de oude bedragen op basis van theoretische toekenningsperiode op 31.12.2018. Er wordt niet teruggevorderd, wel bijgepast over de reeds betaalde maanden indien het verschuldigde bedrag hoger is dan het betaalde bedrag. Voor de maand  januari wordt er betaald aan de oude bedragen. De begunstigde wordt op de hoogte gebracht.

Indien de toekenningsperiode ten einde is op 31.12.2018 (kind heeft nog recht op 31.12.2018) en het kind vangt in 2019 nieuwe studies aan, dan ontvangt dit kind de oude bedragen voorzien in Boek 5 van het Groeipakketdecreet.  

  1. Algemene bepalingen

Deze schoolverlaters vallen niet onder de toepassing van artikel 40 BVR (periode van 12 maanden als schoolverlater).

Eens de periode van de initiële of de theoretische toekenningsperiode is uitgeput (geen andere hoedanigheid die een recht opent) stopt het recht en worden er geen 12 maanden meer als schoolverlater volgens art. 40 BVR toegekend.

Indien de initiële of de theoretische toekenningsperiode wordt onderbroken door recht in een andere hoedanigheid, zoals student, dan kan er nadien wel nog 12 maanden recht zijn als schoolverlater.

Bij de studiehervatting wordt overgeschakeld naar het recht als student.  Na het einde van de nieuwe studies begint overeenkomstig artikel 40 een nieuwe periode van 12 maanden als schoolverlater, de periode waarvoor overeenkomstig artikel 46 al betaald werd voor de toekenningsperiode van 360 dagen wordt niet in mindering gebracht.

Voorbeeld:

Kind heeft vanaf 01.01.2019 recht op basis van zijn initiële toekenningsperiode tot 31.07.2019. Vanaf 01.08.2019 is er geen enkel recht meer op gezinsbijslag (geen (resterende deel meer van de) 12 maanden recht als schoolverlater).

Voorbeeld:

Kind heeft vanaf 01.01.2019 recht op basis van zijn initiële toekenningsperiode (die loopt tot 31.07.2019) en schrijft zich over de periode van 02.02.2019 tot 20.02.2019 opnieuw in voor voldoende studiepunten. Over de maand februari 2019 bestaat er een recht binnen het Groeipakket o.b.v. de hoedanigheid als student. Aansluitend op de studies is er nog gedurende maximaal 12 maanden recht als schoolverlater.

Voorbeeld:

De jongere is gestopt met studeren op 15.11.2018 en ingeschreven als werkzoekende schoolverlater op 16.11.2018.  Hij hervat studies hoger onderwijs in februari 2019 en stopt opnieuw met de studies op 30 juni 2019.  Recht als student van 1 februari 2019 tot 30 september 2019.  Op 1 oktober 2019 start een periode van 12 maanden als schoolverlater, zonder rekening te houden met de vroegere toekenningsperiode.

2.1.2. Verlenging van de toekenningsperiode

Op 31 december 2018 is de werkzoekende schoolverlater in verlenging van de initiële toekenningsperiode bij gebrek aan 2 positieve evaluaties inzake zoeken naar werk.

Er is recht op de oude bedragen tot het einde van de periode van 6 maanden die aanvangt op de datum van de laatste evaluatie voor 31 december 2018.

Voorbeeld.

In 2018 vond de laatste evaluatie inzake zoeken naar werk plaats op 20 november 2018: recht tot 31 mei 2019. Geen verdere verlenging.

Let wel, bij onderbreking van de verlenging van de toekenningsperiode door bijvoorbeeld studies of een andere hoedanigheid voorzien in het Groeipakket, vervalt de toepassing van artikel 46 BVR Rechtgevend kind.

Na het verloop van de verlening van de toekenningsperiode bestaat er geen recht meer als schoolverlater zoals voorzien in art. 40 van het BVR Rechtgevend kind.

2.1.3. Tewerkstelling en sociale uitkering tijdens de initiële, theoretische of verlengde toekenningsperiode - bijzonder situatie (dubbele evaluatie – artikel 46, laatste lid, BVR)

Inzake tewerkstelling en sociale uitkering, worden eerst de nieuwe bepalingen van artikel 41 BVR toegepast (eerste evaluatie), indien dit echter een schorsing van de betaling met zich meebrengt, dient er te worden onderzocht of er in toepassing van artikel 46, laatste lid van het  BVR geen recht is op basis van de bepalingen van het KB  van 12 augustus 1985 (tweede evaluatie).

Eerste evaluatie o.b.v. art. 41 BVR

Toegelaten activiteit

  • 475 uren als jobstudent per kalenderjaar;
  • ≤ 80 uren per maand;
  • zelfstandige niet in hoofdberoep.

Sociale uitkering

  • Uitkering in de volgende regelingen: ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekte, loopbaanonderbreking, of werkloosheid én inkomensvervangende tegemoetkoming brengt een schorsing voor de volledige maand met zich mee en dit ongeacht het bedrag ervan.
  • ! Inschakelingsuitkering vormt een schorsing voor de hele maand, ook als die vb. pas vanaf 29 juli wordt toegekend. 

Tweede evaluatie

Toegelaten activiteit en sociale uitkering (artikel 4 §1/2 en §2 KB van 12 augustus 1985)

  • Recht op kinderbijslag indien het bruto-inkomen uit een winstgevende activiteit en/of een sociale uitkering het toegelaten maximumbedrag van € 551,89 per maand niet overschrijdt.
  • ! Inschakelingsuitkering vanaf 29 juli 2019 is uiteindelijk geen beletsel als het brutobedrag ervan niet hoger ligt dan € 551,89 euro voor die maand.
  • Inkomensvervangende tegemoetkoming is geen beletsel, want werd voor de toepassing van het KB van 12 augustus 1985 niet in aanmerking genomen.

 

2.1.4. De jongeren die zich wegens ziekte niet kon inschrijven als werkzoekende of die ziek werden tijdens de initiële toekenningsperiode

Art 46 § 2, 2° voorziet ook een overgangsbepaling voor jongeren die:

  • zich niet konden inschrijven als werkzoekende: recht tot einde van de ziekte en de initiële toekenningsperiode die er op volgt.  
  • ziek werden tijdens de initiële toekenningsperiode: recht tot einde van de ziekte en de resterende initiële toekenningsperiode die er op volgt.

Zodra de jongeren na de ziekte en tijdens de (resterende) toekenningsperiode een inschakelingsuitkering ontvangt, vormt dit een beletsel voor het recht op gezinsbijslag.

