MO 335 van 8 juni 1976, MO 338 van 19 juli 1976 en MO 360 van 21 juni 1979 samengevoegd - KB van 30 december 1975 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt

    In het Belgisch Staatsblad van 6 februari 1976 werd het voormelde K.B. bekendgemaakt.

    Deze omzendbrief heeft tot doel de aandacht te vestigen op de wijzigingen die in de reglementering worden aangebracht door dit besluit; hij herneemt ook de bepalingen van de M.O. nr. 247 van 10 april 1968 die nog van belang en dienstig zijn.

    I. Uit de bewoordingen van het besluit volgt dat voor de toekenning van kinderbijslag ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt niet wordt vereist dat de gevolgde leergangen zouden worden gegeven gedurende een zeker aantal weken per jaar.

    II. Het woord "uur" betekent een "tijdruimte van zestig minuten" les.

    Om na te gaan of het bij het besluit gestelde aantal uren bereikt is, dienen de lessen van minder dan zestig minuten en desgevallend van minder dan vijfenveertig minuten samengeteld te worden.

    III. De verschillende criteria waaraan het gevolgde onderwijs diende te beantwoorden, naargelang de aard van het onderwijs, zijn eenvormig gemaakt. Er is thans nog één enkele norm die geldt (...) nl. dat onderwijs moet gevolgd worden gedurende ten minste 15 uren per week, verdeeld over ten minste zes halve dagen.

    IV. 1. De opsomming van de vakken die gevolgd worden in een koninklijk muziekconservatorium en welke geacht worden te voldoen aan de normen inzake uren en halve dagen, waarvan sprake in artikel 1 van het besluit, is aangepast aan de evolutie van dit onderwijs.

    2. De cursussen voordrachtkunst en toneelspeelkunst kunnen afzonderlijk gevolgd worden. Het volstaat dat één van deze twee leergangen wordt gevolgd om gerechtigd te zijn op kinderbijslag.

    V. Luidens artikel 4, 2°, wordt ook kinderbijslag verleend aan de student die met toelating van de academische overheid of van de schooloverheid in het hoger onderwijs zichzelf een programma heeft samengesteld dat ten minste 13 lesuren per week omvat.

    VI. 1. Universiteiten en gelijkgestelde inrichtingen.

    (...)Universiteit Gent
    Vrije Universiteit Brussel (V.U.B. - U.L.B.)
    Katholieke Universiteit van Leuven (K.U.L.)
    (...)Universiteit Luik
    (...)Universiteit Bergen
    (...)Universitair centrum Antwerpen
    Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen
    Universitaire Instelling Antwerpen
    Universitaire Faculteiten St.-Aloysius (St.-Louis) Brussel
    Afdeling Kortrijk van de Katholieke Universiteit te Leuven
    Limburgs Universitair Centrum
    De Universitaire Faculteiten "Notre Dame de la Paix" te Namen
    De (...)faculteit van de Landbouwwetenschappen te Gembloux
    De polytechnische faculteit te Bergen
    De katholieke universitaire faculteit te Bergen.

    2. Niet-universitair hoger onderwijs

    Luidens artikel 1, § 3 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs omvat het hoger onderwijs naast het universitair onderwijs:

    - het technisch hoger onderwijs;
    - het economisch hoger onderwijs;
    - het agrarisch hoger onderwijs;
    - het paramedisch hoger onderwijs;
    - het sociaal hoger onderwijs;
    - het artistiek hoger onderwijs;
    - het pedagogisch hoger onderwijs;

    De instellingen van hoger onderwijs zijn bij koninklijke besluiten ingedeeld in een van voornoemde categorieën.

    (...)

    Daarenboven wordt eveneens als niet-universitair onderwijs aangezien :

    a. inzake kunstonderwijs:

    1. MUZIEKONDERWIJS:

    het onderwijs verstrekt in een der koninklijk muziekconservatoria en betreffende:

    a) de eerste prijs voor fuga;
    b) de eerste prijs voor contrapunt;
    c) het hoger diploma voor piano, viool, cello of orgel;
    d) de eerste prijs voor toondichten en orkestratie;
    e) de virtuositeitsprijs van de Regering voor piano, viool of cello;
    f) de voorbereiding tot de Prijs van Rome voor toondichten en orkestratie;
    g) het diploma voor orkestleiding;

    2. BOUWKUNST EN STEDEBOUW:

    het onderwijs verstrekt in een der volgende inrichtingen:

    a) Nationaal Hoger Instituut voor bouwkunst en stedebouw te Antwerpen;
    b) Nationale Hogere School voor bouwkunst en visuele kunsten te Brussel;
    c) Koninklijke Akademie voor schone kunsten te Bergen, Brussel, Gent en Luik;
    d) Akademie voor schone kunsten te Doornik (eerste twee studiejaren voor architekt);
    e) Provinciaal Hoger Instituut voor bouwkunst en toegepaste kunst te Hasselt;

