Vlaanderen

CO 1225 van 26 maart 1990 - Programmawet van 22 december 1989 en KB van 12 maart 1990 tot uitvoering van Art. 71, §1bis GW: toelichting en toepassingsmaatregelen ( uittreksels)

Artikel 1/1 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 1 - Verzekeringsplichtigen

1.1. De programmawet vervangt het gehele hoofdstuk 1 van de gecoördineerde wetten door dit te herschrijven. Dit hoofdstuk bevat nog slechts vier nieuwe artikelen terwijl alle andere bepalingen worden afgeschaft.

1.2. In het nieuwe artikel 1, KBW wordt het algemene beginsel van de verzekeringsplicht t.a.v. de gecoördineerde wetten vastgelegd door te verwijzen naar het bestaan van een arbeidsovereenkomst zoals vastgelegd door de wet van 3 juli 1978 (betreffende de arbeidsovereenkomsten).

Zoals in het verleden betreft de verzekeringsplicht dus enkel de werkgevers aangezien de werknemers immers geen bijdragen betalen voor de sector kinderbijslag. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst onderstelt het uitoefenen van een bezoldigde activiteit onder het gezag van een ander persoon (band van ondergeschiktheid) of arbeid die in gelijkaardige omstandigheden wordt uitgevoerd.

Artikel 2 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 1 - Verzekeringsplichtigen

1.1. De programmawet vervangt het gehele hoofdstuk 1 van de gecoördineerde wetten door dit te herschrijven. Dit hoofdstuk bevat nog slechts vier nieuwe artikelen terwijl alle andere bepalingen worden afgeschaft.

(...)

1.3. Het nieuwe artikel 2, G.W. stelt dat de werkgevers die onderworpen zijn aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers, voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, voor zeelieden der koopvaardij, ambtshalve onderworpen zijn aan de gecoördineerde wetten.

Opgemerkt zij dat het feit dat de algemeen sociale zekerheidsregeling voor werknemers beoogd wordt, impliceert dat de uitsluitingen die daarin zijn bepaald (artikelen 16 tot 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid voor werknemers), in de regel ook uitsluitingen zijn in de regeling voor gezinsbijslag.

De betrokken werkgevers zijn echter onderworpen aan de gecoördineerde wetten zo zij voldoen aan de vereisten van de artikelen 77 en 78, G.W., onder voorbehoud van de mogelijke toepassing van de artikelen 86 en 87, G.W.

Artikel 48 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 1 - Verzekeringsplichtigen

(...)

2.11. Artikel 48, G.W.

1. Artikel 48, lid 1, G.W. is aangepast aan de wet op de afstamming (afschaffing van de wettiging door adoptie).

2. Artikel 48, lid 5, G.W. is gewijzigd, zodat nu duidelijk het onderscheid wordt gemaakt tussen een gebeurtenis die plaatsvindt in de loop van een maand en een die plaatsvindt op de eerste van een maand.

Zo leidt een gebeurtenis die plaatsvindt in de loop van een maand en die impliceert dat recht wordt verkregen op de verhoogde bijslag voor wezen (artikel 50bis, G. W.) of op een van de in artikel 42bis, 44, 47 en 50ter, G.W. bedoelde toeslagen dan wel dat zo'n recht vervalt, tot het verlenen of niet langer verlenen van die bijslag of toeslag vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de gebeurtenis plaatsvond.

Voorbeelden:

  1. Een invalide rechthebbende voldoet op 16 juni aan de vereisten om aanspraak te kunnen maken op de toeslag van artikel 50ter, G.W. Die toeslag wordt maar verleend vanaf 1 juli.
  2. Een kind wordt 6 jaar op 2 mei. De in artikel 44, G.W. bepaalde leeftijdstoeslag wordt maar uitgekeerd vanaf 1 juni.
  3. Een kind wordt van 13 oktober af erkend als gehandicapte1, conform het bepaalde in artikel 47, G.W. De bijkomende bijslag is maar verschuldigd vanaf 1 november.

Heeft de gebeurtenis plaats op de eerste van een maand, dan worden de verhoogde bijslag voor wezen of de in artikel 42bis, 44, 47 en 50ter, G.W. bedoelde toeslagen evenwel verleend dan wel niet langer verleend vanaf die eerste dag.

Voorbeelden:

  1. Een werknemer die rechthebbende is op kinderbijslag wordt gepensioneerd op 1 september. De toeslag van artikel 42bis, G.W. wordt verleend van 1 september af, voor zover aan de gestelde vereisten is voldaan.
  2. Een kind wordt 6 jaar op 1 mei. De leeftijdstoeslag van artikel 44, G.W. wordt verleend vanaf 1 mei.

Wij vestigen er uw aandacht op dat het nieuwe lid 5 van artikel 48, G.W., uitwerking heeft vanaf 1 mei 1984.

3. Artikel 48, lid 7, G.W. wordt aangepast ingevolge het groeperen in artikel 42, G.W. van de regels inzake het bepalen van de rang van het kind.

4. Opmerking:

Verhoogt het aantal rechtgevende (op grond van de gecoördineerde wetten, de regeling voor zelfstandigen of de regeling voor het door de staat bezoldigd personeel) kinderen die door de bijslagtrekkende of in het gezin van de bijslagtrekkende worden grootgebracht in de loop van de maand, dan hebben de in artikel 42, G.W. voorgeschreven regels voor de groepering uitwerking vanaf de eerste dag van die maand (artikel 48, 2de alinea, G.W.).

Daalt daarentegen het aantal van die kinderen in de loop van de maand, dan heeft artikel 48, 7de alinea, G.W. maar uitwerking vanaf de eerste van de maand na die waarin de daling plaatsvond (artikel 48, 3de alinea, G.W.).

Artikel 3 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 1 - Verzekeringsplichtigen

1.1. De programmawet vervangt het gehele hoofdstuk 1 van de gecoördineerde wetten door dit te herschrijven. Dit hoofdstuk bevat nog slechts vier nieuwe artikelen terwijl alle andere bepalingen worden afgeschaft.

(...)

1.4. Het nieuwe artikel 3, G.W. voorziet met zoveel woorden in de verzekeringsplicht t.a.v. de gecoördineerde wetten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de openbare instellingen (waaronder die bedoeld in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut) alsmede de provincies, gemeenten en elke andere openbare dienst bedoeld in artikel 32, lid 1, G.W.

Deze verzekeringsplicht geldt voor het gehele personeel van deze verschillende openbare diensten ongeacht of dit statutair (vast dan wel tijdelijk) of bij overeenkomst (gewoon of gesubsidieerd) is aangeworven en los van het feit of de gezinsbijslag door deze openbare diensten zelf of door een kinderbijslaginstelling uitgekeerd wordt.

Daarnaast zijn ook de beroepsmilitairen en de militaire werklieden, die eerder beoogd werden door het vroegere artikel 3, in fine, G.W., begrepen in het begrip "personeel van de Staat" net zoals bijvoorbeeld de onderwijskrachten die deel uitmaken van het personeel van de Gemeenschappen, de provincies of de gemeenten.

Artikel 4 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 1 - Verzekeringsplichtigen

1.1. De programmawet vervangt het gehele hoofdstuk 1 van de gecoördineerde wetten door dit te herschrijven. Dit hoofdstuk bevat nog slechts vier nieuwe artikelen terwijl alle andere bepalingen worden afgeschaft.

(...)

1.5. Het nieuwe artikel 4, G.W. geeft de Koning de macht de werkingssfeer van de gecoördineerde wetten uit te breiden tot werkgevers die onttrokken zouden zijn aan de nieuwe artikelen 1 tot 3, G.W.

Artikel 50bis uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 1 - Verzekeringsplichtigen

(...)

2.13. Artikel 50bis, G.W.

1. In artikel 50bis, G.W. wordt de dagelijkse wezenbijslag afgeschaft, een maatregel die past in het kader van de door de wetgever gewenste hervorming (cf. artikel 40, G.W.).

2. Daarnaast moet worden gezegd dat de verhoogde bijslag voor wezen niet is omgevormd tot kinderbijslagtoeslag. Omdat wezen buiten aanmerking blijven voor de in artikel 42, G.W. geregelde groepering van de kinderen, is deze verhoogde uitkering namelijk niet afhankelijk van de rang van het kind, zodat verder één enkel bedrag kan gelden.

(...)

Artikel 42 uit Kinderbijslagwet werknemers

(...)

Sectie 2 - Bedrag en wijze van berekening van de kinderbijslag

(...)

2.3. Artikel 42, G.W.

1. Het nieuwe artikel 42, G.W. betreft de regels i.v.m. de groepering van de kinderen die rechtgevend zijn op kinderbijslag.

Een nieuw lid werd toegevoegd dat uitdrukkelijk het gezin beoogt dat is samengesteld uit de rechthebbende, de bijslagtrekkende(n)en de rechtgevende kinderen.

In dat geval wordt de kinderbijslag toegekend op basis van het aantal kinderen die rechtgevend zijn in de gecoördineerde wetten en opgevoed worden door de bijslagtrekkende.

Worden echter niet in de groepering opgenomen, de wezen die rechthebbend zijn op de verhoogde bijslag bedoeld in artikel 50bis evenals de in de zin van artikel 70, G.W. geplaatste kinderen (deze laatste worden dus uitdrukkelijk beschouwd als zijnde geen lid van het gezin van de rechthebbende noch van het gezin van de bijslagtrekkende).

2. Lid 1 en 7 (verwijzing naar maandelijkse arbeidsprestaties, afgeschaft door de programmawet), 5 (verwijzing naar het afgeschafte artikel 41, G.W. en 6 (bevoegdheid van de kinderbijslaginstellingen, momenteel geregeld bij het uitvoeringsbesluit van artikel 71 § 1bis, G.W.) zijn afgeschaft.

Artikel 51 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 3 - Rechthebbenden

3.1. Artikel 51, G.W.

1. Het nieuwe artikel 51, G. W. omschrijft enerzijds het begrip rechthebbende naar de zin van de gecoördineerde wetten (§ 1 en 2) en bepaalt anderzijds de band die moet bestaan tussen de aldus omschreven rechthebbende en het rechtgevende kind (§ 3 en 4).

3.1.1. Artikel 51, §§ 1 en 2, G.W.

2. Is rechthebbende op kinderbijslag:

  1. de personen die tewerkgesteld zijn in België door een werkgever bedoeld in de artikelen 1 tot 4, G.W.;
  2. de personen die tewerkgesteld worden in het buitenland door een werkgever bedoeld in de artikelen 1 tot 4, G.W., die onderworpen blijven aan de Belgische sociale zekerheid of onderworpen blijven aan de reglementering van de openbare dienst (Staat, Gemeenschappen, Gewesten, instellingen van openbaar nut, provincies of gemeenten) die hen tewerkstelt ;
  3. de personen die zich in een met tewerkstelling gelijkgestelde toestand bevinden ingevolge het nieuwe artikel 53, G.W. ;
  4. de personen die zich bevinden in één van de situaties van toekenning bedoeld in de artikelen 55, 56, 56bis, 56quater, 56quinquies, 56sexies, 56septies, 56octies, 56novies, 56decies, en 57, G.W., voor zover ze voldoen aan de bijzondere voorwaarden bepaald in deze verschillpnde artikelen.

De rechthebbenden vermeld onder de letters a) tot c) verkrijgen een recht tegen het tarief van artikel 40, G.W. terwijl die vermeld onder letter d) een recht verkrijgen op de tarieven en toeslagen waarin die artikelen, met zoveel woorden voorzien.

Bovendien volstaat in de eerste drie gevallen het enkele feit van tewerkgesteld te zijn (art. 51, § 1, 1° en 2°, G.W.) of zich in een met tewerkstelling gelijkgestelde toestand te bevinden (art. 51, § 1, 3° G.W.) om een mogelijk recht op gezinsbijslag te verkrijgen.

De hoeveelheid van de werkelijke of daarmee gelijkgestelde arbeid (3 uren per dag, 16 dagen of 80 uren per week) heeft generlei invloed op de toekenning van de gezinsbijslag, onder voorbehoud van de eventuele toepassing van artikel 59, G.W.

Zo zou bijvoorbeeld één dag tewerkstelling in de loop van de referentiemaand (zie hierna, punt d - artikel 54, G.W.) een recht op gezinsbijslag kunnen vestigen.

3.1.2. Artikel 51, §§ 3 en 4, G.W.

3. De persoon die de hoedanigheid van rechthebbende bezit krachtens artikel 51 § 1 en 2, G.W., vestigt het recht op gezinsbijslag voor de kinderen bedoeld in paragraaf 3 van hetzelfde artikel dat de bepalingen overneemt die vervat zijn in lid 2 en 6 van het vroegere artikel 51, G.W.