Voorbeeld:

Jongere eindigt zijn studies op 30.06.2018 en kan zich niet inschrijven bij de VDAB als werkzoekende schoolverlater. Hij geneest op 05.05.2019. Er is recht tot het einde van zijn ziekte, namelijk 31.05.2019 en aaneensluitend nog voor de volledige initiële  toekenningsperiode (360 dagen), namelijk maximaal recht tot 31.05.2020.

Voorbeeld:

Jongere eindigt zijn studies op 30.06.2018 en schrijft zich onmiddellijk in bij de VDAB als werkzoekende schoolverlater. De jongere is ziek van 15.10.2018 tot 30.06.2019. Er is recht tot het einde van de ziekte, namelijk 30.06.2019 en aaneensluitend nog voor de resterende 285 dagen7 van de initiële toekenningsperiode, namelijk maximaal tot 30.04.2020.

Scenario 1

De jongere schrijft zich op 15.10.2019 opnieuw in voor voldoende studiepunten. Recht in de hoedanigheid als student en het recht in toepassing van art. 46 § 2, °2 vervalt. Na het einde van de studies kan er nog recht zijn op 12 maanden schoolverlater in toepassing van art. 40 van het BVR.

Scenario 2

De jongere ontvangt vanaf 01.08.2019 een inschakelingsuitkering. De inschakelingsuitkering vormt een beletsel voor het recht (dubbele evaluatie).  

2.2. Kinderen die hun studies beëindigd hebben of stopgezet in 2019

Deze kinderen vallen als schoolverlater enkel onder de toepassing van artikel 40 van het BVR rechtgevend kind

De bepalingen van artikel 46 m.b.t. de schoolverlaters zijn niet van toepassing.  

2.2.1. Toekenningsperiode

Recht als schoolverlater gedurende 12 maanden. De 12 maanden beginnen te lopen na de laatste maand waarin er betaald werd als student/leerling/kind met specifieke ondersteuningsbehoefte/onvoorwaardelijk recht.

Voorbeelden:

  • Stopzetten van de rechtgevende studies op 18.01.2019: periode 12 maanden begint te lopen op 01.02.2019.
  • Einde studies niet-hoger onderwijs op 30.06.2019 (einde zomervakantie 31.08.2019): periode van 12 maanden begint te lopen op 01.09.2019.
  • Einde studies hoger onderwijs op 30.06.2019 (einde zomervakantie 30.09.2019): periode van 12 maanden begint te lopen op 01.10.2019.

Indien de studies tijdens die 12 maanden hervat worden, schakelen we terug over naar het recht als student.  Indien er daarna opnieuw een stopzetting of een einde studies volgt: recht voor het resterende deel van de periode van 12 maanden. 

Eens het recht van 12 maanden als schoolverlater is uitgeput, stopt het recht volledig en kan er geen nieuwe periode van 12 maanden worden toegekend. De periode van 12 maanden schoolverlater wordt slechts één maal toegekend per rechtgevend kind.

Over de maand van de studiehervatting en de maand van de stopzetting studies of einde zomervakantie primeert het recht als student.

Voorbeeld

  • Kind zet zijn studies stop op 18.01.2019: begin periode van 12 maanden vanaf 01.02.2019
  • Vervolgens hervat hij studies hoger onderwijs op 17.09.2019: terug recht als student vanaf 01.09.2019.
  • Na het einde van de studies op 30.06.2020 en einde zomervakantie 30.09.2020 kan hij nog gedurende het resterend deel van de periode van 12 maanden schoolverlater, namelijk 5 maanden, recht hebben als schoolverlater en dit tot 28.02.2021.

Inzake tewerkstelling en sociale uitkering, zijn uitsluitend de nieuwe bepalingen van artikel 41 BVR van toepassing. Er is maar sprake van een enkele evaluatie:

Enige evaluatie o.b.v. art. 41 BVR

Toegelaten activiteit

  • 475 uren als jobstudent per kalenderjaar;
  • ≤ 80 uren per maand;
  • zelfstandige niet in hoofdberoep.

Sociale uitkering

  • Uitkering in de volgende regelingen: ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekte, loopbaanonderbreking, of werkloosheid én inkomensvervangende tegemoetkoming brengt een schorsing voor de volledige maand met zich mee en dit ongeacht het bedrag ervan.
  • ! Inschakelingsuitkering vormt schorsing voor de hele maand, ook als die vb. pas vanaf 29 juli wordt toegekend. 
  • Ook een inkomensvervangende tegemoetkoming vormt een beletsel vanaf de maand waarin het recht op die uitkering ontstaat.

 

  1. Recht als leerling/student

3.1. Leerling deeltijds leren/deeltijds werken en leerovereenkomst

  • De voorwaarden inzake studies zijn ongewijzigd.  De interpretaties genomen op basis van het KB van 10 augustus 2005 blijven geldig.
  • Voor de procedure zieke student: zie 3.4.
  • Er dient een enkele evaluatie te gebeuren voor de toegelaten activiteit en sociale uitkering:

Enige evaluatie o.b.v. art. 29 BVR

Toegelaten activiteit

  • 475 uren als jobstudent per kalenderjaar;
  • ≤ 80 uren per maand;
  • zelfstandige niet in hoofdberoep;
  • elke activiteit in kader van deeltijds leren/deeltijds werken en in kader van leerovereenkomst8.

Sociale uitkering

  • Uitkering in de volgende regelingen: ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekte, loopbaanonderbreking, of werkloosheid brengt een schorsing voor de volledige maand met zich mee en dit ongeacht het bedrag ervan.
  • een uitkering die voortvloeit uit alternerend leren/werken/leerovereenkomst vormt geen beletsel.  Dus voor hen vormt de inschakelingsuitkering geen beletsel, ongeacht bedrag ervan.

 

3.2. Leerling/Student – voltijdse studies

  • De voorwaarden inzake studies blijven nagenoeg ongewijzigd. De interpretaties genomen op basis van het KB tot 10 augustus 2005, blijven tot nader order gelden.
  • Er zijn 2 wijzigingen ten gronde, namelijk:
    • de regeling voor de student met een inschrijving van minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar - per opleidingscyclus (artikel 24§3 BVR) – zie rubriek 3.4. hierna
    • de zieke leerling/student – zie rubriek 3.5 hierna
  • Er dient een enkele evaluatie te gebeuren voor de toegelaten activiteit en sociale uitkering:

Enige evaluatie o.b.v. art. 29 BVR

Toegelaten activiteit

  • 475 uren als jobstudent per kalenderjaar;
  • ≤ 80 uren per maand met contract gewone RSZ-bijdragen;
  • zelfstandige niet in hoofdberoep.