    3. PLASTISCHE KUNSTEN:

    a) het onderwijs verstrekt in het Nationaal Hoger Instituut voor schone kunsten te Antwerpen;
    b) het onderwijs verstrekt in de Nationale Hogere School voor bouwkunst en visuele kunsten te Brussel;
    c) het onderwijs verstrekt in de specialisatie-afdelingen van de Koninklijke Akademie voor schone kunsten te Antwerpen, nl. grafische vormgeving (publiciteit), decor- en modeontwerpen, schilderen, beeldhouwen, sier- en monumentale kunst, keramiek en etsen;
    d) het onderwijs betreffende de laatste drie studiejaren en verstrekt in een der instellingen vermeld onder 2, a, c, d, en e;

    b. inzake zeevaartonderwijs:

    het onderwijs verstrekt in de afdeling dek van de Hogere Zeevaartschool te Antwerpen, waarvan het 1ste studiejaar in de Zeevaartschool te Oostende wordt gegeven, en het onderwijs verstrekt in de Hogere Radionavigatieschool te Brussel.

    VII. De lessen moeten gegeven worden gedurende de dag d.w.z. vóór 19 uur (i.p.v. 18 uur). Een uitzondering blijft behouden ten voordele van het buitengewoon onderwijs. Anderzijds dient ook het hoger onderwijs gevolgd te worden tijdens de dag.

    VIII. De door het Rijk erkende erediensten zijn de katholieke, de protestants-evangelische, de anglikaanse, de israëlitische en de islamitische erediensten1 .

    IX. Luidens artikel 7 dienen de lessen regelmatig gevolgd te worden. De opsomming van de gevallen van afwezigheid die er geen inbreuk op maken wordt aangevuld met "een staking van leden van het onderwijzend personeel". De afwezigheid van het kind wegens ziekte doet eveneens geen afbreuk aan het geregeld volgen van de lessen. In geval van onderbreking van het schoolbezoek wegens ziekte van het kind blijft de kinderbijslag verschuldigd tot het einde van de zomervakantie van het schooljaar dat volgt op dat in de loop waarvan de ziekte is begonnen.

    Wanneer verwacht wordt dat de duur van de ziekte meer zal bedragen dan een ononderbroken periode van zes maand en dat zij zal aanhouden tot na het begin van een nieuw schooljaar wordt het voortduren van de ongeschiktheid, vanaf de zevende maand, vastgesteld door een geneesheer van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering2 . De kinderbijslagfondsen worden verzocht de procedure tot vaststelling van het voortduren van de ongeschiktheid in te zetten twee maanden vóór het verstrijken van de initiale termijn van zes maand bepaald in het attest van de behandelende geneesheer.

    X. De lesdagen waarover ontspanningsverlof wordt verleend en waarop de lessen worden geschorst, dienen aangezien als werkelijke lesdagen.

    XI. De stages worden met les en cursussen gelijkgesteld indien het volbrengen ervan een voorwaarde is tot het verkrijgen van een wettelijk gereglementeerd diploma, getuigschrift of brevet.

    De kinderbijslag wordt evenwel niet verleend voor elke kalendermaand van het school- of academiejaar in de loop van dewelke stages worden verricht, indien de voor deze stages toegekende lonen of vergoedingen het bedrag overtreffen waarboven een leerling ophoudt de kinderbijslag te genieten.

    XII. Voor de studenten die niet werkelijk opnieuw naar school gaan, wordt in principe kinderbijslag verleend gedurende de zomervakantie, toegekend door de onderwijsinrichting; thans wordt reglementair bepaald dat die vakantie geacht wordt een einde te nemen op 30 september in het hoger onderwijs en op 31 augustus in het ander onderwijs.

    (...)

    XIII. Het genot van een sociale uitkering bij toepassing van een Belgische of een buitenlandse regeling betreffende ziekte, invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen of beroepsziekten, welke niet voortvloeit uit een toegelaten winstgevende aktiviteit, is een beletsel voor het genot van de kinderbijslag.

    XIV. Voor de vaststelling van de toegelaten winstgevende bedrijvigheid ten belope van 80 uren per kalendermaand, worden de uren les gegeven in een onderwijsinrichting niet meer dubbel aangerekend.

    XV. Inwerkingtreding en opheffingsbepaling.

    A. Het koninklijk besluit van 30 december 1975 treedt in werking op 1 januari 1976.

    B. Bedoeld besluit van 30 december 1875 heft het K.B. van 25 februari 1968 op vanaf 1 januari 1976. Vanaf dezelfde datum worden eveneens de M.O. nrs. 247 van 10 april 1968, en 248 van 1 augustus 1968 opgeheven.

    • 1De orthodoxe eredienst moet bij deze opsomming gevoegd worden (Wet van 17 april 1985).
    • 2Of, met toepassing van M.O. 497 van 8 april 1991, door elke daartoe bevoegde geneesheer.
    Top