Vlaanderen

MO 565 van 31 mei 1999 - KB van 29 april 1999 tot wijziging van KB van 3 mei 1991 tot uitvoering van de Art. 47, 56septies, 62, §3 en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van Art. 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen

 

Bovenvermeld koninklijk besluit van 29 april 1999 brengt een wijziging aan in de wijze waarop de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind bedoeld in de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten wordt vastgesteld.

Er kan voortaan bij het ongeschiktheidspercentage, zoals het zou vastgesteld zijn aan de hand van de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit en de lijst van aandoeningen volgens de bepalingen die golden voor de wijziging bij het voormeld koninklijk besluit van 29 april 1999, een percentagevermeerdering worden opgeteld indien aan zeer welomschrven voorwaarden is voldaan. Op deze percentagevermeerdering is de bijzondere regel ten aanzien van een meervoudige, ongeschiktheid waarin wordt voorzien in artikel 2, §2, 2° van bovenvermeld koninklijk besluit van 3 mei 1991 (de zogenaamde regel van Balthazar) niet van toepassing.

Deze percentagevermeerdering bedraagt:

- 15 % indien cumulatief aan minstens vier van de vijf hiernavolgende voorwaarden is voldaan; - 20 % indien cumulatief aan elk van de vijf hiernavolgende voorwaarden is voldaan.

De 5 voorwaarden zijn:

a) de aandoeningen moeten, ondanks de beschikbare therapie, gepaard gaan met ernstige klinische verschijnselen;

b) de therapie dient, wanneer degelijk en volledig toegepast, complex en zwaar belastend te zijn voor het kind en zijn omgeving;

c) de algemene toestand dient gekenmerkt te zijn door een wankele stabiliteit bedreigd door tussentijdse complicaties;

d) ondanks een blijvende, nauwgezette regelmatig bijgestuurde en intensieve therapie zal er een progressieve chronische aantasting van verschillende orgaansystemen optreden;

e) de levensverwachting wordt beïnvloed.

Hieruit volgt dat voornamelijk een aantal chronisch zieken, wier lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid zonder de wijziging door het voormeld koninklijk besluit van 29 april 1999 reeds minimaal 45 % zouden bereiken, eventueel baat zouden kunnen hebben bij een herzieningsaanvraag van hun ongeschiktheid.

De kinderbijslaginstellingen kunnen de betrokkenen, ten aanzien van wie er een redelijk vermoeden bestaat dat aan bovenvermeld voorwaarden is voldaan terwijl nog geen 66 % ongeschiktheid werd toegekend, aanraden een herzienings-aanvraag in te dienen.

IN 'T KORT:

LICHAMELIJKE OF GEESTELIJKE ONGESCHIKTHEID

Toekenning van een percentagevermeerdering van:

- 15 % indien voldaan is aan 4 van de 5 voorwaarden - 20 % indien voldaan is aan 5 van de 5 voorwaarden

Top