Sociale uitkering

Uitkering in een van de volgende regelingen: ziekte, arbeidsongevallen, beroepsziekten, loopbaanonderbreking, of werkloosheid brengt de schorsing voor de volledige maand met zich mee.

 

3.3. Overgangsbepaling

Voor de evaluatie van de toegelaten activiteit en sociale uitkering wordt een overgangsbepaling vooropgesteld voor leerlingen en studenten die op 31.12.2018 de hoedanigheid als leerling of student hebben en die deze hoedanigheid gedurende het resterende school-, academiejaar 2018/2019 behouden:

Er wordt in eerste instantie een onderzoek ingesteld op basis van de nieuwe bepalingen van artikel 29 BVR.  Indien dit een schorsing van de betaling met zich meebrengt en het kind recht had op kinderbijslag op 31 december 20189, dient nog een tweede evaluatie uitgevoerd te worden overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 13 en 14 van het KB van 10 augustus 2005, d.w.z. de 240-uren regeling.

Deze 240-urenregeling geldt tot:

  • 31 augustus 2019 voor de leerlingen die hun studies niet-hoger onderwijs beëindigen op het einde van het schooljaar 2018/2019;
  • 30 september 2019 voor de studenten die hun studies hoger onderwijs beëindigen op het einde van het schooljaar 2018/2019;

Voor leerlingen of studenten die in het school-/academiejaar 2019/2020 verder studeren is er tijdens het 3de kwartaal van 2019 geen beperking inzake tewerkstelling.

Indien de student terzelfdertijd tijdens hetzelfde school-/academiejaar een opleiding in het niet-hoger onderwijs als in het hoger onderwijs volgt, dan eindigt de zomervakantie op 30.09.2019 (meest voordelig).

Overzicht van de dubbele evaluatie toegelaten activiteit:

Eerste evaluatie o.b.v. art. 29 BVR

Toegelaten activiteit

  • 475 uren als jobstudent per kalenderjaar;
  • ≤ 80 uren per;
  • zelfstandige niet in hoofdberoep;
  • elke activiteit in het kader van deeltijds leren/deeltijds werken en in het kader van een leerovereenkomst.

Sociale uitkering

  • Uitkering in een van de volgende regelingen: ziekte, arbeidsongevallen, beroepsziekten, loopbaanonderbreking, of werkloosheid brengt de schorsing voor de volledige maand met zich mee. Behalve: een uitkering die voortvloeit uit alternerend leren/werken/leerovereenkomst vormt geen beletsel.  De inschakelingsuitkering vormt dus geen beletsel, ongeacht het bedrag ervan.

Tweede evaluatie o.b.v. KB van 10.08.2005

Toegelaten activiteit

Voor kinderen met recht op kinderbijslag op 31.12.2018: toepassing 240-urennorm.

Sociale uitkering

Tot einde van de zomervakantie10 blijft een sociale uitkering die voortvloeit uit een toegelaten activiteit in de zin van het KB van 10.08.2005 toegelaten.

Let wel: overeenkomstig de richtlijnen gegeven met de dienstbrief 996/59 van 24 maart 2003 moet de toegelaten winstgevende activiteit verricht vóór de sociale uitkering geëvalueerd worden, concreet de winstgevende activiteit verricht in het kwartaal voorafgaand aan dat waarin de uitkering valt.

! Inschakelingsuitkering brengt de schorsing voor de volledige maand mee.

Voorbeelden.

  • Student op 31 december 2018. Afgestudeerd in hoger onderwijs einde 2018/2019 en begint een tewerkstelling met gewone RSZ-bijdragen vanaf 1 september 2019 (meer dan 80 uren in september 2019, maar minder dan 240 uren in 3e kwartaal 2019). Recht tot 30 september 2019.  
  • Student op 31 december 2018.  Afgestudeerd hoger onderwijs einde 2018/2019 en werkt voltijds als jobstudent (475-urenregeling) in juli 2019 en met een gewoon contract vanaf 1 september 2019 (meer dan 80 uren).  Werk als jobstudent en ander werk samen meer dan 240 uren.  Recht tot 31 augustus 2019 op basis van de bepalingen van artikel 29 BVR.  
  • Student op 31 december 2018 en verder in het schooljaar 2018/2019.  In het schooljaar 2019/2020 worden de hogere studies voortgezet.  Er is een tewerkstelling met een gewoon contract (met RSZ-bijdragen) van 1 juli 2019 tot 30 september 2019. Recht tot 30 september 2019 omdat artikel 13 van het KB van 10.8.2005 bepaalt dat elke tewerkstelling in het 3e kwartaal toegelaten is, als de jongere na de vakantie zijn studies voortzet.

 

3.4. De student ingeschreven voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar (artikel 24 § 3 BVR)

Art. 24 van het BVR Rechtgevend kind stelt dat studenten die ingeschreven zijn voor minder dan 27 studiepunten, maar in hun diplomajaar zitten, hun recht op gezinsbijslag blijven behouden.

Dit artikel is van toepassing:

  • ongeacht of de inschrijving voor minder dan 27 studiepunten voor 1 januari 2019 plaatsvond of erna
  • maximaal gedurende 1 jaar per opleidingscyclus: een student die ingeschreven is voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar, en zich het volgend jaar opnieuw op dezelfde manier inschrijft binnen dezelfde opleidingscyclus (bijvoorbeeld omdat hij niet geslaagd was) kan geen beroep meer doen op dit artikel11.

Was de student in het academiejaar 2018/2019 ingeschreven voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar, maar was er geen recht op kinderbijslag op 31.12.2018 en opent hij vanaf 01.01.2019 recht op basis van art. 24 BVR, dan worden de oude bedragen toegekend.

Dit zal voornamelijk zo zijn voor kinderen voor wie op 31.12.2018 de thesisregeling binnen de AKBW niet van toepassing was. Hierbij enkele voorbeelden:

Voorbeeld 1:

Een student schreef zich in september 2018 in voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar, maar binnen de AKBW was er geen recht omdat hij onmiddellijk meedeelde dat hij niet aan een thesis werkte (geen toepassing van de thesisregeling). De student vraagt vanaf 01.01.2019 naar zijn rechten binnen het Groeipakket.