4. Voortaan moet de voorwaarde betreffende de band tussen de rechthebbende en het rechtgevend kind uitsluitend in de loop van de referentiemaand vervuld zijn (zie hierna punt d - artikel 54, G.W.). Nochtans moet er tussen deze voorwaarde en die welke artikel 51 § 1 en § 2, G.W. stelt, overeenkomst bestaan. Anders gezegd, deze voorwaarden moeten in de loop van de referentiemaand tegelijkertijd vervuld zijn.

5. De vroegere bepalingen van art. 51, lid 2, G.W. werden bovendien aangepast aan de doorgevoerde hervorming inzake verwantschap (afschaffing van de verwijzingen naar de wettiging door adoptie, naar "eigen" en "natuurlijke" kinderen).

Ten slotte werd een nieuw punt 8 toegevoegd (het vroegere punt 8 is punt 7 geworden) dat met zoveel woorden de kinderen beoogt die verlaten verklaard zijn door de jeugdrechtbank en die aan een voogd zijn toevertrouwd (art. 370bis, B.W.) of aan een familielid (art. 370ter, B.W.) dat de ouderlijke macht bezit.

6. Merk ook op dat de mogelijkheid tot afwijking die vroeger bepaald was bij lid 4 en 5 van art. 51, G.W., behouden blijft (nieuw art. 51, § 4, G.W.).

Artikel 52 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 3 - Rechthebbenden

(...)

3.2. Artikel 52, G.W.

1. Het nieuwe artikel 52, G.W. beoogt de regel volgens welke de kinderbijslag niet verschuldigd is ten gunste van kinderen die buiten het Rijk worden opgevoed, regel die voordien was opgenomen in lid 3 van artikel 51, G.W. Het werd wenselijk geacht om het territorialiteitsprincipe van het kind en de mogelijkheid tot afwijking, bepaald in het vroegere artikel 52, G.W., in één artikel samen te brengen.

2. Het derde lid van het vroegere artikel is opgeheven omdat het in onbruik is geraakt door de internationale reglementeringen en de wijzigingen die achtereenvolgens aan artikel 51, G.W. werden aangebracht.

Artikel 53 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 1 - Verzekeringsplichtigen

(...)

3.3. Artikel 53, G.W.

1. De nieuwe § 1 van artikel 53, G.W. neemt het grootste deel van de bepalingen van artikel 41, lid 2, G.W. over. De punten a), o), p) en q) zijn echter niet meer opgenomen. De gevallen die in de punten a), p) en q) bedoeld zijn, zijn immers situaties van toekenning waarvoor specifieke voorwaarden gesteld in bijzondere bepalingen, moeten vervuld worden (invaliditeit: artikel 56, G.W. ; loopbaanonderbreking: 56octies, G.W. ; werkloosheid: artikel 56novies, G.W.). Zij moeten niet meer gelijkgesteld worden met een tewerkstelling (elke verwijzing naar dagelijkse of maandelijkse arbeidsprestaties is verdwenen). Anderzijds zou punt o) een overbodige herhaling zijn van het principe van de verzekeringsplicht t.a.v. de sociale zekerheid dat als basis dient voor de vaststelling van de hoedanigheid van rechthebbende (art. 51 § 1, G.W.) en voor het feit dat de werkgever onderworpen is aan de gecoördineerde wetten (art. 2, G.W.).

2. De nieuwe § 2 van artikel 53, G.W. bepaalt dat diegene die krachtens de samengeordende wetten mogelijke of werkelijke rechthebbende is op het ogenblik dat hij zijn militaire of burgerdienst begint, deze hoedanigheid behoudt gedurende de hele periode bedoeld bij artikel 53 § 1, 4°, G.W., periode waarin hij beschouwd wordt als zijnde tewerkgesteld.

Zo zal bijvoorbeeld iemand die krachtens artikel 56sexies, G.W. (student) een mogelijke of werkelijke rechthebbende is op het ogenblik dat hij onder de wapens wordt geroepen, een recht op gezinsbijslag vestigen of blijven vestigen en beschouwd worden als tewerkgesteld gedurende zijn hele militaire dienst.

Op het einde van deze periode zal hij nog steeds rechthebbende zijn op grond van de samengeordende wetten, voor zover hij natuurlijk op dat ogenblik de voorwaarden vervult die gesteld zijn, hetzij in artikel 56sexies G.W., dan wel in een andere bepaling van de samengeordende wetten.

3. De nieuwe § 3 van artikel 53, G.W. behoudt de mogelijkh eid die aan de Koning gegeven is om de in de eerste paragraaf opgesomde lijst van gelijkstellingen aan te vullen.

Artikel 54 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 3 - Rechthebbenden

(...)

3.4. Artikel 54, G.W.

1. Het nieuwe artikel 54, G.W. geeft het algemene principe weer van de vaststelling van het recht op kinderbijslag per kwartaal, met een uitzondering voor de kinderbijslagtarieven en -toeslagen die bedoeld zijn in de artikelen 42bis, 44, 47, 50bis en 50ter, G.W. die net als voorheen maandelijks worden toegekend.

3.4.1. Artikel 54, § 1, G.W.

2. Het nieuwe artikel 54, § 1, G.W. betreft de vaststelling van het recht op kinderbijslag tegen het tarief van artikel 40, G.W.

Hier geldt de regel dat wanneer een rechthebbende de voorwaarden vervult om een nieuw recht op kinderbijslag in de loop van een kwartaal te vestigen, hij dit recht voor de rest van het betreffende kwartaal (inbegrepen de maand van vestiging van recht) en voor het volledige daaropvolgende kwartaal vestigt. Nochtans zal er eventueel rekening moeten gehouden worden met de bijzondere regelen van de artikelen 64 § 3, G.W. en 48, lid 1, G.W.

"Nieuw recht"

3. Onder "nieuw recht" worden volgende situaties verstaan:

  1. Geval waarin een persoon voor de eerste maal de voorwaarden vervult om aanspraak te maken op de hoedanigheid van werkelijke rechthebbende bij gebrek aan enig ander recht op gezinsbijslag dat voordien in de samengeordende wetten bestond.

Voorbeelden:

1) In een gezin waar de echtgenoot loontrekkend is, wordt een eerste kind geboren. Eerstgenoemde vestigt een "nieuw recht" op kinderbijslag in de same ngeordende wetten.

2) Een gezin bestaat uit een vader die zelfstandig is, een moeder zonder beroepsactiviteit en hun kinderen. De vader geeft zijn zelfstandige activiteit op en werkt als werknemer. Hij vestigt een "nieuw recht" op kinderbijslag in de samengeordende wetten.

3) Een concubant, zonder kind, komt in een gezin wonen dat uitsluitend bestaat uit een moeder zonder beroepsactiviteit en haar kind. Deze concubant vestigt een "nieuw recht" op kinderbijslag.

  1. Geval waarin een persoon de voorwaarden vervult om aanspraak te maken op de hoedanigheid van werkelijke rechthebbende terwijl de kinderbijslag vroeger betaald werd uit hoofde van een andere werkelijke rechthebbende.

Voorbeeld:

Een gezin bestaat uit een vader en moeder, allebei loontrekkend, en hun kinderen. De vader, voorrangsgerechtigde rechthebbende, verlaat het gezin. De moeder wordt dan zelf voorrangsgerechtigde rechthebbende. Zij vestigt dus een " nieuw recht" op kinderbijslag in de samengeordende wetten.

  1. Geval waarin de rechthebbende in de loop van een kwartaal opnieuw een recht op kinderbijslag vestigt nadat er een tijdelijke onderbreking was in zijn situatie van werkelijke rechthebbende.

Voorbeeld:

Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een moeder zonder activiteit en hun kinderen. De vader is zonder activiteit van 1 augustus tot 31 augustus en vervult tijdens deze periode de voorwaarden niet meer van artikel 51, G.W. Vanaf 1 september werkt hij opnieuw als loontrekkende. Het recht op kinderbijslag was voor het derde kwartaal, dus tot 30 september, vastgesteld op grond van de situatie van de vader in de maand mei (referentiemaand - zie punt d.2). Voor het vierde kwartaal van het lopende jaar zal de loontrekkende vader een " nieuw recht" op kinderbijslag vestigen op basis van zijn situatie in september (referentiemaand - zie hierna). Door toepassing van artikel 54 § 1, G.W. kan dus een recht op kinderbijslag voor het vierde kwartaal vastgesteld worden.

  1. Er is "behoud van het nieuwe recht" wanneer een persoon zich in een situatie van vestiging van recht voor één of meer dan één kind bevindt en vervolgens de voorwaarden vervult om een recht op gezinsbijslag te vestigen ten gunste van één of meer andere kinderen.

In dat geval zal de rechthebbende die reeds voor het optreden van de nieuwe gebeurtenis een recht op gezinsbijslag vestigde voor sommige kinderen, dit recht voor de andere kinderen behouden.

Voorbeelden:

1) Een concubant, zonder kinderen, komt in een gezin wonen dat uitsluitend bestaat uit een moeder zonder beroepsactiviteit en haar kind. Kort daarop wordt een tweede kind geboren. De concubant vestigt een "nieuw recht" voor het eerste kind van de concubante en "behoudt" dit nieuwe recht voor het tweede kind.

2) Een concubant die een "nieuw recht" vestigt ten gunste van zijn kinderen, komt in een gezin wonen dat uitsluitend bestaat uit een moeder zonder beroepsactiviteit en haar kind. De concubant "behoudt" het nieuwe recht voor het kind van zijn concubante.

"Referentiemaand"

  1. Is beslissend voor de vaststelling van het nieuwe recht of van het behoud van het nieuwe recht op kinderbijslag, de maand waarin een persoon alle voorwaarden vervult die in de samengeordende wetten gesteld zijn om aanspraak te maken op de hoedanigheid van werkelijke rechthebbende.

Die maand wordt "referentiemaand" genoemd.

* Het "nieuwe recht" (zie hierboven, punt 3) geldt voor de rest van het kwartaal waarin het ontstaan is (met inbegrip van de maand van vestiging van recht) en voor het hele daaropvolgende kwartaal2.

** In geval van "behoud van het nieuwe recht" voor andere kinderen (zie hierboven, punt 4) geldt dit enkel vanaf de maand waarin er sprake is van de bij art. 51 § 3, G.W.3 vereiste band tussen de rechthebbende en deze kinderen.

Voorbeelden:

1) Op 25 april wordt een eerste kind geboren in een gezin waar de echtgenoot loontrekkend is. De "referentiemaand" is april. Wanneer de loontrekkende vader in die referentiemaand alle voorwaarden vervult om werkelijke rechthebbende te zijn, zal hij een recht op gezinsbijslag vestigen voor de rest van het tweede kwartaal en voor het derde kwartaal, dat wil zeggen voor de maanden april tot september. Noteer evenwel dat op grond van artikel 48, lid 1, G.W. het recht op kinderbijslag pas vanaf 1 mei werkelijk zal worden toegekend.

2) Een gezin bestaat uit een vader die zelfstandige is, een moeder zonder activiteit en hun kinderen. De vader geeft zijn zelfstandige activiteit op en begint vanaf 16 april als loontrekkende te werken. De "referentiemaand" is april. De loontrekkende vader zal dus voor de maanden april tot en met september een recht op gezinsbijslag vestigen wanneer hij in de loop van de referentiemaand alle voorwaarden vervult die in de samengeordende wetten gesteld zijn om aanspraak te maken op de hoedanigheid van werkelijke rechthebbende.

3) Een concubant, zonder kinderen, komt op 22 juli in een gezin wonen dat uitsluitend bestaat uit een moeder zonder activiteit en haar kind. De "referentiemaand" is juli. Wanneer de concubant in deze referentiemaand alle voorwaarden vervult om werkelijke rechthebbende te zijn, zal hij een recht op gezinsbijslag vestigen voor het derde en vierde kwartaal, dat wil zeggen voor de maanden juli tot december.

4) Een concubant, zonder kinderen, komt op 22 juli in een gezin wonen dat uitsluitend is samengesteld uit een moeder zonder activiteit en haar kind. Op 5 september wordt een tweede kind geboren. De "referentiemaand" is juli. Wanneer de concubant in deze referentiemaand alle voorwaarden vervult om werkelijke rechthebbende te zijn, zal hij enerzijds ten gunste van het eerste kind een recht op gezinsbijslag voor het derde en vierde kwartaal vestigen en anderzijds voor het tweede kind ook een recht op gezinsbijslag vestigen voor de maand september en voor het vierde kwartaal. Noteer dat voor het tweede kind het recht pas vanaf 1 oktober zal worden toegekend, (art, 48, lid 1, G.W.).

5) Een concubant vestigt een nieuw recht voor zijn kinderen op basis van zijn situatie (tewerkstelling als loontrekkende) in de loop van de maand april, voor het tweede en derde kwartaal. Hij komt op 12 juni in een gezin wonen dat uitsluitend bestaat uit een moeder zonder activiteit en haar kind. De "referentiemaand" is april. De concubant zal dus ten gunste van het kind van zijn concubante het recht op gezinsbijslag vestigen voor de maand juni en voor het derde kwartaal op basis van zijn situatie in de loop van deze referentiemaand.

