Vlaanderen

Ministerieel besluit van 25 maart 2019 houdende nadere regels over de controles door de gezinsinspecteurs, de preventieve opschorting van betaling van toelagen en de organisatie van het antifraudebeleid met het oog op de handhaving van de regelgeving betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid (B.S. 21.05.2019)

Hoofdstuk 1 - Definities

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder: 1° agentschap: het agentschap, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 7 juli 2017; 2° besluit van 13 juli 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2018 houdende de nadere regels over het toezicht, de nalevingsondersteuning en de handhaving ten aanzien van de burgers en de private uitbetalingsactoren, wat betreft de toelagen in het kader van het gezinsbeleid; 3° besluit van 21 september 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018 tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid; 4° decreet van 7 juli 2017: het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin; 5° decreet van 27 april 2018: het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid; 6° fraude: fraude als vermeld in artikel 1, 2°, van het besluit van 13 juli 2018; 7° gezinsinspecteur: de gezinsinspecteur, vermeld in artikel 3, § 3, 4°, van het decreet van 27 april 2018; 8° sociale inspectie- en begeleidingsdienst: de sociale inspectie- en begeleidingsdienst, vermeld in artikel 22 van het decreet van 7 juli 2017.

Hoofdstuk 2 - Controles door de gezinsinspecteurs

Art. 2. De dringende controle op initiatief van een uitbetalingsactor, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, van het besluit van 21 september 2018, wordt uitgevoerd in de volgende situaties: 1° de uitbetalingsactor vermoedt dat de werkelijke situatie van de begunstigden niet of niet meer overeenstemt met de officiële situatie of heeft twijfel over de gezinssituatie; 2° de uitbetalingsactor heeft ernstige en eensluidende aanwijzingen van fraude; 3° de uitbetalingsactor heeft, na uitputting van alle administratieve mogelijkheden, onvoldoende of tegenstrijdige gegevens gekregen via de gegevensstromen binnen het gegevensnetwerk of van de betrokken begunstigden, waardoor hij geen beslissing kan nemen; 4° de uitbetalingsactor wil de situatie controleren van het kind dat niet kan bewijzen dat het toegelaten of gemachtigd is om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen als vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 27 april 2018, met toepassing van artikel 2 van het ministerieel besluit van 13 maart 2019 houdende de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen; 5° de uitbetalingsactor vraagt een onderzoek van de solvabiliteit van de begunstigde in geval van terugvordering van ten onrechte verrichte betalingen van toelagen in het kader van het gezinsbeleid; 6° de uitbetalingsactor wil nagaan of de jongste begunstigde in de onmogelijkheid is om te reageren op de keuze van de uitbetalingsactor of van de bankrekening. Het bewijs dat de oudste begunstigde moet aanleveren, ontbreekt of biedt onvoldoende zekerheid; 7° de uitbetalingsactor wil bij de terugkeer van de vermoedelijk afwezige ouder de datum van terugkeer vastleggen, als die datum niet op een andere wijze vastgesteld kan worden; 8° De uitbetalingsactor wil de naleving van de toekenningsvoorwaarden van de kinderopvangtoeslag en de kleutertoeslag nagaan. Het agentschap legt vast welke de aanwijzingen zijn die als ernstige en eensluidende aanwijzingen van fraude als vermeld in het eerste lid, 2°, beschouwd kunnen worden.

Art. 3. De dringende systematische controle, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 2°, van het besluit van 21 september 2018, wordt uitgevoerd in de volgende situaties: 1° een gezin is niet in het Rijksregister ingeschreven, maar er is een referentieadres of verblijfsadres in België bekend; 2° in het kader van de toekenning van een sociale toeslag of selectieve participatietoeslag verklaart de begunstigde feitelijk samen te wonen, maar het samenwonen blijkt niet uit de gegevens van het Rijksregister noch uit een van de bewijsstukken, vermeld in artikel 3, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, en § 3, 2° en 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018 tot vaststelling van de nadere regels voor het toekennen van een sociale toeslag; 3° in het kader van de toekenning van een sociale toeslag of selectieve participatietoeslag wordt de vorming van een feitelijk gezin weerlegd door verklaringen als vermeld in artikel 3, § 4, eerste lid, 6° tot en met 8°, van het voormelde besluit; 4° de begunstigde verklaart dat een kind dat volgens het Rijksregister niet is ingeschreven op hetzelfde adres als de begunstigde, deel uitmaakt van zijn gezin; 5° volgens het Rijksregister wonen de begunstigden die op basis van hun inkomen recht hebben op een sociale toeslag, op hetzelfde adres, maar zijn er twee aparte gezinskernen; 6° een kind wordt geboren en staat ingeschreven in het Rijksregister en beide ouders studeren of verblijven in het buitenland; 7° een kind wordt geboren in een gezin dat op basis van het Rijksregister als alleenstaand wordt beschouwd en dat op basis van het inkomen een sociale toeslag ontvangt of kan ontvangen; 8° twee maanden na elkaar blijven de uitgegeven cheques ongeïnd als vermeld in artikel 14, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2018 houdende nadere regels betreffende de aanwijzing van de begunstigden van de gezinsbijslagen en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Art. 4. Het agentschap kan jaarlijks het percentage vastleggen van de steekproefcontroles van de gezinnen die worden gecontroleerd ter uitvoering van artikel 4, § 2, van het besluit van 21 september 2018. De uitbetalingsactor levert per kwartaal aan de sociale inspectie- en begeleidingsdienst gegevens over de gevraagde steekproefcontroles volgens de modaliteiten bepaald door het agentschap.