De jongere wordt beschouwd als zijnde in zijn theoretische toekenningsperiode vanaf 01.08.2018 en kan vanaf 01.01.2019 nog een recht hebben aan de oude bedragen voor de resterende toekenningsperiode tot 31.07.2019 of tot zolang hij voldoet aan de voorwaarden binnen het Groeipakket om een recht te openen bijvoorbeeld op basis van studies. In dit geval kan vanaf 01.01.2019 het art. 24 BVR toegepast worden. Vanaf 01.01.2019 tot en met 30.09.2019 recht met toekenning oude bedragen.

Voorbeeld 2:

Een student is sinds september 2018 ingeschreven voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar (valt onder de thesisregeling van de AKBW op 31.12.2018) en na 01.01.2019 laat hij weten dat hij zijn thesis toch niet zal indienen. Deze mededeling heeft binnen het Groeipakket geen gevolg aangezien de voorwaarde om aan een thesis te werken niet langer van toepassing is.

  • Hij schrijft zich uit in februari 2019: einde recht op 28.02.2019 als student en start van 12 maanden schoolverlater met toekenning van de oude bedragen.
  • Hij schrijft zich niet uit: recht als student loopt door tot 30.09.2019 en vanaf 01.10.2019 start van 12 maanden schoolverlater12.

Voorbeeld 3:

Een student is sinds september 2018 ingeschreven voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar, en op 17 december 2018 deelt hij mee dat hij zijn thesis niet zal indienen.

Op basis van de mededeling in december 2018 stopt het recht op 31.12.201813 binnen de AKBW. Vanaf 18.12.2018 wordt hij beschouwd als zijnde in zijn theoretische toekenningsperiode en er kan vanaf 01.01.2019 tot en met 31.12.2019 een recht bestaan als werkzoekende schoolverlater met toekenning van de oude bedragen.

Voorbeeld 4:

Op 31.12.2018 was er geen recht op kinderbijslag voor de jongere (niet ingeschreven voor voldoende studiepunten en geen diplomajaar). Er wordt vanaf 01.01.2019 geen gezinsbijslag toegekend (de jongere vraagt bijvoorbeeld niet naar zijn rechten). Zijn theoretische toekenningsperiode loopt in principe tot 31.07.2019. In september 2019 schrijft de jongere zich in voor minder dan 27 studiepunten in een diplomajaar. In toepassing van art. 24 BVR kan hij een recht binnen het Groeipakket openen. Er is recht van 1 januari 2019 tot 31 juli 2019 op basis van zijn theoretische toekenningsperiode en vanaf september 2019 opnieuw als student in het diplomajaar. Er is daarbij telkens recht op de oude bedragen.

 

Toegelaten activiteit en sociale uitkering voor de periodes met recht als student: geen recht als student op kinderbijslag op 31 december 2018, dus enkel toepassing van artikel 29 BVR en bijgevolg geen mogelijkheid om artikel 46 BVR toe te passen. Er is sprake van een enkele evaluatie:

Enkele evaluatie o.b.v. art. 29 BVR

Toegelaten activiteit

  • 475 uren als jobstudent per kalenderjaar;
  • ≤ 80 uren per maand;
  • zelfstandige niet in hoofdberoep.

Sociale uitkering

Uitkering in een van de volgende regelingen: ziekte, arbeidsongevallen, beroepsziekten, loopbaanonderbreking, of werkloosheid brengt de schorsing voor de volledige maand met zich mee.

! Inschakelingsuitkering vormt een beletsel: schorsing voor de volledige maand, ongeacht het bedrag ervan.

 

3.5. Zieke leerling/student14

Het BVR rechtgevend kind voorziet een aantal regels die tegemoet komen aan de leerling/student die wegens ziekte de lessen niet of slechts beperkt kan volgen of zich niet of voor een beperkt aantal studiepunten kan inschrijven.

Ook jongeren die op basis van een ziekte die zich voordeed voor 01.01.2019 geen recht konden openen, kunnen vanaf 01.01.2019 een recht openen binnen de regels van het Groeipakket.

Na afloop van de ziekte of bij einde recht als zieke student, kan er (bij gebrek aan een andere hoedanigheid) nog recht zijn op 12 maanden als schoolverlater zoals voorzien in art. 40 BVR (binnen de leeftijdsgrenzen van art. 8 Groeipakketdecreet, namelijk 25 jaar).

Voorbeeld:

Een student hoger onderwijs kon zich in september 2018 niet inschrijven wegens ziekte. In februari 2019 ontvangen we een attest dat de jongere ziek is sinds 01.09.2018. In februari 2019 schrijft hij zich in voor 25 studiepunten.

Vanaf 01.01.2019 kan deze student recht hebben binnen het Groeipakket als zieke student die zich niet kon inschrijven. Rekening houdend met de situatie en bovenstaande richtlijnen beschouwen we de jongere op 31.12.2018 als zijnde in zijn theoretische toekenningsperiode en kennen we de oude bedragen toe. 

3.5.1. Niet-hoger onderwijs (artikel 20 BVR)

  • Afwezigheid door ziekte tijdens het schooljaar: recht tot einde van de zomervakantie van het schooljaar dat volgt op dat waarin het kind ziek is geworden. Daarna kan er nog gedurende 12 maanden recht zijn als schoolverlater (art. 40 BVR)

    Bij afwezigheid door ziekte van langer dan 6 maanden moet deze afwezigheid gewettigd worden door een medisch onderzoek waarin bevestigd wordt dat de jongere in de onmogelijkheid is om de lessen te volgen. Om de continuïteit van de betalingen te garanderen wordt het onderzoek bij de evaluerende arts van Kind en Gezin via Zoë ingeleid bij het begin van de 4de maand van de ziekte15.  

Voorbeeld:

Jongere is afwezig door ziekte vanaf 18 januari 2019: recht tot 31 augustus 2020, mits onmogelijkheid om de lessen te volgen bij afwezigheid van langer dan 6 maanden.

Als het resultaat van het onderzoek tot onmogelijkheid om de lessen te volgen negatief is, heeft de jongere recht tijdens de eerste 6 maanden ziekte op basis van ziekteattesten. Daarna recht als 12 maanden  schoolverlater.

In afwachting van de resultaten van het onderzoek worden de betalingen vanaf de 7de maand verdergezet onder het statuut van schoolverlater. Indien de onmogelijkheid om de lessen te volgen nadien blijkt uit het onderzoek, wordt het statuut van de jongere omgezet van schoolverlater naar zieke leerling. De teller van 12 maanden als schoolverlater wordt hierbij ook aangepast.