  1. Noteer evenwel dat het volstaat dat de betrokkene de in de samengeordende wetten gestelde voorwaarden alleen in de referentiemaand vervult om aanspraak te maken op de hoedanigheid van werkelijke rechthebbende,

Zo zou er dus in een grensgeval gedurende een volledig jaar een recht op kinderbijslag (zonder onderbreking) kunnen bestaan op basis van slechts twee referentiemaanden (januari en juli of april en oktober), maanden waarin een persoon alle voorwaarden vervult om werkelijke rechthebbende te zijn terwijl hij ze gedurende de overige 10 maanden van het jaar niet zou vervullen.

3.4.2. Artikel 54, § 2, G.W.

  1. De nieuwe § 2 van artikel 54, G.W. betreft de voortzetting van het recht op kinderbijslag tegen het tarief van artikel 40, G.W.

De regel is dat er voor een welbepaald kwartaal uit hoofde van een werkelijke rechthebbende voortzetting van het recht op gezinsbijslag is wanneer deze de in de samengeordende wetten gestelde voorwaarden vervult in de loop van de tweede maand van het kwartaal dat voorafgaat aan dat waarvoor de gezinsbijslag is aangevraagd. Nochtans zal er eventueel rekening moeten gehouden worden met de bijzondere regelen van de artikelen 64, § 3, en 48, lid 1, G.W.

"Voortzetting van het recht"

  1. Onder "voortzetting van het recht" verstaat men de volgende situatie:

Geval waarin een persoon die reeds werkelijke rechthebbende is, in de loop van de referentiemaand(en) nog altijd voldoet aan de in de samengeordende wetten gestelde voorwaarden. (zie hierna).

Voorbeelden:

1) Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een moeder zonder activiteit en hun kinderen. De arbeidsovereenkomst van de vader heeft een onbepaalde duur en dekt de referentiemaand. De vader verkrijgt verder het recht op gezinsbijslag.

2) Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een moeder zonder activiteit en hun kinderen. De arbeidsovereenkomst van de vader eindigt op 16 juli en hij wordt volledig uitkeringsgerechtigde werkloze vanaf 17 juli. De kinderbijslag voor het derde kwartaal dient te worden uitbetaald op basis van de situatie in mei (tewerkstelling als loontrekkende - artikel 51, § 1, G.W.) en de kinderbijslag voor het vierde kwartaal zal verschuldigd zijn op basis van de situatie in augustus (uitkeringsgerechtigde werkloze - artikel 51, § 2, G.W.). De vader verkrijgt verder het recht op gezinsbijslag ondanks de verandering van situatie.

  1. Er is "behoud van de voortzetting van het recht" wanneer een persoon zich in een situatie van voortzetting van het recht bevindt voor één of meer kinderen en vervolgens de voorwaarden vervult om een recht op gezinsbijslag te vestigen ten gunste van één of meer (dan één) andere kinderen.

In dat geval zal de rechthebbende die reeds voor het optreden van de nieuwe gebeurtenis een recht op gezinsbijslag voor sommige kinderen uitoefende, dit recht voor de andere kinderen blijven uitoefenen.

Voorbeeld:

1) Een gezin is samengesteld uit een loontrekkende vader, een moeder zonder activiteit en hun twee kinderen. Een derde kind wordt geboren. Het gaat hier om een "behoud van de voortzetting van het recht" aangezien de rechthebbende zijn recht reeds voor de gebeurtenis (d.w.z. de geboorte) uitoefende.

2) Een concubant die ten gunste van zijn kinderen werkelijke rechthebbende is, komt in een gezin wonen dat uitsluitend bestaat uit een moeder zonder activiteit en haar kind. Het gaat om een "behoud van de voortzetting van het recht" omdat de concubant reeds voor de gebeurtenis, d.w.z. als hij in het gezin komen wonen is, zijn recht uitoefende.

"Referentiemaand"

  1. Is beslissend om de voortzetting van het recht of het behoud van de voortzetting van het recht op gezinsbijslag vast te stellen, de tweede maand van het kwartaal dat voorafgaat aan dat waarvoor de gezinsbijslag is aangevraagd, maand waarin de werkelijke rechthebbende de toekenningsvoorwaarden uit de samengeordende wetten moet vervullen (artikel 51, § 1 of 2 en § 3, G.W.).

Deze maand wordt ook "referentiemaand" genoemd.

* De "voortzetting van het recht" (zie supra, punt 8) geldt voor het gehele kwartaal volgend op het kwartaal in de loop waarvan de referentiemaand valt.

** Evenwel, in geval van "behoud van de voortzetting van het recht" voor andere kinderen (zie supra, punt 9), geldt dit slechts vanaf de maand tijdens welke de rechthebbende, ten overstaan van die kinderen, voldoet aan de voorwaarden van artikel 51, § 3, G.W.4

Voorbeelden:

1) Een gezin is samengesteld uit de loontrekkende vader, de moeder zonder activiteit en hun kinderen. - de vader werkt zonder onderbreking tot 25 september. De referentiemaand is de maand augustus. De gezinsbijslag zal verschuldigd zijn voor het vierde kwartaal, daar de rechthebbende de gestelde voorwaarden vervult tijdens de referentiemaand ; - de vader werkt zonder onderbreking tot 18 juli en is vervolgens zonder activiteit (vervult de voorwaarden niet meer van artikel 51, G.W.). De referentiemaand is de maand augustus. De gezinsbijslag zal niet verschuldigd zijn uit hoofde van de vader voor het vierde kwartaal, daar hij de gestelde voorwaarden niet vervult tijdens de referentiemaand. Dit voor zover natuurlijk hij niet opnieuw een bezoldigde activiteit uitoefent in de loop van de maanden augustus (voortzetting van het recht) of september (verkrijging van het recht).

2) Een gezin is samengesteld uit de loontrekkende vader, de moeder zonder activiteit en hun twee kinderen. De vader werkt het ganse jaar zonder onderbreking. Een derde geboorte heeft plaats op 11 oktober. De referentiemaand is de maand augustus. De vader, die reeds een recht op gezinsbijslag verkrijgt voor zijn eerste twee kinderen voor het vierde kwartaal, zal het recht op het kraamgeld en de kinderbijslag van ditzelfde kwartaal verkrijgen voor zijn derde kind, op grond van zijn situatie in de referentiemaand. We stippen evenwel aan dat de kinderbijslag voor het derde kind slechts verschuldigd zal zijn vanaf de maand november, in toepassing van artikel 48, lid 1, G.W.

3) Een bijzit, werkelijke rechthebbende ten behoeve van zijn kinderen voor het derde kwartaal komt op 14 augustus in een gezin uitsluitend samengesteld uit een moeder zonder activiteit en haar kind. De referentiemaand is de maand mei. De bijzit, die reeds een recht op gezinsbijslag verkrijgt voor zijn kinderen voor het derde kwartaal op grond van zijn situatie in de maand mei, zal een recht op kinderbijslag verkrijgen voor de maanden augustus en september voor het kind van zijn concubine.

  1. We stippen aan dat het volstaat dat de rechthebbende de gestelde voorwaarden vervult alleen in de loop van de referentiemaanden (februari, mei, augustus en november) om het ganse jaar een recht op gezinsbijslag te kunnen verkrijgen.

3.4.3. Artikel 54, § 3, G.W.

  1. De nieuwe § 3 van artikel 54, G.W. bepaalt dat de verhoogde wezenbijslag (artikel 50bis, G.W.) en de bijkomende bijslagen (artikelen 42bis, 44, 47 en 50ter, G.W.) maandelijks vastgesteld blijven, onverminderd de eventuele toepassing van artikel 48, G.W.

Men zal dus maand per maand moeten verifiëren of de rechthebbende dan wel het bedoelde kind steeds wel de bij de gecoördineerde wetten gestelde voorwaarden vervult voor de toekenning van die verhoogde bijslag of van die bijkomende bijslagen.

Die verificatie zal evenwel geenszins verhinderen dat de bijslag verschuldigd is tegen de schaal van artikel 40, G.W., voor minstens een kwartaal, krachtens artikel 54, §§ 1 en 2, G.W.

Voorbeelden:

1) Een gezin is samengesteld uit een loontrekkende vader, gepensioneerd op 1 september, de moeder zonder activiteit en hun kinderen. Het recht op de kinderbijslag van het derde kwartaal is vastgesteld als volgt : - recht op de kinderbijslag tegen de schaal van artikel 40, G.W. op grond van de situatie van de vader in de maand mei (bezoldigde activiteit, voor het ganse kwartaal, de maanden juli, augustus en september) ; - recht op de bijkomende bijslagen van artikel 42bis, G.W. voor de maand september (toepassing van artikel 48, lid 5, G.W.), indien de rechthebbende vader de gestelde voorwaarden vervult om de bijkomende bijslagen voor die maand te genieten.

2) Een gezin is samengesteld uit een vader die langdurig werkloos is en die rechthebbende is krachtens artikel 56novies, G.W., de moeder zonder activiteit en hun kinderen. De vader begint opnieuw een bezoldigde activiteit uit te oefenen op 10 augustus. Het recht op de kinderbijslag van het derde kwartaal is vastgesteld als volgt: - recht op de kinderbijslag tegen de schaal van artikel 40, G.W. op grond van de situatie van de vader in de maand mei (werkloos), voor het ganse kwartaal ; - recht op de bijkomende bijslagen van artikel 42bis, G.W. voor de maanden juli en augustus en verlies van die bijkomende bijslag voor de maand september (toepassing van artikel 48, lid 5, G.W.).

3) Een gezin is samengesteld uit de loontrekkende vader, de moeder zonder activiteit en hun kinderen. Het oudste kind is 6 jaar op 21 juli. Het recht op de kinderbijslag voor het derde kwartaal zal vastgesteld worden als volgt: - recht op de kinderbijslag tegen de schaal van artikel 40, G.W. op grond van de situatie van de vader (bezoldigde activiteit) in de maand mei voor het ganse kwartaal, (de maanden juli, augustus en september) ; - recht op de leeftijdsbijslag van artikel 44, G.W. voor de maanden augustus en september (toepassing van artikel 48, lid 5, G.W.).

3.4.4. Opmerking: invloed van de voorwaarden eigen aan het kind op het recht op gezinsbijslag

  1. Men kan zich afvragen welke de invloed zal zijn van de voorwaarden betreffende het kind op het recht op gezinsbijslag vastgesteld, uit hoofde van de rechthebbende, overeenkomstig artikel 54, G.W.
  2. Indien de toepassing van de artikelen 62 tot 63bis, G.W. of de bepalingen genomen krachtens die artikelen, meebrengt :

- een schorsing van het recht op gezinsbijslag, dan zal het recht vastgesteld hetzij krachtens artikel 54, § 1, G.W. (verkrijging van het recht), hetzij krachtens artikel 54, § 2, G.W. (voortzetting van het recht) zijn normaal verloop hernemen wanneer de oorzaken van de schorsing van het recht verdwenen zullen zijn.

Voorbeeld:

Het recht op de gezinsbijslag werd voor het vierde kwartaal vastgesteld op grond van de situatie van de rechthebbende in de maand augustus. Het kind, dat rechtgevend was krachtens artikel 62, § 65, G.W. (jonge werkzoekende) oefent een winstgevende activiteit uit tijdens de maand november ; het recht wordt dus geschorst voor die maand no vember. Bijgevolg, zal de gezinsbijslag werkelijk betaald worden tijdens het vierde kwartaal, alleen voor de maanden oktober en december.

- een ophouden van het recht op gezinsbijslag, dan zal het recht vastgesteld overeenkomstig artikel 54, G.W. ophouden vanaf het einde van de maand in de loop waarvan de oorzaak van het ophouden van het recht zich voorgedaan heeft (toepassing van artikel 48, lid 3, G.W.).

Voorbeeld:

Het recht op de gezinsbijslag werd voor het eerste kwartaal vastgesteld op grond van de situatie van de rechthebbende in de maand november. Het kind rechtgevend krachtens artikel 62, § 66, G.W. (jonge werkzoekende) in de wachtuitkeringen vanaf 29 januari. Het recht op de gezinsbijslag ten behoeve van dit kind zal ophouden eind januari en de kinderbijslag zal dus betaald worden tijdens het eerste kwartaal, alleen voor de maand januari (toepassing van artikel 48, lid 3, G.W.).

- een hervatting van het recht op gezinsbijslag, dan zal het recht vastgesteld worden overeenkomstig artikel 54, § 1, G.W. (in geval van verkrijging van een nieuw recht of van behoud van een nieuw recht), dan wel artikel 54, § 2, G.W. (in geval van behoud van de voortzetting van het recht).

Voorbeeld:

Een kind A zet zijn studies stop op 30 juni 1989. Het volgt opnieuw lessen (beantwoordend aan de voorwaarden voorzien krachtens artikel 62, § 47, G.W.) op 1 oktober 1990.

