Vlaanderen

Artikel 64 van de Algemene kinderbijslagwet

§ 1. De rechthebbende bedoeld in artikel 56bis en 56quinquies, § 2 oefent zijn recht uit bij voorrang.

§1bis. (...)

§2. Wanneer verscheidene rechthebbenden anderen dan deze bedoeld in § 1 krachtens deze wetten aanspraak kunnen maken op kinderbijslag ten behoeve van eenzelfde kind, wordt het recht op die bijslag bij voorrang vastgesteld:

A. 1° in hoofde van de rechthebbende die het kind bij zich opvoedt of het uitsluitend of hoofdzakelijk op zijn kosten laat opvoeden in een inrichting voor onderwijs, opvoeding of verpleging of bij een particulier die geen rechthebbende is volgens deze wetten of van de rechthebbende bedoeld in artikel 51, § 3, 3°, tweede zin, indien deze laatste de voorrangsgerechtigde rechthebbende was op het ogenblik van de plaatsing;

het recht blijft vastgesteld in hoofde van de rechthebbende bedoeld in A., 1°, eerste lid, indien deze rechthebbende in een verplegingsinrichting verblijft of aanspraak maakt op gezinsbijslag bij toepassing van artikel 53, § 1, 4° en § 2.

De rechthebbende die het kind laat opvoeden in een inrichting of bij een particulier, zoals bedoeld in A., 1°, eerste lid, wordt geacht tot bewijs van het tegendeel uitsluitend of hoofdzakelijk de verblijfkosten van dit kind in die inrichting of bij die particulier te dragen.

2° wanneer meer dan één rechthebbende het kind bij zich opvoeden, in hoofde van deze rechthebbenden en in de volgende orde:

a) in hoofde van de vader, de moeder, stiefvader, stiefmoeder. In geval van volle adoptie van het kind door personen van hetzelfde geslacht of in geval van volle adoptie door één persoon van het kind of het adoptiefkind van zijn echtgenoot of samenwonende van hetzelfde geslacht, wordt het recht op kinderbijslag bij voorrang vastgesteld uit hoofde van de oudste van de verwanten in de eerste graad.

b) in hoofde van de oudste van de andere rechthebbenden bij ontstentenis van dezen bedoeld onder a.

Zijn verscheidene rechthebbenden even oud, dan wijzen zij de voorrangsgerechtigde aan, zoniet wordt de voorrang gegeven aan de eerste aanvrager.

Wanneer de twee ouders, die niet samenwonen, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, over een kind dat bij één van hen wordt opgevoed, worden zij beiden geacht het kind bij zich op te voeden. Dit vermoeden blijft van toepassing wanneer het kind het gezin van één van de ouders verlaat, ten gevolge van een plaatsing in een instelling overeenkomstig artikel 70. Het blijft eveneens van toepassing indien de scheiding na een dergelijke plaatsing gebeurt, op voorwaarde dat het ouderlijk gezag gezamenlijk blijft. (1)

B. Wanneer geen rechthebbende de voorwaarde vervult bepaald in A., 1°:

1° in hoofde van de rechthebbende eveneens bijslagtrekkende voor het derde van de kinderbijslag of van de rechthebbende waarmee de bijslagtrekkende voor het derde van de kinderbijslag een feitelijk gezin vormt volgens de vereisten van artikel 51, § 3, tweede lid, wanneer het rechtgevende kind in een instelling geplaatst is overeenkomstig het artikel 70 en op voorwaarde dat die rechthebbende niet van hetzelfde gezin deel uitmaakt als de rechthebbende aangewezen volgens de orde bepaald in A, 2°, a en b;

2° in hoofde van diegene van deze rechthebbenden aangewezen volgens de orde bepaald in A, 2°, a) en b).

§2bis. Wanneer er verscheidene rechthebbenden met een residuair recht zijn ten behoeve van eenzelfde kind krachtens deze wetten, wordt het recht op kinderbijslag bij voorrang vastgesteld in hoofde van de rechthebbende aangewezen volgens de orde bepaald in § 2, A, 2°, a) en b), tenzij op grond van andere bepalingen van deze wetten een voorrang kan worden vastgesteld.

§3. Onverminderd artikel 66, heeft elke verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende in de loop van een trimester uitwerking op de eerste dag van het volgende trimester.

Na een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende worden de toekenning of het verlies van het bedrag bedoeld in artikel 50bis en de toekenning van de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter evenwel van kracht overeenkomstig artikel 48, vierde lid.

--------------------------------

(1) De bepaling van artikel 64, §2, A, laatste lid, is van toepassing op de scheidingen die dateren vanaf 1 oktober 1997. Voor de scheidingen die dateren van vóór 1 oktober 1997 is deze bepaling van toepassing: a) op 1 oktober 1997, wanneer het recht op kinderbijslag pas na die datum wordt gevestigd; b) op het ogenblik van elke wijziging van de ouderschapsregeling of van de gezinssituatie die aanleiding geeft tot een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende of van bijslagtrekkende; c) op verzoek van één van de ouders, met uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op dit verzoek.

De wet van 04.04.2014 tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, art. 70 (B.S. 05.05.2014), van kracht vanaf 30.06.2014, heeft de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in paragraaf 2, worden de woorden "deze wetten" telkens vervangen door de woorden "deze wet";

2° in paragraaf 2bis, worden de woorden "deze wetten" telkens vervangen door de woorden "deze wet".

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top