  • Inschrijving voor minder dan 17 lesuren per week wegens ziekte: recht op gezinsbijslag met attest arts. Dit recht kan mits de nodige attesten voor opeenvolgende schooljaren worden toegepast en dit maximaal tot de leeftijdsgrens van 25 jaar16.

Voorbeeld:

De jongere schrijft zich voor het schooljaar 2020/2021 in voor slechts 10 lesuren. De arts attesteert dat de jongere niet in staat is om meer lesuren te volgen: zolang de jongere ingeschreven is en er ziekteattesten zijn, kan het recht op basis van zieke student verder worden toegekend.  Indien de jongere in het schooljaar 2021/2022 opnieuw voor slechts 10 lesuren is ingeschreven kan mits de nodige doktersattesten verder betaald worden als zieke student.

  • Geen inschrijving wegens ziekte voor kind minder dan 21 jaar, maar geen ziekte in het vorig schooljaar (dus begin ziekte in de zomervakantie) én geen recht op zorgtoeslag voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte: recht als zieke student voor maximum één jaar vanaf de erkenning van de onmogelijkheid om de lessen te volgen.

Voorbeeld:

Ziek vanaf 1 augustus 2018 en het kind laat weten dat het zich niet kan inschrijven voor het nieuwe schooljaar wegens ziekte. Niet ziek in schooljaar 2017/201817 en geen recht op zorgtoeslag.  Erkenning van de onmogelijkheid om de lessen te volgen vanaf 1 september 2018.  Recht tot 31 augustus 2019.

  • Geen inschrijving wegens ziekte voor kind dat al 21 jaar is als het ziek wordt, maar geen ziekte in het vorig schooljaar (dus begin ziekte in de vakantie) recht als zieke student voor maximaal één jaar binnen de leeftijdsgrenzen van artikel 8 (25 jaar) en voor zover het geen inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangt.  De periode van één jaar kan in dat geval ten vroegste ingaan op 1 januari 2019.

Voorbeeld:

Kind van 22 jaar wordt ziek op 1 augustus 2017. Het was niet ziek in het schooljaar 2016/2017.  De ziekte duurt nog altijd verder en het kind laat weten dat het zich niet kon inschrijven voor het schooljaar 2018-2019 wegens ziekte.  Recht als zieke student van 1 januari 2019 tot 31 december 2019

  • Na een ziekteperiode terug naar school in de loop van een schooljaar met inschrijving van minder dan 17 lesuren: recht voor het lopende schooljaar met attest arts. In de praktijk mag een inschrijving van minder dan 17 lesuren in de loop van een schooljaar na een periode van ziekte die geattesteerd werd door een arts beschouwd worden als een inschrijving van minder dan 17 lesuren door ziekte. Dit wordt schooljaar per schooljaar toegepast, en maximaal tot de leeftijdsgrens van 25 jaar.

Deze bepaling heeft betrekking op 2 situaties:

  • De jongere was wegens ziekte niet ingeschreven in een onderwijsinstelling maar geneest in de loop van het schooljaar en schrijft zich alsnog in als leerling maar voor minder dan 17 lesuren. Het maakt daarbij niet uit of deze inschrijving voor minder dan 17 lesuren te wijten is aan de ziekte (jongere kan niet meer lesuren aan) of aan de laattijdige inschrijving (jongere kan zich niet meer inschrijven voor meer dan 17 lesuren). In dit laatste geval kan de arts niet attesteren dat de jongere zich wegens ziekte niet kan inschrijven voor meer lesuren aangezien hij reeds genezen is. Een attest van de voorliggende ziekteperiode in combinatie met de laattijdige inschrijving voor minder dan 17 lesuren mag in dit geval aanvaard worden.
  • De jongere was ingeschreven maar afwezig wegens ziekte tijdens het schooljaar en hervat de lessen wegens genezing of verbetering van zijn toestand maar voor minder dan 17 lesuren. De arts attesteert dat de jongere omwille van zijn ziekte niet meer lesuren aankan. Indien de inschrijving wordt teruggebracht tot minder dan 17 lesuren omwille van het laattijdig hervatten van de lessen, mag een attest van de voorliggende ziekteperiode in combinatie met de vermindering van lesuren aanvaard worden.

Voorbeeld:

Jongere is voor het schooljaar 2019/2020 niet ingeschreven wegens ziekte en schrijft zich in de loop van december in voor minder dan 17 lesuren omwille van een verbeterde toestand. De arts attesteert dat de jongere niet meer lesuren aankan door de ziekte. De jongere heeft verder recht in de hoedanigheid van zieke student tot en met 31.08.2020, of tot zolang er ziekteattesten zijn. Beoordeling gebeurt schooljaar per schooljaar en maximaal tot de leeftijd van 25 jaar.

Toegelaten activiteit en sociale uitkering

  • Inzake toegelaten activiteit en sociale uitkering wordt in eerste instantie een onderzoek ingesteld op basis van de nieuwe bepalingen van artikel 29.  Indien dit een schorsing van de betaling met zich meebrengt en het kind recht had op kinderbijslag op 31 december 201818, dient nog een nieuwe evaluatie uitgevoerd te worden overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 13 en 14 van het KB van 10 augustus 2005, d.w.z. de 240-uren regeling voor het schooljaar 2018-2019.

 

3.5.2.  Hoger onderwijs (artikel 26 BVR)

  • Stopzetting studies of < 27 studiepunten in de loop van een academiejaar wegens ziekte mits attest van de arts: verder recht tot einde van de zomervakantie van het academiejaar dat volgt op dat waarin het kind ziek is geworden. Daarna kan er nog gedurende 12 maanden recht zijn als schoolverlater (art. 40 BVR)
  • Bij ziekte van langer dan 6 maanden moet de afwezigheid gewettigd worden door een medisch onderzoek waarin bevestigd wordt dat de jongere in de onmogelijkheid is om de lessen te volgen19. Om de continuïteit van de betalingen te garanderen wordt het onderzoek bij de evaluerende arts van Kind en Gezin via Zoë ingeleid bij het begin van de 4de maand van de ziekte20.

Voorbeeld:

Jongere is ziek vanaf 18 januari 2019: recht tot 30 september 2020, mits onmogelijkheid om de lessen te volgen bij ziekte van langer dan 6 maanden.

Als het resultaat van het onderzoek tot onmogelijkheid om de lessen te volgen negatief is, heeft de jongere recht tijdens de eerste 6 maanden ziekte op basis van ziekteattesten.