- het gezin is samengesteld uit de loontrekkende vader, de moeder zonder activiteit en dit kind A. In dit geval zal het gaan om de verkrijging van een nieuw recht (artikel 54, § 1, G.W.). Derhalve, zal de kinderbijslag verschuldigd zijn ten behoeve van het kind A, voor het vierde kwartaal 1990 en voor het eerste kwartaal 1991, op grond van de bezoldigde activiteit van de rechthebbende vader in de loop van de maand oktober (referentiemaand).

- het gezin is samengesteld uit de loontrekkende vader, reeds rechthebbende voor het kind B, de moeder zonder activiteit en de kinderen A en B, dit laatste nog studerend. In dit geval zal het gaan, voor het kind A, om een behoud van de voortzetting van het recht (artikel 54, § 2, G.W.). Derhalve zal de kinderbijslag verschuldigd zijn ten behoeve van de kinderen A en B, voor het vierde kwartaal 1990, op grond van de bezoldigde activiteit van de rechthebbende vader in de loop van de maand augustus 1990 (referentiemaand).

(...)

Artikel 56bis uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 3 - Rechthebbenden

(...)

3.7. Artikel 56bis, G W.

1. Artikel 56bis, § 1, lid 1, G.W. werd gewijzigd in die zin dat voortaan niet meer verwezen wordt naar de hoedanigheid van "loontrekkende" van een der ouders van het kind, maar wel naar die van mogelijke of werkelijke "rechthebbende", zoals bepaald in artikel 51, §§ 1 en 2, G.W.

Zo zal bijvoorbeeld de wees gerechtigd zijn op verhoogde kinderbijslag (artikel 50bis, G.W.) indien zijn moeder de voorwaarden vervuld had om aanspraak te maken op minstens zes maandelijkse forfaitaire bijslagen, op grond van artikel 56 quater, G.W., in de loop van de twaalf maanden voorafgaand aan haar overlijden.

Dit geldt eveneens wanneer de overleden ouder rechthebbende was krachtens artikel 56sexies, G.W. Er dient te worden opgemerkt dat anders dan in het verleden (vroeger artikel 56sexies, § 2, G.W.) in dit geval het kind gerechtigd zal zijn op verhoogde kinderbijslag (artikel 50bis, G.W.).

Er dient evenwel te worden aangestipt dat artikel 56quinquies, § 2, G.W. steeds voorrang heeft op artikel 56bis, G.W. Het recht op wezenbijslag wordt namelijk verkregen in artikel 56quinquies, § 2, G.W. indien een der ouders van het kind, op het tijdstip van het overlijden, kon aanspraak maken op de kinderbijslag krachtens artikel 56quinquies, § 1, G.W., behalve wanneer de wezenbijslag reeds toegekend werd ingevolge artikel 56bis, G.W. of wanneer de overleden ouder werknemer was die een recht verkreeg ingevolge artikel 56bis, G.W.

2. De wijziging van § 1, lid 1 bracht de afschaffing van paragraaf 3 met zich mede. Die laatste paragraaf had geen bestaansgrond meer, daar de gepensioneerde rechthebbende krachtens artikel 57, G.W., nu ook bedoeld wordt bij artikel 56bis, § 1, lid 1, G.W.

3. Artikel 56bis, § 2, lid 2 is aangevuld om het herstel van het recht op de verhoogde wezenbijslag mogelijk te maken wanneer de gehuwde, overlevende ouder feitelijk gescheiden is van zijn echtgenoot. Deze feitelijke scheiding moet evenwel bekrachtigd worden door een rechterlijke beschikking waarbij een afzonderlijke woonplaats aan de echtgenoten wordt aangewezen.

4. § 6, die geen bestaansgrond meer heeft ten gevolge van de aangebrachte wijzigingen, werd afgeschaft.

5. Artikel 56bis, G.W., onderging overigens enkele aanpassingen voortvloeiend uit de opheffing van het koninklijk besluit nr. 48 van 24 oktober 1967, uit de afschaffing van de dagelijkse kinderbijslag en uit de groepering van de bepalingen betreffende de bevoegdheden van de kinderbijslaginstellingen.

Artikel 56quater uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 3 - Rechthebbenden

(...)

3.8. Artikel 56quater, G.W.

1. Lid 1, 3° van artikel 56quater, G.W. is aangevuld met het oog op de toekenning van de kinderbijslag wanneer de overlevende echtgenoot feitelijk gescheiden is van zijn nieuwe echtgenoot, op voorwaarde dat deze feitelijke scheiding bekrachtigd wordt door een rechterlijke beschikking een afzonderlijke woonplaats aan de echtgenoten toewijst waarbij aan de echtgenoten een afzonderlijke woonplaats wordt aangewezen.

2. De andere wijzigingen aangebracht in artikel 56quater, G.W. betreffen de afschaffing van de dagelijkse kinderbijslag, de opheffing van het koninklijk besluit nr. 48 van 24 oktober 1967, de groepering van de bepalingen inzake de bevoegdheden en de wijziging van artikel 51, G.W.

Wij vestigen de aandacht erop dat de kinderen bedoeld in het nieuw artikel 51, § 3, 8°, G.W. (verlaten kinderen voor wie aan een persoon het ouderlijk gezag toegekend is door de jeugdrechtbank) genoemd worden in lid 2 van artikel 56quater, G.W. (uitzondering op de voorwaarden gesteld in lid 1, 1° en 2°, a) van dit artikel).

(...)

Artikel 56quinquies uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 3 - Rechthebbenden

(...)

3.9. Artikel 56quinquies, G.W.

1. In artikel 56quinquies, G.W. als voor de artikelen 56bis en 56quater, G.W., wordt er thans bepaald dat het recht op kinderbijslag opnieuw verkregen wordt wanneer de ouder of de overlevende echtgenoot feitelijk gescheiden is van zijn echtgeno(o)t(e) en deze feitelijke scheiding is bekrachtigd door een rechterlijke beschikking waarbij de echtgenoten een afzonderlijke woonplaats wordt aangewezen.

2. Bovendien wordt artikel 56 quinquies, G.W. gewijzigd rekening houdend met de afschaffing van de dagelijkse kinderbijslag, de vervanging van de verhoogde bedragen door bijkomende bijslagen, de hergroepering van de bepalingen aangaande de bevoegdheden en de invoeging van een nieuwe categorie van rechthebbende kinderen in artikel 51, § 3, 8°, G.W.

(...)

Artikel 56decies uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 3 - Rechthebbenden

(...)

3.14. Artikel 56decies, G.W.

1. De gedetineerde die tevoren bedoeld was bij het koninklijk besluit nr. 48 van 24 oktober 1967 betreffende de toekenning van gezinsbijslag aan de gedetineerden, is thans in de gecoördineerde wetten opgenomen en zal voortaan op dezelfde wijze worden behandeld als bijvoorbeeld een werkloze, gepensioneerde of invalide rechthebbende.

2. De voorwaarden betreffende de vaststelling van het recht zijn nagenoeg ongewijzigd gebleven vergeleken bij die welke tot dusverre bestonden.

De regel echter volgens welke de gedetineerde slechts een recht op gezinsbijslag verwierf indien tussen de dag waarop hij van zijn vrijheid werd beroofd en de laatste dag die aanleiding heeft gegeven of die aanleiding zou hebben kunnen geven tot het toekennen van gezinsbijslag niet meer dan 12 werkdagen zijn verlopen, is afgeschaft. De gedetineerde diende inderdaad op gelijke voet te worden gesteld met de andere bijzondere rechthebbenden, voor wie enkel de voorwaarde betreffende de zes forfaitaire bijslagen in de loop van het jaar dat de gebeurtenis voorafgaat, wordt gesteld.

Bovendien wordt als algemeen principe gesteld dat de detinering in België moet plaats hebben.

De Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort, kan echter in belangwekkende gevallen van dit algemeen principe afwijken.

3. Rekening houdend met de opneming van de gedetineerden in de gecoördineerde wetten, is het koninklijk besluit nr. 48 van 24 oktober 1967 (voormeld) ingetrokken.

(...)

Artikel 59 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 3 - Rechthebbenden

(...)

3.17. Artikel 59, G.W.

1. In artikel 59, G.W. wordt nog steeds bepaald dat het voordeel van de gecoördineerde wette niet kan worden ingeroepen door de personen die in hoofdzaak een ander beroep uitoefenen dan dat van werknemer verbonden door een arbeidsovereenkomst (in de betekenis van artikel 1, G.W.).

2. Ten gevolge van de afschaffing van elke uitdrukkelijke verwijzing naar een dagelijks of maandelijks arbeidsvolume en naar een minimum werkrooster per dag, werd de bepaling van de in hoofdzaak uitgeoefende bezoldigde activiteit gewijzigd.

Wordt voortaan als in hoofdzaak uitgeoefend beroep beschouwd: elke bezoldigde tewerkstelling in een maandstelsel van half-time arbeid, met verwijzing naar het maandstelsel van voltijdse arbeid van de onderneming of van de bedrijfstak. De krachtens artikel 53, G.W. met een tewerkstelling gelijkgestelde periodes worden voor de vaststelling van het in hoofdzaak uitgeoefende beroep in aanmerking genomen.

(...)

Artikel 60 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 3 - Rechthebbenden

(...)

3.18. Artikel 60, G.W.

1. Artikel 60, § 3, 3°, G.W. is aangevuld met een nieuwe bepaling die in een regeling voorziet voor de gevallen van samenloop van recht op gezinsbijslag tussen de regeling van de werknemers en de zelfstandigen wanneer de rechthebbende werknemer een minieme activiteit uitoefent.

2. Zo heeft het nieuwe artikel 60, § 3, 3° c), G.W. betrekking op het gezin dat samengesteld is uit twee rechthebbenden (ouder8 of niet-ouder) die samenlopende rechten vestigen en waarvan de ene zelfstandig en de andere loontrekkend is.

In dit geval en zonder afbreuk te doen aan artikel 60 § 3, 3°, b), G.W.9 zal het recht op gezinsbijslag in de regeling van de zelfstandigen voorrang hebben op het recht op gezinsbijslag in de regeling voor werknemers wanneer de rechthebbende in de samengeordende wetten (ouder10 of niet-ouder) niet tewerkgesteld is in een maandelijkse werkregeling die ten minste de helft omvat van het aantal maandelijkse werkuren dat gewoonlijk in de onderneming of de bedrijfstak waartoe deze rechthebbende behoort, gepresteerd wordt.

3. Zodoende en op grond van de punten b) en c) van artikel 60 § 3, 3°, G.W. zal het recht op kinderbijslag in de regeling van de zelfstandigen worden vastgesteld in de volgende situaties:

- wanneer het kind in een gezin verblijft dat is samengesteld uit een of meer rechthebbende zelfstandige ouders en uit één of meer rechthebbende werknemers al dan niet een activiteit uitoefenen bedoeld in artikel 59, lid 2, G.W. (een tewerkstelling als loontrekkende die ten minste gelijk is aan een halve baan);

- wanneer het kind in een gezin verblijft dat is samengesteld uit één of meer rechthebbende zelfstandige ouders en uit één of meer rechthebbende loontrekkende ouders en wanneer geen van de rechthebbende werknemers een activiteit uitoefent die ten minste gelijk is aan een halve baan;

- wanneer het kind in een gezin verblijft dat is samengesteld uit één of meer rechthebbende zelfstandige niet-ouders en uit één of meer rechthebbende werknemers, ouder of niet-ouder en wanneer geen van de rechthebbende werknemers een activiteit als loontrekkende uitoefent die ten minste gelijk is aan een halve baan.

4. Samengevat kan men zeggen dat:

- de zelfstandige ouder of de loontrekkende ouder in de zin van artikel 59, lid 2, G.W. altijd voorrang heeft op de niet-ouder in de andere regeling;

- tussen ouders of tussen niet-ouders, de werknemer alleen voorrang heeft wanneer hij een activiteit uitoefent die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 59, lid 2, G.W.

Artikel 64 uit Kinderbijslagwet werknemers

(...)

Sectie 4 - Voorrangsgerechtigde rechthebbenden

4.1. Artikel 64, G.W.

1. Artikel 64 § 2, A, 1°, G.W. is aangepast aan bepaalde wijzigingen die aan de samengeordende wetten zijn aangebracht (wijziging van artikel 51, G.W. en opname van artikel 41, G.W. in het nieuwe artikel 53, G.W.).

2. Met het nieuwe artikel 64 § 3, lid 1, G.W. wordt de regel van de verandering van voorrang aangepast aan de vaststelling van het recht op gezinsbijslag per kwartaal.

Voortaan heeft elke verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende in de loop van een kwartaal uitwerking op de eerste dag van het daaropvolgende kwartaal.

Opdat de verandering van rechthebbende werkelijk uitwerking zou hebben, moet de voorrang nog werkelijk bestaan op de eerste dag van het kwartaal dat volgt, dat wil zeggen op het ogenblik dat de voorrang in principe zou moeten ingaan.