Art. 5. § 1. Als het agentschap informatie krijgt die wijst op fraude, voert het agentschap op eigen initiatief een controle uit. De meldingen van fraude, vermeld in het eerste lid, zijn afkomstig van: 1° andere inspectiediensten, andere overheidsdiensten of gerechtelijke instanties; 2° een burger, naar aanleiding van een melding van fraude. De sociale inspectie- en begeleidingsdienst informeert de betrokken uitbetalingsactor dat een controle voor zijn dossier is aangevraagd en geeft aan welke informatie de uitbetalingsactor moet aanleveren. § 2. De sociale inspectie- en begeleidingsdienst geeft voorrang aan de dringende controles, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het besluit van 21 september 2018, en aan de controles, vermeld in paragraaf een.

Hoofdstuk 3 - De begindatum van de preventieve opschorting van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Art. 6. Een gedeeltelijke of volledige preventieve opschorting van de betaling van de gezinsbijslagen of andere toelagen als vermeld in artikel 4 van het besluit van 13 juli 2018, gaat in drie maanden na een aanvraag van controle door de uitbetalingsactor of de sociale inspectie- en begeleidingsdienst. De termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, kan ingekort of verlengd worden op verzoek van de uitbetalingsactor of de sociale inspectie- en begeleidingsdienst.

Hoofdstuk 4 - Procedure voor controleaanvragen en opvolging van de vaststellingen van de gezinsinspecteurs

Art. 7. § 1. Het agentschap legt praktische en technische richtlijnen vast voor de indiening en opvolging van de aanvraag van een controle. Het legt ook de gegevens vast die op de aanvraag vermeld moeten worden. Het agentschap legt praktische en technische richtlijnen vast voor de geldigheidsduur van de controles en kan het minimumbedrag vastleggen waaronder geen solvabiliteitsonderzoek als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, gevraagd kan worden. Bij een vermoeden van fraude meldt de uitbetalingsactor aan de sociale inspectie- en begeleidingsdienst alle elementen die het vermoeden van fraude staven en de elementen die dat vermoeden weerleggen. § 2. De uitbetalingsactoren houden bij de besluitvorming over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid rekening met alle vaststellingen van de gezinsinspecteur die betrekking hebben op het recht op toelagen in het kader van het gezinsbeleid van het betrokken gezin, van een ander gezin van dezelfde uitbetalingsactor of van een gezin van een andere uitbetalingsactor. In het laatste geval brengt de uitbetalingsactor de andere uitbetalingsactor op de hoogte en informeert hij de sociale inspectie- en begeleidingsdienst. § 3. Het agentschap bepaalt op welke wijze en binnen welke termijnen: 1° de uitbetalingsactoren hun opmerkingen kunnen geven op de vaststellingen van de gezinsinspecteur; 2° financiële regularisaties worden geregistreerd. In het eerste lid, 2°, wordt onder financiële regularisaties verstaan: het betalen of bijbetalen van toelagen in het kader van het gezinsbeleid of het terugvorderen van onterecht betaalde gezinsbijslag.

Hoofdstuk 5 - Organisatie van en communicatie over de fraudeopvolging door de uitbetalingsactoren en het agentschap

Art. 8. Elke uitbetalingsactor wijst een referentiepersoon aan voor de opvolging van het antifraudebeleid. De sociale inspectie- en begeleidingsdienst deelt aan die persoon alle informatie mee over vermoedens of vaststellingen van fraude in de dossiers van de betrokken uitbetalingsactor. Het agentschap kan praktische en technische richtlijnen bepalen voor de communicatie en samenwerking tussen het agentschap en de referentiepersonen van elke uitbetalingsactor.

Hoofdstuk 6 - Slotbepaling

Art. 9. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top