In afwachting van de resultaten van het onderzoek worden de betalingen vanaf de 7de maand verdergezet onder het statuut van schoolverlater. Indien de onmogelijkheid om de lessen te volgen nadien blijkt uit het onderzoek, wordt het statuut van de jongere omgezet van schoolverlater naar zieke student. De teller van 12 maanden als schoolverlater wordt hierbij ook aangepast.

  • Inschrijving voor minder dan 27 studiepunten wegens ziekte: recht op gezinsbijslag met attest arts. Dit recht kan mits de nodige attesten voor opeenvolgende schooljaren worden toegepast en dit maximaal tot de leeftijdsgrens van 25 jaar21.

Voorbeeld:

De jongere schrijft zich voor het academiejaar 2020/2021 in voor slechts 10 studiepunten. De arts attesteert dat de jongere niet in staat is om meer studiepunten te volgen: zolang de jongere ingeschreven is en er ziekteattesten zijn, kan het recht op basis van zieke student verder worden toegekend. Indien de jongere in het academiejaar 2021/2022 terug slechts voor 10 studiepunten is ingeschreven kan mits de nodige doktersattesten verder betaald worden als zieke student.

  • Geen inschrijving wegens ziekte voor kind minder dan 21 jaar, maar geen ziekte in het vorige academiejaar (dus begin ziekte in de vakantie) én geen recht op zorgtoeslag voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte: recht als zieke student voor één jaar vanaf de erkenning van de onmogelijkheid om de lessen te volgen.

Voorbeeld:

Jongere van 20 jaar volgt hoger onderwijs en wordt ziek vanaf 1 augustus 2019. Zij laat weten dat ze zich wegens ziekte niet kan inschrijven voor het nieuwe academiejaar. Zij is niet ziek in academiejaar 2018/2019 en geen recht op zorgtoeslag.  Erkenning van de onmogelijkheid om de lessen te volgen vanaf 1 september 2019.  Recht tot 30 september 2020.

Voorbeeld:

Jongere volgt hoger onderwijs, wordt ziek op 1 augustus 2018 en kan zich wegens ziekte niet inschrijven voor het nieuwe academiejaar.

Vanaf 01.01.2019 kan de jongere een recht openen binnen art. 26 van het BVR rechtgevend kind. Op 31.12.2018 wordt het kind beschouwd als zijnde in zijn theoretische toekenningsperiode (te ziek om zich in te schrijven als werkzoekende schoolverlater), met toekenning van de overgangsbedragen tot gevolg. Maximaal recht voor 12 maanden, dus tot 31 december 2019.

  • Geen inschrijving wegens ziekte voor kind dat al 21 jaar is als het ziek wordt, maar geen ziekte in het vorig academiejaar (dus begin ziekte in de vakantie) recht als ziekte student voor maximaal één jaar binnen de leeftijdsgrenzen van artikel 8 (25 jaar) en voor zover het geen inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangt.  De periode van één jaar kan in dat geval ten vroegste ingaan op 1 januari 2019.

Voorbeeld:

Kind van 22 jaar wordt ziek op 1 augustus 2017. Het was niet ziek in het academiejaar 2016/2017.  De ziekte duurt nog altijd verder.  Recht als zieke student van 1 januari 2019 tot 31 december 2019.

  • Na een ziekteperiode terug studeren in de loop van een academiejaar met inschrijving van minder dan 27 studiepunten: recht voor het lopende academiejaar met attest arts. In de praktijk mag een inschrijving van minder dan 27 studiepunten in de loop van een schooljaar na een periode van ziekte die geattesteerd werd door een arts beschouwd worden als een inschrijving van minder dan 27 studiepunten door ziekte. Dit wordt schooljaar per schooljaar toegepast, en maximaal tot de leeftijdsgrens van 25 jaar.

Voorbeeld:

Jongere is ziek en voor het academiejaar 2019/2020 niet ingeschreven als student. In de loop van december 2019 verbetert zijn toestand en schrijft hij zich op advies van de arts in voor 10 studiepunten. De arts attesteert de ziekte. De jongere heeft verder recht op basis van zieke student tot en met 30.09.2020, of tot zolang er ziekteattesten zijn. Beoordeling gebeurt schooljaar per schooljaar en maximaal tot de leeftijd van 25 jaar.

Toegelaten activiteit en sociale uitkering

  • Inzake toegelaten activiteit en sociale uitkering wordt een onderzoek ingesteld op basis van de nieuwe bepalingen van artikel 29. 

 

  1. Bijzondere situaties

4.1. Combinatie studies niet-hoger onderwijs met hoger onderwijs

Als de jongere die terzelfdertijd een studie volgt in zowel het niet-hoger onderwijs als in het hoger onderwijs dan worden de studiepunten van de studie in het hoger onderwijs omgerekend naar lesuren waarbij 1 studiepunten telt voor 30 minuten.

Indien het totaal aantal lesuren 17 of meer is, dan voldoet de jongere aan de voorwaarde om een recht te hebben als student.

Voorbeeld:

Jongere is ingeschreven in het niet-hoger onderwijs voor 10 lesuren. Daarnaast volgt hij nog een aantal vakken aan het hoger onderwijs voor een totaal van 20 studiepunten. De omrekening van de studiepunten telt voor 10 lesuren. In totaal volgt de jongere 20 lesuren en heeft hij recht op gezinsbijslag.

4.2. Studies in het buitenland22

Als de jongere een studie volgt buiten België (zowel binnen EER als buiten EER) dan dient het programma van de opleiding erkend te zijn door de buitenlands overheid of overeenstemmen met een programma dat erkend is door die overheid.

Indien de opleiding niet erkend is door de buitenlandse overheid, dient er te worden bewezen dat de jongere is ingeschreven voor minstens 13 lesuren (ook wanneer het een studie hoger onderwijs betreft die niet uitgedrukt wordt in studiepunten).

De jongere die in België al een einddiploma secundair onderwijs heeft verworven en die niet-hoger onderwijs volgt buiten België, heeft recht gedurende maximaal 1 schooljaar. Jongeren die hoger onderwijs volgen buiten België hebben recht voor de hele periode van het gevolgde onderwijs.

OPGELET: Het betreft vrijstellingen op de voorwaarde om opgevoed te worden of de lessen te volgen in België (art. 8, §3 Groeipakketdecreet). De voorwaarde van woonplaats in Vlaanderen dient behouden te blijven23 (art.8, §1, 1° Groeipakketdecreet)!