Voorbeelden:

  1. Een gezin is samengesteld uit een vader en moeder, allebei loontrekkend en hun kinderen. Het recht op kinderbijslag is vastgesteld uit hoofde van de vader die voorrangsgerechtigde rechthebbende is. - De vader verlaat het gezin op 4 september. De moeder wordt dan voorrangsgerechtigde rechthebbende. Die verandering van voorrang heeft uitwerking vanaf 1 oktober en de kinderbijslag zal dus voor het vierde kwartaal verschuldigd zijn uit hoofde van de moeder op basis van haar situatie in september (referentiemaand - vestiging van een nieuw recht (artikel 54 § 1, G.W.)). - De vader verlaat het gezin op 14 augustus maar komt terug op 28 september. De verandering van rechthebbende zal geen uitwerking hebben omdat op 1 oktober - op het ogenblik dat de nieuwe voorrang in principe zou moeten ingaan - de voorrang uit hoofde van de moeder niet meer bestaat aangezien de vader ondertussen opnieuw voorrangsgerechtigde rechthebbende is geworden.
  2. Een gezin bestaat uit een moeder zonder activiteit en haar kinderen. Het recht op kinderbijslag is vastgesteld uit hoofde van de vader die werknemer is en buiten het gezin woont. - Een concubant die als werknemer is tewerkgesteld, komt op 10 juli in het gezin wonen. Hij wordt dan prioritair rechthebbende. De verandering van voorrang heeft uitwerking op 1 oktober en de kinderbijslag zal dus voor het vierde kwartaal verschuldigd zijn uit hoofde van deze concubant op basis van zijn situatie tijdens de referentiemaand (juli als het uit zijnen hoofde om een nieuw recht gaat ; april wanneer het uit zijnen hoofde om een behoud van een nieuw recht gaat dat b.v. in april verkregen is want in dat geval betreft het een voortzetting van een recht ; augustus wanneer het uit zijnen hoofde om een behoud van een voortzetting van het recht gaat - artikel 54 § 1 of § 2, G.W.). - Een concubant die als werknemer tewerkgesteld is, komt op 10 juli in het gezin wonen en verlaat het op 5 september. De verandering van rechthebbende zal geen uitwerking hebben omdat op 1 oktober - op het ogenblik dat de nieuwe voorrang in principe zou moeten ingaan - de voorrang uit hoofde van de concubant niet meer bestaat omdat de vader ondertussen opnieuw voorrangsgerechtigde rechthebbende is geworden.
  3. Een gezin is samengesteld uit een moeder zonder activiteit en haar kind dat gerechtigd is op gewaarborgde gezinsbijslag. Een concubant A die als werknemer tewerkgesteld is en geen rechthebbende is voor andere kinderen, komt op 15 april in het gezin wonen en verlaat het op 22 mei. Hij wordt dus werkelijke rechthebbende en aangezien het om een nieuw recht gaat, vestigt hij in principe het recht op kinderbijslag voor het tweede en derde kwartaal op basis van zijn situatie in april (referentiemaand - artikel 54 § 1, G.W.). - Een andere concubant B, ook als werknemer tewerkgesteld en geen rechthebbende voor andere kinderen, komt op 8 juni in het gezin wonen. Hij wordt dan voorrangsgerechtigde rechthebbende. Deze verandering van voorrang heeft uitwerking op 1 juli en de kinderbijslag zal dus voor het derde kwartaal verschuldigd zijn uit hoofde van concubant B op basis van zijn situatie in juni (referentiemaand - artikel 54 § 1, G.W.). - Een andere concubant B, eveneens werknemer en geen rechthebbende voor andere kinderen, komt in het gezin wonen op 8 juni en verlaat het op 29 juni. De verandering van rechthebbende zal geen uitwerking hebben omdat op 1 juli - op het ogenblik dat de nieuwe voorrang in principe zou moeten ingaan - de voorrang uit hoofde van concubant B niet meer bestaat omdat concubant A ondertussen opnieuw voorrangsgerechtigde rechthebbende is geworden (ondanks het feit dat hij niet meer in het gezin verblijft).

3. In het nieuw lid 2 van artikel 64 § 3, G.W. wordt afgeweken van de in lid 1 van artikel 64 § 3, G.W. ingestelde regel, voor veranderingen van voorrang betreffende de toekenning van de tarieven of toeslagen van artikel 42bis, 50bis en 50ter, G.W.

Wanneer de verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende de vestiging of het verval impliceert van een recht op één van de tarieven of toeslagen van artikel 42bis, 50bis en 50ter, G.W., dan geldt de vestiging of het verval van dat recht vanaf de eerste maand na die waarin de verandering van rechthebbende plaatsvond ofwel, zo de verandering van rechthebbende op de eerste van de maand viel, vanaf die eerste dag.

Voorbeelden:

Een gezin bestaat uit een loontrekkende vader, een sedert meer dan zes maanden volledig uitkeringsgerechtigde werkloze moeder en hun kinderen. Het recht op kinderbijslag wordt verkregen uit hoofde van de vader, die voorrangsgerechtigde rechthebbende is tegen het tarief artikel 40, G.W.

- De vader verlaat het gezin op 14 juli. De moeder wordt dus voorrangsrechthebbende rechthebbende. De verandering van voorrang heeft uitwerking vanaf 1 oktober en de kinderbijslag tegen tarief art. 40, G.W., alsook de toeslag van art. 42bis, G.W., is dus verschuldigd uit hoofde van de moeder, voor het vierde kwartaal, op basis van de situatie van juli (referentiemaand - artikel 54 § 1, G.W.). De in artikel 42bis, G.W. bedoelde toeslag is evenwel verschuldigd vanaf augustus uit hoofde van de moeder, ook al wordt de kinderbijslag voor het derde kwartaal nog uitgekeerd uit hoofde van de vader tegen tarief 40, G.W.

- De vader verlaat het gezin op 14 juli, maar gaat er opnieuw deel van uitmaken op 27 september. De verandering van rechthebbende treedt niet in werking (cf. supra punt 2). De in artikel 42bis, G.W. bedoelde toeslag is evenwel verschuldigd voor augustus en september uit hoofde van de moeder, hoewel de kinderbijslag tegen tarief art. 40, G.W. verder uitgekeerd wordt uit hoofde van de vader.

(...)

Artikel 63 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 8 - R.K.W.

8.1. Artikel 101, G.W.

(...)

2. Artikel 101, lid 4, G.W. bepaalt dat de R.K.W. vanaf 1 januari 1989 de kosten draagt van de door het R.I.Z.I.V.11 uitgevoerde medische expertises ingevolge artikel 47, 62 § 3 en 63, G.W.

(...)

Artikel 68 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 6 - De bijslagtrekkenden en de betalingen

6.1. Artikel 68, GW

Op grond van de nieuwe tekst van artikel 68, lid 2, GW kunnen de gezinsuitkeringen voortaan met een circulaire cheque worden betaald.

(...)

Artikel 71 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 6 - De bijslagtrekkenden en de betalingen

(...)

6.3. Artikel 71, G.W.

1. Artikel 71, G.W. wordt aangevuld met een paragraaf 1bis over de bevoegdheid van de kinderbijslagfondsen.

De nieuwe paragraaf verleent aan de Koning de macht om regels vast te stellen voor het bepalen van de bevoegdheid per kwartaal van de kinderbijslaginstellingen. In de programmawet is dus geopteerd voor het samenbrengen van de bevoegdheidsregels die vroeger verspreid waren over verschillende artikelen van de gecoördineerde wetten.

2. Artikel 71 § 2, G.W. is aangevuld om aan de Koning de macht te verlenen om regels vast te stellen voor het regulariseren van rekeningen tussen kinderbijslaginstellingen (hoofdzakelijk de kinderbijslagfondsen.

(...)

HOOFDSTUK II - KONINKLIJK BESLUIT VAN 12 MAART 1990 TOT UITVOERING VAN ARTIKEL 71, § 1BIS VAN DE GECOÖRDINEERDE WETTEN.

Het Koninklijk besluit van 12 maart 1990 legt de bevoegdheden vast op het stuk van de uitkering van kinderbijslag naar aanleiding van de wijzigingen ingevoerd door hoofdstuk VI van de programmawet dat de kinderbijslag betreft.

1. Inleidende bepalingen (artikel 1)

1.1. Het begrip "instellingen "

Alle kinderbijslagfondsen, openbare besturen of diensten die ertoe gehouden zijn gezinsbijslag toe te kennen ingevolge de kinderbijslagregeling voor werknemers, worden beschouwd als instellingen naar de zin van artikel 1.

1.2. Begrip "tewerkstelling", "gelijkgestelde situatie" en "situatie van toekenning"

Het betreft de verschillende posities waaraan een persoon de hoedanigheid van rechthebbende kan ontlenen:

  • tewerkstelling: situatie van arbeid, verwijzend naar artikel 51, § 1° en 2°, G.W., d.w.z. werkelijke tewerkstelling met verzekeringsplicht t.a.v. de sociale zekerheid in de zin van de artikel 1 tot 4, G.W.;
  • gelijkgestelde situatie: situatie die als arbeid wordt beschouwd, verwijzend naar artikel 53, G.W.;
  • situatie van toekenning: situatie die geen arbeid is en niet als zodanig wordt aangemerkt maar op grond waarvan de hoedanigheid van rechthebbende kan verkregen worden, verwijzend naar de artikelen 55 tot 56bis en 56quater tot 57, G.W.

1.3. Begrip "referentiemaand"

Het betreft de maand waarop het recht op kinderbijslag gegrond is, die niet mag verward worden met de periode waarin het recht wordt uitgeoefend.

De referentiemaand kan aldus zijn:

  • de maand van het kwartaal waarin het recht is ontstaan, in geval van nieuw recht
  • de tweede maand van het vorige kwartaal, in geval van voortzetting van het recht.

2. Vaststelling van de bevoegde instelling

2.1. De rechthebbende bevindt zich uitsluitend in een situatie van arbeid (artikel 2)

Wanneer de rechthebbende in de loop van de referentiemaand voor één werkgever werkt, is de kinderbijslaginstelling waarbij de werkgever is aangesloten, bevoegd:

  • voor het volgende kwartaal, ingeval het recht wordt voortgezet aangezien de referentiemaand de tweede maand van het lopende kwartaal is ;
  • vanaf de eerste maand van tewerkstelling tot het einde van het volgende kwartaal in geval van nieuw recht en dit ongeacht een mogelijke verandering van werkgever tijdens deze periode.

Voorbeelden:

  1. 1) Een rechthebbende werkt ononderbroken sedert 1 januari 1989 voor een werkgever x die is aangesloten bij het kinderbijslagfonds X. Op 1 juni 1990 verandert hij van werkgever en begint te werken bij werkgever y aangesloten bij het fonds Y. Voor de kinderbijslag met betrekking tot het derde kwartaal 1990 is de referentiemaand de maand mei 1990 (voortzetting van het recht) en het fonds X is dus bevoegd. Als hij dus blijft werken alleen bij de werkgever y in de maand augustus 1990 (referentiemaand voor het vierde kwartaal 1990), is de kinderbijslag voor het vierde kwartaal 1990 verschuldigd door fonds Y.

2) Als het in het vorenstaande geval onder 1), om een eerste geboorte had gegaan, die zich voordeed in de loop van de maand juli 1990, zou de referentiemaand voor de kinderbijslag m.b.t. het derde kwartaal 1990, de maand juli 1990 geweest zijn (nieuw recht) en het fonds Y zou derhalve bevoegd geweest zijn voor de betaling van de kinderbijslag m.b.t. het derde en vierde kwartaal 1990.

  1. Een rechthebbende werkt uitsluitend voor rekening van een ministerie tot 31 mei 1990. Vanaf 1 juni 1990 wordt hij uitsluitend loontrekkend. De kinderbijslag met betrekking tot het derde kwartaal 1990 is verschuldigd dor het ministerie (referentiemaand: mei 1990) en die met betrekking tot het vierde kwartaal 1990 is verschuldigd door het bevoegde kinderbijslagfonds op grond van de situatie van de rechthebbende in de maand augustus 1990 (referentiemaand).
  2. 1) Een moeder wordt op 1 juli 1990 loontrekkende terwijl de kinderbijslag voordien uit hoofde van de loontrekkende vader werd betaald die op 1 mei 1990 zelfstandige is geworden. Het betreft dus een nieuw recht en de kinderbijslag met betrekking tot het derde en vierde kwartaal 1990 zal dus verschuldigd zijn door het kinderbijslagfonds van de werkgever van de moeder in de maand juli 1990. Verandert de moeder op 1 augustus 1990 van werkgever, dan wordt de bevoegdheid van het fonds van deze nieuwe werkgever pas voor het eerste kwartaal 1991 gevestigd, voor zover dit nog altijd bevoegd is, gelet op de maand november 1990 (referentiemaand voor de kinderbijslag m.b.t. het eerste kwartaal 1991). 2) Indien de moeder in het vorenstaande geval 3.1.) reeds rechthebbende zou geweest zijn voor haar broer tijdens het tweede kwartaal 1990, zou het een voortzetting van het recht betroffen hebben voor haar eigen kinderen zoals voor haar broer en de bevoegdheden zouden als volgt liggen: - voor de kinderbijslag m.b.t. het derde kwartaal 1990, het fonds van de werkgever van de moeder in de maand mei 1990; - voor de kinderbijslag m.b.t. het vierde kwartaal 1990, het fonds van de werkgever van de moeder in de maand augustus 1990.