Voorbeeld:

Jongere behaalt zijn diploma secundair onderwijs op 30.06.2020. Voor het schooljaar 2020/2021 schrijft hij zich in voor een opleiding niet-hoger onderwijs in Canada, waarvan het schooljaar begint op 15.09.2020 en eindigt op 30.04.2021. Hij behoudt zijn domicilie in Vlaanderen. Op basis van de studies in Canada kan er gedurende maximaal 1 schooljaar recht bestaan rekening houdend met de richtlijnen in CO 1313 die vanaf 01.01.2019 verder van toepassing blijven.

Voorbeeld:

Een jongere van 18 jaar die nog geen diploma secundair onderwijs heeft, volgt een jaar lessen in Mexico via AFS (uitwisselingsjaar).

Aangezien deze jongere nog geen diploma secundair onderwijs heeft, kan er geen recht bestaan voor de periode waarin er lessen worden gevolgd in Mexico (geen EER of een land waarmee een bilateraal akkoord).

Voorbeeld:

Jongere behaalt zijn diploma secundair onderwijs op 30.06.2020 en volgt vanaf het academiejaar 2020/2021 een opleiding hoger onderwijs in Amerika maar behoudt zijn woonplaats in Vlaanderen. De jongere heeft recht gedurende de volledige duur van de studies in Amerika.  

(Zomer)vakanties24:

De gezinsbijslagen blijven behouden tijdens de kerst-, de paas- en de zomervakantie.

De zomervakantie is de periode tussen het einde van het schooljaar in de onderwijsinrichting die het kind vóór de vakantie bezocht en het begin van het schooljaar in de onderwijsinrichting waar het kind het volgende jaar schoolgaat, of het begin van het volgende academiejaar. Deze periode mag evenwel niet meer dan 4 maanden beslaan.

Als de zomervakantie meer dan vier maanden bedraagt, wordt de resterende periode gedekt door en afgetrokken van de twaalf maanden als schoolverlater.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen studies voltooien en studies stopzetten:

  • Bij het voltooien van de studies en een herschrijving in een volgend school-/ academiejaar: recht gedurende maximaal 4 maanden tijdens de vakantieperiode (tussen twee school-/academiejaren in).
  • Bij het voltooien van studies in het buitenland en geen nieuwe inschrijving in het volgend school-/academiejaar: recht gedurende de effectieve schoolvakantie in het buitenland, vb. studies voltooid op 31.05.2020, gevolgd door vakantie tot 30.06.2020: recht tot 30.06.2020.
  • Bij voltooien van studies in België en geen nieuwe inschrijving volgend school-/academiejaar: recht gedurende de Belgische schoolvakantie (31.08 of 30.09).
  • Bij stopzetting van studies en geen aaneensluitende vakantie: recht stopt op het einde van de maand waarin de studies worden stopgezet. Bij nieuwe inschrijving (in België voor 30.11) wordt het recht hervat vanaf de maand waarin de lessen starten.
  • Bij stopzetting studies en aaneensluitend een vakantie (toepassing art. 31 BVR) gevolgd door een nieuwe inschrijving volgende school-/academiejaar: recht tijdens de aansluitende vakantieperiode en dit gedurende maximaal 4 maanden.

Voorbeeld:

Een opleiding hoger onderwijs in Portugal eindigt op 31.03.2020 waarvan de schoolvakantie loopt van 01.04.2020 tot 30.06.2020. De jongere schrijft zich in voor een studie hoger onderwijs die start op 01.10.2020. De schoolvakantie in België loopt van 01.07.2020 tot 30.09.2020. De totale periode van de schoolvakanties bedraagt meer dan 4 maanden. Voor de maanden augustus en september bestaat er recht binnen de 12 maanden schoolverlater. Deze 2 maanden worden afgetrokken. Na het beëindigen van zijn studies resteren er nog 10 maanden als schoolverlater.

Voorbeeld:

Student studeert in de VS tot 31.03.2020 - einde academiejaar, schoolvakantie tot 31.05.2020. Nadien schrijft de student zich opnieuw in voor studies in de VS op 01.06.2020, maar stopt de studies op 15.06.2020. Op 15.10.2020 schrijft hij zich in voor een opleiding in België voor meer dan 27 studiepunten.

De jongere heeft recht op gezinsbijslag tijdens de zomervakantie in het buitenland (april en mei 2020) en op de zomervakantie in België (juli,  augustus en september 2020). Recht over juni op basis van studies in die maand.  

De toepassing van art. 31 BVR moet als volgt worden gezien: student volgt lessen in het buitenland en voltooit deze: recht tijdens aansluitende vakantie in het buitenland. Daarna opnieuw studies in het buitenland en hij stopt zijn studies en aaneensluitend begint de schoolvakantie in België: recht tijdens periode waarin studies en schoolvakantie in België op voorwaarde dat hij zich opnieuw inschrijft in België (of EER-lidstaat) voor 30.11 van het nieuwe school-/academiejaar.  

Student kon zich in dit geval niet tijdig inschrijven in België, want de schoolvakantie in België begint al de maand daaropvolgend (stopzetting aaneensluitend) = studies gestopt tussen 2 vakanties.

Voorbeeld:

Jongere studeert in het buitenland tot 31.01.2020 (= einde studies), de schoolvakantie in het buitenland loopt tot 29.02.2020. De student schrijft zich opnieuw in op 01.03.2020 voor een vervolg van de studies in het buitenland en zet zijn studies stop op 20.04.2020 (studie niet voltooid). Vervolgens schrijft de jongere zich op 15.10.2020 opnieuw in voor opleiding in België. De lessen beginnen effectief op 01.10.2020.

Na de stopzetting van zijn studies in april 2020 kan de student zich niet meer inschrijven voor de studies in België, maar de stopzetting van de studies is niet aaneensluitend aan de zomervakantie in België, waardoor er in dit geval geen toepassing is van art. 31 BVR.

In deze situatie is er recht tot en met 30.04.2020. Tussen mei en september bestaat er geen recht als student. Er is opnieuw recht vanaf de eerste dag van de lessen in België (= 01.10.2020). In de tussenliggende periode heeft de jongere niet de hoedanigheid als student en kan hij zich beroepen op zijn 12 maanden als schoolverlater = recht als schoolverlater van 01.05.2020 tot 30.09.2020. Daarna resteren er nog 7 maanden recht als schoolverlater.

Voorbeeld:

Jongere studeert in Portugal tot 10.05.2020 - vroegtijdige stopzetting - vakantie vanaf 01.06.2020 tot 31.07.2020 en schrijft zich 01.09.2020 opnieuw in voor studies in België voor meer dan 27studiepunten.