Wanneer de rechthebbende in de loop van de referentiemaand voor meer dan één werkgever werkt, is de bevoegde kinderbijslaginstelling die waarbij de werkgever is aangesloten bij wie de rechthebbende in de eerste plaats, in de loop van de referentiemaand, is tewerkgesteld (§ 2, lid 1). Wanneer er zich dus in de loop van de referentiemaand een verandering voordoet, is het eerst fonds bevoegd.

Wanneer hij echter in de loop van de referentiemaand nog altijd werkt voor de werkgever volgens welke de bevoegdheid voor het lopende kwartaal is vastgesteld, dan blijft deze bevoegdheid voor het volgende kwartaal behouden.

Voorbeelden:

  1. 1) Een eerste geboorte doet zich in juli 1990 voor en de loontrekkende vader verkrijgt aldus een nieuw recht. De referentiemaand voor de kinderbijslag m.b.t. het derde en vierde kwartaal 1990 is de maand juli 1990. Deze rechthebbende was uitsluitend tewerkgesteld bij werkgever x van 1 januari 1990 tot 30 juni 1990. Vanaf de maand juli 1990 werkt hij eveneens voor werkgever y en zijn werkrooster is als volgt: van 1 tot 15, tewerkstelling voor werkgever y en van 16 tot 31, tewerkstelling voor werkgever x. Het bevoegde fonds voor de betaling van de kinderbijslag m.b.t. het derde en het vierde kwartaal 1990 is dus het fonds van werkgever y.

2) Als er in het vorenstaande geval 1.1) een tweede geboorte geweest was en dus een voortzetting van het recht, zouden de bevoegdheden als volgt zijn vastgesteld: - voor de kinderbijslag m.b.t. het derde kwartaal 1990: het fonds van werkgever x (referentiemaand: mei 1990) - voor de kinderbijslag m.b.t. het vierde kwartaal 1990: eveneens het fonds van werkgever x aangezien hij in de referentiemaand (augustus 1990) nog altijd bij werkgever x is tewerkgesteld, een tewerkstelling op grond waarvan de bevoegdheid voor het derde kwartaal 1990 is vastgesteld.

  1. Een rechthebbende werkt uitsluitend voor het ministerie tot 31 mei 1990. Vanaf juni 1990 werkt hij halftijds voor het ministerie en halftijds voor werkgever x aangesloten bij het fonds X. Deze situatie duurt voort tot 30 november 1990. Vervolgens werkt hij uitsluitend voor werkgever x tot 31 maart 1991. De bevoegdheden liggen als volgt: - voor de kinderbijslag m.b.t. het derde kwartaal 1990: het ministerie (referentiemaand: mei 1990) - voor de kinderbijslag m.b.t. het vierde kwartaal 1990: het ministerie (referentiemaand: augustus 1990) - voor de kinderbijslag m.b.t. het eerste kwartaal 1991: het ministerie (referentiemaand: november 1990) - voor de kinderbijslag m.b.t. het tweede kwartaal 1991: het fonds X (referentiemaand: februari 1991).

Gesteld mag dus dat in geval van tewerkstelling bij meer dan één werkgever, de bevoegdheid bij een welbepaald kinderbijslagfonds blijft zolang de rechthebbende tijdens de referentiemaand een activiteit uitoefent voor de werkgever die de overhand heeft gehaald bij het vaststellen van de bevoegdheid. De bevoegdheid wordt aldus duidelijk afgebakend zowel wat de opeenvolgende als wat de afwisselende tewerkstellingen betreft (een dag op twee of de voor- en de namiddag). Wanneer bij gelijktijdige tewerkstelling de bevoegdheid niet kan worden vastgesteld doordat die gelijktijdigheid zodanig is dat men niet kan vaststellen voor welke werkgever de rechthebbende zijn feitelijke tewerkstelling heeft begonnen in de referentiemaand en geen van die tewerkstellingen reeds bepalend is geweest voor de bevoegdheid, wordt de kinderbijslag door de R.K.W. betaald (artikel 9, zie verder). Er moet echter gewezen worden op het geval van de uitzendkrachten voor wie het koninklijk besluit van 24 juli 1987 is afgeschaft. De bevoegdheid zal voortaan volgens de algemene regels worden bepaald.

Opmerking:

Wanneer een werkgever op grond van artikel 38, lid 5, G.W. bij een kinderbijslagfonds uittreedt en zich bij een ander aansluit, komt de bevoegdheid aan het nieuwe fonds toe vanaf de eerste dag van het kwartaal dat de nieuwe aansluiting uitwerking heeft. Het recht van de rechthebbende is inderdaad gebaseerd op de referentiemaand, maar de bevoegdheid behoort toe aan het fonds van de werkgever zonder dat het noodzakelijkerwijs gaat om het fonds uit de referentiemaand.

Voorbeeld:

Een werkgever x, aangesloten bij fonds X, dient op 25 mei 1990 zijn ontslag in en sluit zich op 1 juli 1990 aan bij fonds Y. Vanaf het derde kwartaal 1990 zal de bevoegdheid vastgesteld worden door fonds Y maar het recht zal vastgesteld worden op basis van de situatie in mei 1990.

De fondsen worden er attent op gemaakt om zo snel mogelijk de passende schikkingen te treffen (doorzenden van brevetten, prestatiestaten, enz.) om elke onderbreking in de betalingen te voorkomen.

2.2. De rechthebbende bevindt zich uitsluitend in een gelijkgestelde situatie (artikel 3)

Wanneer de rechthebbende zich in de loop van de referentiemaand uitsluitend in een of meer van de gelijkgestelde situaties die zijn opgegeven in artikel 53 G.W., is de bevoegde kinderbijslaginstelling die van de laatste tewerkstelling of situatie van toekenning voor deze gelijkgestelde situatie.

Voorbeeld:

Een rechthebbende werkt voor werkgever x van 1 oktober 1989 tot 15 mei 1990. Op 16 mei 1990 begint hij te werken voor werkgever y en op 1 augustus begint hij zijn militaire dienst. De kinderbijslag m.b.t. het derde kwartaal 1990 is verschuldigd door het fonds van werkgever x (referentiemaand: mei 1990) maar de kinderbijslag m.b.t. het vierde kwartaal 1990 is verschuldigd door het fonds van werkgever y, aangezien de rechthebbende in de loop van de referentiemaand voor de kinderbijslag m.b.t. het vierde kwartaal 1990 (augustus 1990), zich uitsluitend in een gelijkgestelde situatie bevond en dat de bevoegdheid derhalve is vastgelegd op grond van zijn laatste tewerkstelling.

2.3. De rechthebbende bevindt zich uitsluitend in een situatie van toekenning (artikel 4)

Wanneer in de loop van de referentiemaand de rechthebbende zich uitsluitend in een situatie van toekenning bevindt d.w.z. in één of meer dan één situatie bedoeld in de artikelen 55, 56, 56bis, 56quater, 56octies, 56novies, 56decies en 57 is de bevoegde kinderbijslaginstelling deze van de laatste tewerkstelling, ermede gelijkgestelde situatie of situatie van toekenning op het ogenblik dat de in de hierboven vermelde artikelen bedoelde gebeurtenis zich voordoet, met dien verstande dat in de situaties van toekenning bedoeld in de artikel 56quinquies, 56sexies en 56septies alleen de Rijksdienst bevoegd is (artikel 9).

Voorbeelden:

  1. In een gezin bestaande uit een werkloze vader en een moeder zonder beroepsactiviteit wordt een eerste kind geboren op 15 juni 1990. De vader wordt rechthebbende en vestigt dus een nieuw recht. De gezinsbijslag voor de maanden juni tot september 1990 moet dus worden uitbetaald door het kinderbijslagfonds dat bevoegd is op basis van de maand juni 1990. Gedurende deze referentiemaand was de rechthebbende uitsluitend werkloos. Zijn beroepsloopbaan ziet er als volgt uit: - van 1 september 1989 tot 31 januari 1990, werknemer bij werkgever x - van 1 februari 1990 tot 31 maart 1990: werkloos - van 1 april 1990 tot 14 april 1990: werknemer bij werkgever y - van 15 april 1990: werkloos. Het fonds dat bevoegd is op basis van de maand juni 1990 is dus het fonds van werkgever y (laatste tewerkstelling voor zijn werkloosheid).
  2. Een eerste kind wordt geboren op 18 juni 1990 in een gezin waar de vader sedert 13 maart 1990 gedetineerd is en de moeder zonder beroepsactiviteit is. Voor zijn detinering was de vader tewerkgesteld voor rekening van een parastatale instelling. De gezinsbijslag die verschuldigd is vanaf de maand juni 1990 en op zijn minst tot het einde van de detinering is dus verschuldigd door de kinderbijslaginstelling die bevoegd is op het ogenblik dat de detinering zich voordoet, m.a.w. de parastatale instelling.

2.4 De rechthebbende bevindt zich in verschillende situaties (artikel 5)

Wanneer in de loop van de referentiemaand de rechthebbende zich tegelijkertijd in een situatie van tewerkstelling, in een ermede gelijkgestelde situatie en/of situatie van toekenning bevindt, is de situatie die zich het eerst voordoet in de loop van de referentiemaand, die welke de bevoegdheid zal bepalen (artikel 5, lid 1).

Voorbeelden:

  1. Een rechthebbende beëindigt zijn militaire dienst op 15 mei 1990 en begint op 16 mei 1990 bij werkgever Y te werken. De bevoegdheid voor het tweede kwartaal 1990 was vastgesteld door fonds X overeenkomstig artikel 3. De kinderbijslag voor het derde kwartaal 1990 is verschuldigd door de instelling die bevoegd is op basis van de maand mei 1990. Tijdens die maand bevond de rechthebbende zich eerst in een gelijkgestelde situatie, daarna was hij tewerkgesteld. De bevoegde kinderbijslaginstelling blijft dus fonds X.
  2. Voor een rechthebbende in 56decies eindigt de periode van detinering op 16 januari 1991. Hij is ziek van 17 januari 1991 tot 2 februari 1991 en oefent een winstgevende activiteit uit bij werkgever y op 27 februari 1991. Het fonds dat bevoegd is voor het eerste kwartaal 1991, werd bepaald op grond van artikel 3 ; het gaat om fonds X. Om de bevoegdheid voor het tweede kwartaal 1991 vast te stellen, baseert men zich op de maand februari 1991. Tijdens deze referentiemaand bevond de rechthebbende zich achtereenvolgens in een situatie van toekenning (56 § 1), was hij zonder toekenningssituatie en daarna tewerkgesteld. De eerste situatie is de situatie van toekenning. Het bevoegde fonds is dus dat van de laatste toekenningssituatie (56decies) op het ogenblik dat de rechthebbende ziek is geworden. Het gaat dus om fonds X.

Wanneer er echter onder de verschillende situaties waarin de rechthebbende zich in de loop van de referentiemaand bevindt, een situatie is die bedoeld is bij artikel 53 § 1, 6°, 56 § 2, 56quater, 56octies, 56novies of 57, G.W., dan wordt de bevoegdheid vastgesteld op basis van deze toekenningssituatie of gelijkgestelde situatie (artikel 5, lid 2).

Dit betekent dat zolang een rechthebbende aanspraak kan maken op kinderbijslag op basis van één der in bovenvermelde artikelen bedoelde situatie, de bevoegdheid bij het fonds blijft dat bevoegd is op basis van deze situatie.

Voorbeelden:

  1. Een werknemer die rechthebbende is, bevindt zich in een opzeggingssituatie vanaf 1 juli 1990 en geniet een opzeggingsvergoeding voor de maanden juli tot en met november 1990. De kinderbijslag voor het derde kwartaal 1990 wordt uitbetaald op basis van de bevoegdheid die is vastgesteld op grond van de maand mei 1990 ; de kinderbijslag voor het vierde kwartaal 1990 op basis van zijn situatie in augustus 1990. Vanaf 1 augustus 1990 is hij opnieuw beginnen werken. Gezien de tweevoudige hoedanigheid van rechthebbende (51, § 1,, 1° en 53, § 1, 6°) blijft de bevoegdheid vastgesteld op basis van zijn opzegging zonder prestaties en de kinderbijslag voor het eerste kwartaal 1991 zal dus nog door hetzelfde fonds worden uitbetaald aangezien de bevoegdheid is vastgesteld op basis van de situatie in de maand november 1990.
  2. Een rechthebbende is volledig uitkeringsgerechtigd werkloos en de bevoegdheid van het fonds werd vastgesteld op basis van zijn laatste tewerkstelling. In de loop van de maand juni 1990 is hij deeltijds tewerkgesteld en blijft hij werkloosheidsuitkeringen genieten voor bepaalde dagen. De kinderbijslag voor het derde kwartaal 1990 dient te worden uitbetaald op basis van de maand mei 1990 door de kinderbijslaginstelling die bevoegd is op grond van de werkloosheid van de betrokkene en de kinderbijslag voor het vierde kwartaal 1990 dient eveneens door hetzelfde fonds te worden uitbetaald omdat in de loop van de referentiemaand de rechthebbende tegelijkertijd aanspraak kan maken op kinderbijslag op basis van zijn tewerkstelling en krachtens artikel 56novies G.W.
  3. Een grootvader is rechthebbende krachtens artikel 57 G.W. In augustus 1990 oefent hij een activiteit uit die is toegestaan binnen het raam van zijn rustpensioen. Het bevoegde fonds voor het vierde kwartaal 1990 is dat welke bevoegd is op grond van zijn pensioen.

2.5. Tweevoudige bevoegdheid voor een bepaalde periode (artikel 6)

Deze bepaling regelt het probleem wanneer er twee referentiemaanden en dus twee bevoegdheden zijn voor een bepaalde periode.

Voorbeeld:

Een rechthebbende werkt zonder onderbreking voor werkgever x, aangesloten bij fonds X, tot 31 juli 1990. Van 1 augustus 1990 tot 31 augustus 1990 oefent hij geen activiteit uit. Vanaf 1 september 1990 is hij tewerkgesteld bij werkgever y, aangesloten bij fonds Y.

De kinderbijslag voor de maand september 1990 is dus verschuldigd: - door instelling X, als voortzetting van het recht, op basis van de maand mei. - door instelling Y, als nieuw recht, op basis van de maand september.

Op grond van artikel 6 kunnen de bevoegdheden als volgt vastgesteld worden: - voor het derde kwartaal 1990: fonds X op grond van de situatie in de maand mei 1990 - voor het vierde kwartaal 1990: fonds Y op grond van de maand september 1990 (nieuw recht omdat hij in de loop van de referentiemaand, augustus 1990 bij voortzetting van het recht, niet de hoedanigheid van rechthebbende bezit).

2.6. Verandering van rechthebbende in de loop van een kwartaal (artikel 7)

Wanneer er in de loop van een kwartaal verandering van een al dan niet voorrangsgerechtigde rechthebbende is, dan wordt de kinderbijslaginstelling van de nieuwe voorrangsgerechtigde rechthebbende bevoegd vanaf de eerste dag van het volgend kwartaal.

Voorbeeld:

Een gezin bestaande uit een vader en moeder, beiden loontrekkend en hun kinderen. De vader, rechthebbende, verlaat het gezin op 15 april 1990. De bevoegdheid werd vastgesteld uit hoofde van de vader voor het tweede kwartaal 1990. De moeder wordt voorrangsgerechtigde rechthebbende op 15 april 1990 maar deze verandering heeft pas uitwerking op 1 juli 1990. De kinderbijslag voor het derde kwartaal 1990 zal dus betaald worden uit hoofde van de moeder door het fonds dat bevoegd is op basis van de maand april 1990 (referentiemaand voor een nieuw recht).

Wanneer de verandering van rechthebbende inhoudt dat een recht tegen een tarief of een toeslag bepaald in de artikelen 42bis, 50bis en 50ter, G.W. wordt erkend of ontnomen, zullen erkenning of verlies van dit recht ingaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de verandering heeft plaatsgehad. Het fonds dat bevoegd is om de kinderbijslag tegen het basistarief uit te keren (artikel 40, G.W.), is eveneens bevoegd om de toeslagen (artikelen 42bis en 50ter, G.W.) te betalen, hoewel het onderzoek naar het recht op de verhoogde kinderbijslag door het fonds van de voorrangsgerechtigde rechthebbende moet worden uitgevoerd. Op te merken valt dat er voor deze verhogingen geen regularisaties worden uitgevoerd, zelfs wanneer de betrokken instellingen uit verschillende begrotingsposten gefinancierd worden, omdat de bevoegdheid de kosten bepaalt.

Voorbeelden:

  1. 1) In een gezin gaan op 2 juli 1990 de werkloze moeder en de loontrekkende vader die rechthebbende is voor hun twee kinderen, uit elkaar. De moeder wordt voorrangsgerechtigde rechthebbende en kan aanspraak maken op de kinderbijslag verhoogd met de toeslag bepaald in artikel 42bis. De bevoegdheden zijn als volgt vastgesteld: - voor de kinderen voor het derde kwartaal 1990, het fonds van de vader (referentiemaand: mei 1990) tegen het tarief bepaald bij artikel 40, G.W. en de verhoging bepaald bij artikel 42bis, G.W. voor de maanden augustus en september - voor de kinderbijslag voor het vierde kwartaal 1990, het fonds van de moeder (referentiemaan: juli 1990) tegen het tarief bepaald bij artikel 40, G.W. verhoogd met de toeslag bepaald bij artikel 42bis, G.W. 2) Wanneer er in het vorenstaande voorbeeld (zie punt 1.1) opnieuw samenwoning zou geweest zijn in de loop van de maand september 1990, zou de kinderbijslag zonder onderbreking (derde en vierde kwartaal) uitbetaald zijn door het fonds van de vader, met de verhoging bepaald bij artikel 42bis voor de maanden augustus en september omdat de verandering van voorrang geen uitwerking zou gehad hebben op 1 oktober 1990.
  2. Een gezin is samengesteld uit een moeder zonder beroepsactiviteiten en haar kinderen. De kinderbijslag wordt uitbetaald uit hoofde van de vader die staatsambtenaar is en buiten het gezin leeft. In april 1990 komt een concubant in het gezin wonen die reeds een recht heeft op kinderbijslag verhoogd met de toeslag bepaald bij artikel 42bis. Het ministerie blijft bevoegd om de kinderbijslag voor het tweede kwartaal 1990 uit te betalen (referentiemaand: februari 1990) met inbegrip van de verhoging bepaald bij artikel 42bis voor de maanden mei en juni 1990. Het fonds van de concubant zal vanaf 1 juli 1990 (referentiemaand, mei 1990) bevoegd zijn om de kinderbijslag ten gunste van de kinderen van zijn concubante uit te betalen.

2.7. Verandering van rechthebbende ten gunste van een wees (artikel 8)

Wanneer een recht ontstaat ten gunste van een wees krachtens artikel 56bis, G.W., is het fonds dat de kinderbijslag moet toekennen vanaf het volgend kwartaal, het fonds van de laatste tewerkstelling, situatie van toekenning of ermede gelijkgestelde situatie van de overleden ouder wanneer hij voldoet aan de voorwaarde van artikel 56bis, § 1, G.W. of bij ontstentenis hiervan, het fonds van de overlevende ouder, indien deze aan de vereisten voldoet. De bevoegdheid voor de betaling van wezenbijslag wordt dus vastgesteld door het fonds dat bevoegd is op basis van de allerlaatste situatie van de overleden ouder en niet door het fonds dat bevoegd is op het ogenblik van het overlijden. Het fonds dat bevoegd is om de kinderbijslag tegen het basistarief (artikel 40, G.W.) uit te betalen, is eveneens bevoegd om het verhoogd tarief (artikel 50bis, G.W.) te betalen, hoewel het onderzoek naar het recht op de verhoogde kinderbijslag door het fonds van de voorrangsgerechtigde rechthebbende dient te worden verricht.

Op te merken valt dat er voor deze verhogingen geen regularisaties worden uitgevoerd, zelfs wanneer de betrokken instellingen uit verschillende begrotingsposten gefinancierd worden omdat de bevoegdheid de bekostiging bepaalt.

Voorbeelden:

  1. Een gezin bestaat uit een moeder die geen beroep uitoefent, een loontrekkende vader en hun kind. De vader overlijdt op 20 juli 1990. Zijn beroepsloopbaan in het jaar vóór zijn overlijden is als volgt: - werkte van 1 juli 1989 tot 31 oktober 1989 bij werkgever x, aangesloten bij fonds X. - werkloos van 1 november 1989 tot 31 mei 1990. - werkte van 1 juni 1990 tot 14 juni 1990 bij werkgever y - van 15 juni 1990 af werkloos. De bevoegdheid per kwartaal ligt als volgt: - derde kwartaal 1990: fonds dat bevoegd is voor de werkloosheid (referentiemaand = mei 1990), dus fonds X - vierde kwartaal 1990 en volgende: fonds van de laatste toekenningssituatie van de overledene, dus fonds Y.
  2. Een gezin bestaat uit een vader, ambtenaar, een loontrekkende moeder en hun twee kinderen. De moeder overlijdt op 20 juli 1990. De bevoegdheid per kwartaal ligt als volgt: - derde kwartaal 1990: ministerie (referentiemaand: mei 1990) tegen het tarief van artikel 40, G.W. voor de maand juli en tegen het tarief bepaald bij artikel 50bis, G.W. voor de maanden augustus en september. - vierde kwartaal 1990 en volgende: fonds van de laatste tewerkstelling, ermede gelijkgestelde situatie of situatie van toekenning van de moeder.

2.8. Bevoegdheid van de R.K.W. (artikel 9 en 10)

De bevoegdheid van de R.K.W. is op een aantal punten gewijzigd.

Zo wordt de Rijksdienst bevoegd voor het uitkeren van kinderbijslag aan tijdelijke onderwijskrachten van de door de Gemeenschappen ingerichte of gesubsidieerde onderwijsinstellingen maar is hij niet langer uitsluitend bevoegd voor gedetineerden, omdat detentie wordt opgenomen in de toekenningssituaties.

Gezinsbijslag uit hoofde van rechthebbenden

  • op grond van artikel 56novies, G.W. en die hierop geen recht kunnen doen gelden bij een kinderbijslagfonds
  • op grond van de gecoördineerde wetten en die geen recht kunnen doen gelden bij een kinderbijslaginstelling
  • op grond van artikel 56 of 57, G.W. en die vroeger in dienst waren van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten
  • op grond van artikel 56bis en 56quater, G.W. en voor wie de bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten is vastgesteld
  • op grond van artikel 56quinquies, 56sexies, en 56septies, G.W.
  • van de in titel III, hoofdstuk II van de programmawet van 30 december 1988 bedoelde gesubsidieerde contractuelen

is zoals vroeger uitsluitend verschuldigd door de Rijksdienst.

Voorbeeld:

  1. Een rijksambtenaar, rechthebbende voor zijn eigen kinderen, overlijdt op 2 juli 1990. De bevoegdheid per kwartaal is als volgt: - derde kwartaal 1990: het ministerie voor rekening waarvan de overledene tewerkgesteld was, op basis van de maand mei 1990 ; - vanaf het vierde kwartaal 1990: de R.K.W. die de alleenbevoegdheid heeft op basis van artikel 9 van het betreffende koninklijk besluit. Daarnaast dient de Rijksdienst de gezinsuitkeringen te betalen wanneer de bevoegdheid niet kon worden bepaald (artikel 10)
  2. Een toekomstige vader werkt tegelijkertijd voor twee werkgevers x en y, respectievelijk aangesloten bij fonds X en Y. Een eerste kind wordt geboren en de twee tewerkstellingen zijn gelijktijdig zodat niet kan worden bepaald welke werkgever in de maand van de geboorte, die de referentiemaand is (nieuw recht), de eerste was. In dit geval is de Rijksdienst bevoegd voor het betalen van de gezinsuitkeringen zolang de bevoegdheid niet kan worden bepaald conform de hiervoren gegeven regels.

3. Overgangsmaatregelen (artikel 13)

Om nodeloze overdrachten van dossiers tussen verschillende instellingen te voorkomen, is bepaald dat de voor maart 1990, of, zo er voor maart geen recht is, de voor februari 1990 vastgestelde bevoegdheid, behouden blijft voor de kinderbijslag over het tweede kwartaal 1990.

Dat betekent dat alle rechthebbenden die verder recht hebben in het tweede kwartaal 1990, kinderbijslag ontvangen van het fonds dat bevoegd was om de kinderbijslag van maart 1990 uit te keren, met dien verstande dat bij een nieuw recht dat zich in de loop van het tweede kwartaal 1990 voordoet, de in artikel 2 tot 10 bepaalde bevoegdheidsregels ten volle van toepassing zijn.