De jongere onderbreekt zijn studies voor de periode tussen het einde van de vakantie in het buitenland en het begin van de zomervakantie in België. Dus bevindt hij zich niet in de periode tussen het einde van de vakantie in het buitenland en het begin van de zomervakantie in België.

Er is recht tot 31.05.2020 en vanaf 01.09.2020 als student. Voor de tussenliggende periode bestaat er geen recht als student wegens onderbreking van de studies voor de schoolvakantie. Over de periode van 01.06.2020 tot 31.08.2020 kan de jongere zich beroepen op de 12 maanden als schoolverlater.

Voorbeeld:

Student studeert in Frankrijk tot 30.04.2020 - einde schooljaar, vakantie tot 31.05.2020, en schrijft zich het nieuwe schooljaar in Spanje in op 01.10.2020.

Aangezien er geen sprake is van stopzetting van de studies en de jongere zijn studies in Frankrijk heeft voltooid en zich opnieuw inschrijft voor een nieuwe studie in oktober, kan er tijdens de vakantieperiode in Frankijk alsook voor deze in België een recht bestaan en dit over maximaal 4 maanden.

In deze situatie is er dus recht van 01.05.2020 tot en met 31.08.2020 (= 4 maanden) en in principe geen recht over september want meer dan 4 maanden. Over september kan er 1 maand recht als schoolverlater bestaan (= 1 maand die afgetrokken worden van de 12 maanden als schoolverlater).

Voorbeeld:

Student studeert in België tot 31.10.2020 en stopt de studies. Op 15.01.2021 begint hij de studies in de VS na het Kerstverlof (start 25.12.2020).

Er is geen toepassing van art. 31 aangezien de jongere de lessen in België heeft onderbroken in de periode na de zomervakantie, en er voor de start van de studies in de VS geen voorafgaande vakantie is in de VS.

Er is recht tot 31.10.2020 en opnieuw vanaf 01.01.2021. Over de periode vanaf 01.11.2020 tot 31.12.2020, 2 maanden van het recht als schoolverlater.

Voorbeeld:

Jongere studeert in België. Het academiejaar loopt tot 30.06.2020, gevolgd door schoolvakantie met einde 30.09.2020. Daarna schrijft hij zich op 01.10.2020 in voor nieuwe studies in België. Op 20.10.2020 onderbreekt hij zijn studies. Hij schrijft zich in voor een opleiding in VS op 01.03.2021.  De schoolvakantie in de VS loopt van 01.02.2021 tot en met  28.02.2021.

Er is recht op basis van studies in België tot 31.10.2020 en opnieuw vanaf 01.03.2021 (tussenliggende periode recht van 12 maanden als schoolverlater).

Als de jongere zijn studies had stopgezet op 15.01.2021 dan was er toepassing van art. 31 en aansluitend recht tijdens de vakantie in de VS omdat de stopzetting van de studies en het begin van de schoolvakantie in het buitenland aaneensluitend zijn

  • 1. Het kind heeft een onvoorwaardelijk recht tot en met de maand waarin het 18 jaar wordt of tot 21 jaar voor een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte.
  • 2. De uurnorm geldt niet voor het deeltijds secundair onderwijs.
  • 3. De inschrijving als werkzoekende is niet langer vereist, maar kan wel een aanleiding zijn om het dossier te regulariseren vanaf 01.01.2019. De jongeren die in hun theoretische toekenningsperiode zitten moeten dus niet actief opgespoord worden. In de praktijk zullen zij opduiken op basis van een melding in het dossier.
  • 4. Indien blijkt dat er ondertussen nieuwe bedragen werden toegekend of dat er nog een periode kan worden toegekend, dan wordt er niet teruggevorderd. Bijpassingen worden wel retroactief uitgevoerd. Vanaf de maand van de vaststelling wordt het correcte bedrag toegekend.
  • 5. Met dien verstande dat een inschrijving als werkzoekende vanaf 01.01.2019 niet meer nodig is binnen het Groeipakket.
  • 6. Binnen Groeipakket is er geen sprake meer van thesisjaar.
  • 7. 360 dagen – aantal dagen vanaf 01.08.2018 tot en met 14.10.2018.
  • 8. De richtlijnen gegeven met de dienstbrief 996/117bis blijven geldig.
  • 9. De hoedanigheid van leerling/student hebben op 31.12.2018 is voldoende. Deze regel geldt dus ook voor de student/leerling met een geschorst recht op 31.12.2018.
  • 10. 31.08.2019 voor niet-hoger onderwijs en 30.09.2019 voor hoger onderwijs.
  • 11. Wel nog recht op 12 maanden schoolverlater.
  • 12. In beide gevallen wordt op de uitgevoerde betalingen voor 2018 niet teruggekomen.
  • 13. In dit geval dient er een rechtzetting te gebeuren vanaf het begin van het academiejaar met regularisatie over oktober, november en december 2018.
  • 14. In de praktijk zal een onderzoek aangevraagd via Zoë een gecombineerde aanvraag zijn: zowel de onmogelijkheid om de lessen te volgen als een mogelijk recht op een zorgtoeslag zal onderzocht worden. Mogelijks zal dit nog wijzigen in de toekomst waardoor enkel een aanvraag tot onmogelijkheid om de lessen te volgen mogelijk zal zijn.
  • 15. Voortzetting vroegere procedure m.b.t. niet-hoger onderwijs, cfr. dienstbrief 997/76 van 15 juli 2011.
  • 16. Wordt schooljaar per schooljaar bekeken.
  • 17. Strikt genomen behoort de zomervakantie tot het (vorige) schooljaar maar in deze context dient dit begrepen te worden als niet ziek tijdens het vorige schooljaar tijdens de periode dat de aanwezigheid vereist was.
  • 18. De hoedanigheid van leerling/student hebben op 31.12.2018 is voldoende. Deze regel geldt dus ook voor de student/leerling met een geschorst recht op 31.12.2018.
  • 19. Zie voetnoot 16.
  • 20. Voortzetting vroegere procedure m.b.t. niet-hoger onderwijs, cfr. Dienstbrief 997/76 van 15 juli 2011.
  • 21. Wordt schooljaar per schooljaar bekeken.
  • 22. De richtlijnen in CO 1313 dd. 5 februari 1998 blijven vanaf 01.01.2019 van kracht.
  • 23. Tenzij er toepassing is van de Europese verordeningen of een bilateraal akkoord.
  • 24. De richtlijnen in CO 1313 dd. 5 februari 1998 blijven vanaf 01.01.2019 van kracht.
Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top