Voorbeeld:

  1. 1) Een rechthebbende werkt in februari 1990 bij werkgever x, aangesloten bij fonds X. Hij verandert op 1 maart 1990 van werkgever en voor maart 1990 is fonds Y bevoegd. Ingevolge de overgangsbepaling betaalt fonds Y de kinderbijslag van het tweede kwartaal 1990 (i.p.v. het dossier terug te sturen naar fonds X op grond van februari en het daarna opnieuw naar fonds Y te sturen voor het derde kwartaal 1990). 2) In het voorbeeld onder punten 1.1) hierboven zou fonds X bevoegd blijven voor de uitkeringen van het tweede kwartaal 1990 zo de verandering van werkgever op 16 maart 1990 plaats had gevonden.
  2. Een volledig werkloze begint op 2 januari 1990 in deeltijd te werken om niet langer werkloos te zijn. Deze activiteit bepaalt welk fonds bevoegd is voor januari, februari en maart 1990. De bevoegdheid blijft in het tweede kwartaal 1990 behouden.
  3. Een rechthebbende is sinds 1 februari 1990 gedetineerd en verwacht wordt dat die situatie tot 31 december 1990 zal duren. Voor de kinderbijslag van februari en maart 1990 was de R.K.W. bevoegd. Die bevoegdheid blijft bestaan in het tweede kwartaal 1990.

Verkreeg de rechthebbende geen recht in maart 1990 maar wel in februari 1990, blijft de bevoegdheid van februari 1990 behouden voor de kinderbijslag van het tweede kwartaal. Zodra artikel 54, G.W. van kracht wordt, d.w.z. van 1 april 1990, verkrijgen de rechthebbenden verder recht voor het tweede kwartaal 1990, voor zover ze in februari 1990 de hoedanigheid van rechthebbende hadden.

Bovendien bepaalt lid 2 van artikel 13 dat de vóór 1 april 1990 op grond van bepaalde toekenningssituaties (werkloos, gepensioneerd, invalide en gedetineerd) vastgestelde bevoegdheden na die datum behouden blijven zo er zich geen nieuw feit voordoet dat die bevoegdheid kan wijzigen, in de zin hieraan gegeven door het koninklijk besluit.

Dat wil zeggen dat de fondsen in de hierboven genoemde gevallen de dossiers waarvoor ze op grond van de bepalingen van voor 1 april 1990 bevoegd zijn, niet moeten herzien. Deze herziening zal gaandeweg gebeuren voor de gevallen waarin voor de referentiemaand (waarvan de maand mei de eerste is) een nieuw gegeven optreedt dat de bevoegdheid naar de zin van dit besluit, beïnvloedt. Vermeld zij dat een wijziging in de toekenningssituatie geen aanleiding geeft tot een wijziging van de bevoegdheid in de zin van dit besluit, evenmin als een gelijkgestelde situatie volgend op bedoelde toekenningssituatie of zelfs een deeltijdactiviteit om niet langer meer werkloos te zijn, dat zou doen.

Voorbeeld:

  1. Op 1 april 1990 verkrijgt een rechthebbende, die uitkeringsgerechtigd volledig werkloze is, een recht op kinderbijslag bij het fonds X van 1 september 1989. Zijn beroepsloopbaan is als volgt: - tot 31 augustus 1989: uitkeringsgerechtigd volledig werkloos (fonds A); - van 1 september 1989 tot 31 december 1989: in deeltijd werkzaam om niet langer werkloos te zijn (werkgever x, fonds X); - van 1 januari 1990 tot 31 mei 1990: uitkeringsgerechtigd volledig werkloos; - vanaf 1 juni 1990: in deeltijd werkzaam om niet langer werkloos te zijn (werkgever y, fonds Y); - vanaf 5 september 1990: ziek De bevoegdheden liggen als volgt: - voor de kinderbijslag met betrekking tot het tweede kwartaal 1990: fonds X aangezien de bevoegdheid van maart 1990 wordt doorgetrokken tot het tweede kwartaal 1990 (artikel 13, lid 1) - voor de kinderbijslag met betrekking tot het derde kwartaal 1990: fonds X aangezien bij gemis aan een nieuw element, de bevoegdheid behouden blijft (artikel 13, lid 2) - voor de kinderbijslag met betrekking tot het vierde kwartaal 1990: het fonds X aangezien de tewerkstelling in deeltijd om niet langer meer werkloos te zijn (referentiemaand = augustus 1990) geen gegeven is dat de bevoegdheid wijzigt naar de zin van het betrokken koninklijk besluit - voor de kinderbijslag met betrekking tot het eerste kwartaal 1991: het fonds X aangezien de bevoegdheid geen wijziging ondergaat ten gevolge van de nieuwe toekenningstoestand (ziekte).
  2. Een rechthebbende is werkzaam voor een werkgever x die is aangesloten bij fonds X. Op 1 februari 1990 begint voor hem een detentieperiode die afloopt op 15 december 1990. Op 16 december wordt hij uitkeringsgerechtigd volledig werkloze; vanaf 1 februari 1991 begint hij een activiteit in deeltijd om niet langer meer werkloos te zijn en op 1 april 1991 begint hij voltijds te werken voor werkgever y, aangesloten bij fonds Y. De bevoegdheden liggen als volgt: - voor de kinderbijslag met betrekking tot het tweede kwartaal 1990: de R.K.W. aangezien de bevoegdheid van de maand maart behouden blijft (artikel 13, lid 1); - voor de kinderbijslag m.b.t. het derde en vierde kwartaal 1990 en het eerste kwartaal 1991: de R.K.W. aangezien bij gemis van een nieuw gegeven, de bevoegdheid behouden blijft (artikel 13, lid 2) - voor de kinderbijslag m.b.t. het tweede kwartaal 1991: de R.K.W. aangezien de deeltijdactiviteit om niet langer werkloos te zijn niet van aard is om de bevoegdheid te wijzigen naar de zin van gemeld koninklijk besluit; - voor de kinderbijslag m.b.t. het derde kwartaal 1991: het fonds Y, op grond van de maand mei 1991 (referentiemaand).

Artikel 73bis uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

SECTIE 7 - KRAAMGELD

Artikel 73bis §1, G.W. is gewijzigd, rekening houdend met de wijziging van artikel 51, G.W. enerzijds en met de wet op de afstamming (afschaffing van de wettiging door adoptie en van het begrip "eigen" of " natuurlijk" kind) anderzijds.

Artikel 47 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 8 - R.K.W.

8.1. Artikel 101, G.W.

1. (...)

2. Artikel 101, lid 4, G.W. bepaalt dat de R.K.W. vanaf 1 januari 1989 de kosten draagt van door het R.I.Z.I.V.12 uitgevoerde medische expertises ingevolge artikel 47, (...) en 63, G.W.

Artikel 63 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 8 - R.K.W.

8.1. Artikel 101, G.W.

(...)

2. Artikel 101, lid 4, G.W. bepaalt dat de R.K.W. vanaf 1 januari 1989 de kosten draagt van de door het R.I.Z.I.V.13 uitgevoerde medische expertises ingevolge artikel 47, 62 § 3 en 63, G.W.

(...)

Artikel 18 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

Sectie 9 - Varia

9.1. Artikel 18, G.W.

Artikel 18, G.W. is enerzijds aangepast aan de staatshervorming (het vermeldt nu ook de Gemeenschappen en de Gewesten) en anderzijds ingevolge de verduidelijking van het begrip openbare instelling door de nieuwe tekst van artikel 3, 2° G.W.

(...)

Artikel 32 uit Kinderbijslagwet werknemers

Sectie 9 - Varia

9.1. (...)

9.2. (...)

9.3. Artikel 32, G.W.

1. In de nieuwe tekst van artikel 32, lid 1, G.W. worden bij de overheidsdiensten en instellingen van openbaar nut die van rechtswege aangesloten zijn bij de R.S.Z.P.P.O., de provincies vermeld (vroeger aangesloten krachtens het koninklijk besluit van 3 juli 1975 tot aansluiting van de provincies bij de R.S.Z.P.P.O.) en daarnaast ook de van de provincies afhangende openbare instellingen en de verenigingen van verschillende van de genoemde instellingen.

2. De nieuwe tekst van artikel 32, lid 2, G.W. geeft de Koning de macht de in de 1ste alinea opgegeven lijst van de bij de R.S.Z.P.P.O. aangesloten instellingen uit te breiden.

3. Het nieuwe artikel 32, G.W. heeft uitwerking per 1 januari 1986.

Artikel 38 uit Kinderbijslagwet werknemers

HOOFDSTUK II - KONINKLIJK BESLUIT VAN 12 MAART 1990 TOT UITVOERING VAN ARTIKEL 71, § 1BIS VAN DE GECOORDINEERDE WETTEN

(...)

2. Vaststelling van de bevoegde instelling

2.1. De rechthebbende bevindt zich uitsluitend in een situatie van arbeid (artikel 2)

(...)

Opmerking:

Wanneer een werkgever op grond van artikel 38, lid 5, G.W. bij een kinderbijslagfonds uittreedt en zich bij een ander aansluit, komt de bevoegdheid aan het nieuwe fonds toe vanaf de eerste dag van het kwartaal dat de nieuwe aansluiting uitwerking heeft.

Het recht van de rechthebbende is inderdaad gebaseerd op de referentiemaand maar de bevoegdheid behoort toe aan het fonds van de werkgever zonder dat het noodzakelijkerwijs gaat om het fonds uit de referentiemaand.

Voorbeeld:

Een werkgever x, aangesloten bij fonds X, dient op 25 mei 1990 zijn ontslag in en sluit zich op 1 juli 1990 aan bij fonds Y. Vanaf het derde kwartaal 1990 zal de bevoegdheid vastgesteld worden door fonds Y maar het recht zal vastgesteld worden op basis van de situatie in mei 1990.

De fondsen worden er attent op gemaakt om zo snel mogelijk de passende schikkingen te treffen (doorzenden van brevetten, prestatiestaten, enz.) om elke onderbreking in de betalingen te voorkomen.

Artikel 38 uit Kinderbijslagwet werknemers

(...)

HOOFDSTUK II - KONINKLIJK BESLUIT VAN 12 MAART 1990 TOT UITVOERING VAN ARTIKEL 71, § 1BIS VAN DE GECOORDINEERDE WETTEN

(...)

2. Vaststelling van de bevoegde instelling

2.1. De rechthebbende bevindt zich uitsluitend in een situatie van arbeid (artikel 2)

(...)

Opmerking:

Wanneer een werkgever op grond van artikel 38, lid 5, G.W. bij een kinderbijslagfonds uittreedt en zich bij een ander aansluit, komt de bevoegdheid aan het nieuwe fonds toe vanaf de eerste dag van het kwartaal dat de nieuwe aansluiting uitwerking heeft. Het recht van de rechthebbende is inderdaad gebaseerd op de referentiemaand maar de bevoegdheid behoort toe aan het fonds van de werkgever zonder dat het noodzakelijkerwijs gaat om het fonds uit de referentiemaand.

Voorbeeld:

Een werkgever x, aangesloten bij fonds X, dient op 25 mei 1990 zijn ontslag in en sluit zich op 1 juli 1990 aan bij fonds Y. Vanaf het derde kwartaal 1990 zal de bevoegdheid vastgesteld worden door fonds Y maar het recht zal vastgesteld worden op basis van de situatie in mei 1990.

De fondsen worden er attent op gemaakt om zo snel mogelijk de passende schikkingen te treffen (doorzenden van brevetten, prestatiestaten, enz.) om elke onderbreking in de betalingen te voorkomen.

Artikel 63 uit Kinderbijslagwet werknemers Artikel 117 uit Kinderbijslagwet werknemers

(...)

HOOFDSTUK I - DE PROGRAMMAWET VAN 22 DECEMBER 1989 - TOELICHTING

(...)

Sectie 8 - R.K.W.

8.1. Artikel 101, G.W.

(...)

2. Artikel 101, lid 4, G.W. bepaalt dat de R.K.W. vanaf 1 januari 1989 de kosten draagt van de door het R.I.Z.I.V.14 uitgevoerde medische expertises ingevolge artikel 47, 62 § 3 en 63, G.W.

(...)

  • 1.
  • 2.
  • 3.
  • 4.
  • 5.
  • 6. Ten gevolge van een herzieningsaanvraag van het kinderbijslagfonds of van de bevoegde geneesheer of ingeval van een nieuw recht toegekend op aanvraag van de betrokkenen vanaf 1 april 1990. In de andere gevallen, zie CO 1258.
  • 7. Zie evenwel voor de uitwerking van een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende, artikel 64 § 3, G.W.
  • 8. Onder voorbehoud van de eventuele toepassing van artikel 48 § 1, G.W.
  • 9. Lezen § 5.
  • 10. Lezen § 3.
  • 11. Ouders: vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder.
  • 12. Art. 63, § 3, 3°, b), G.W. is van toepassing wanneer een gezin is samengesteld uit één of meer rechthebbende zelfstandige ouders die samenleven met één of meer rechthebbende loontrekkende niet-ouders. In dat geval wordt het recht op kinderbijslag ambtshalve vastgesteld in de regeling van de zelfstandigen.
  • 13. Of door elke daartoe bevoegde geneesheer op grond van het koninklijk besluit van 3 mei 1991.
  • 14. Vanaf 31 maart 1993 uitsluitend door de bevoegde dienst van het Ministerie van Sociale Zaken.
Top